Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:10612

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
03/700191-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Familie en Jeugd

Parketnummer: 03/700191-18

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 13 november 2018

in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] ,

De verdachte wordt bijgestaan door mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 oktober 2018 en het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 30 oktober 2018. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Tevens zijn gehoord de ouders van verdachte, de heer [vertegenwoordiger van bureau jeugdzorg] , vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, afdeling jeugdreclassering en de heer [begeleider vanuit CAB&B] , begeleider vanuit CAB&B (coaching advisering behandeling en begeleiding).

De raadsman van de benadeelde partij [benadeelde partij] , mr. C.C. de Lange, heeft eveneens het woord gevoerd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

op 29 april 2018 in Kerkrade, al dan niet alleen, geld en autosleutels van [benadeelde partij] heeft weggenomen en daarbij [benadeelde partij] voornoemd heeft geduwd of vastgehouden of met vuisten tegen het gezicht, hoofd of lichaam heeft geslagen en met stokken en staven op of tegen het hoofd of lichaam van die [benadeelde partij] heeft geslagen

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De opsomming van de bewijsmiddelen:

- de aangifte van het slachtoffer [benadeelde partij]2;

- de verklaring van aangever [benadeelde partij]3;

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting4,

- de bekennende verklaring van verdachte bij de politie5,

- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1]6,

- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2]7.

De rechtbank overweegt dat zij verdachte niet zal volgen daar waar hij ter zitting heeft verklaard dat hij het slachtoffer slechts eenmaal met de ijzeren staaf heeft geslagen. Bij de politie heeft verdachte immers verklaard dat hij het slachtoffer met de ijzeren staaf op zijn borstkast en rug heeft geslagen en dat het kan dat hij hem misschien ook op zijn hoofd heeft geslagen. Hij heeft toen ook verklaard dat hij hem wel een keer of zes, zeven heeft geslagen en is gestopt omdat hij het te heftig vond. De rechtbank ziet, mede gelet op de verklaringen van medeverdachten, geen reden om aan deze eerdere verklaring van de verdachte te twijfelen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 29 april 2018 in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met anderen, 120 euro en een autosleutel, toebehorende aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededaders die [benadeelde partij] ,

- hardhandig hebben geduwd en vastgehouden en

- met een vuist in/tegen het gezicht en/of hoofd, althans het lichaam, hebben geslagen en

- met een stok en staven op/tegen het hoofd, althans het lichaam, hebben geslagen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De psycholoog drs. [naam psycholoog] heeft over de geestvermogens van de verdachte op
22 juli 2018 een rapport uitgebracht. De deskundige concludeert dat verdachte lijdt aan een lichte verstandelijke ontwikkelingsstoornis. Daarnaast is sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling en is mogelijk sprake van ADHD. Verdachte heeft een gebrekkig functionerend geweten, is opportunistisch en gericht op de onmiddellijke bevrediging van zijn behoeftes. Deze factoren hebben ook een rol gespeeld bij het tot stand komen van het tenlastegelegde. Door zijn verstandelijke ontwikkelingsstoornis en eventueel ADHD kan betrokkene impulsief handelen en is hij minder dan een andere 18-jarige, in staat de vermoedelijke gevolgen van zijn gedrag te overzien. Het tenlastegelegde is echter niet impulsief gepleegd. Er zat een aantal uren tussen het idee om het tenlastegelegde te gaan plegen en uitvoering ervan. Ook was het tenlastegelegde goed voorbereid. Verdachte was en is door de antisociale trekken in zijn nog niet volledig uitgerijpte persoonlijkheid niet zo geïnteresseerd in de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. Het is dus niet dat hij de gevolgen niet kón overzien, maar dat de gevolgen hem niet voldoende interesseerden om een andere keuze te maken. Daar de verstandelijke ontwikkelingsstoornis en eventueel de ADHD hem niet belemmeren in zijn keuzevrijheid ten tijde van het tenlastegelegde, adviseert de deskundige hem het tenlastegelegde - indien bewezen - volledig toe te rekenen.

De rechtbank verenigt zich met de in de rapportage gegeven conclusie en neemt deze over.

Nu overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die verdachtes strafbaarheid geheel uitsluiten, is de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, onder toepassing van het adolescentenstrafrecht (verder: ASR), gevorderd aan de verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 360 dagen, waarvan 305 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht van verdachte bij de jeugdreclassering gedurende de proeftijd, ook als dat inhoudt meewerken aan psychodiagnostiek, waarvan de eerste 6 maanden in het kader van een HKA-traject en huisarrest indien en zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 170 uren subsidiair 85 dagen jeugddetentie gevorderd alsmede een leerstraf Tools4U Regulier voor de duur van 20 uren subsidiair
10 dagen jeugddetentie. Tevens wordt opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis gevorderd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is het eens met toepassing van het ASR. De officier van justitie heeft voor de strafmaat aansluiting gezocht bij de richtlijnen voor minderjarigen van het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren (hierna: LOVS), die uitgaan van 6 maanden jeugddetentie voor een overval in een woning. Anders dan de officier van justitie ziet de raadsvrouw geen reden om daar naar boven toe van af te wijken en zij verzoekt een jeugddetentie op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest en het overige deel voorwaardelijk wordt opgelegd. De raadsvrouw is het eens met de gevorderde leerstraf. Zij ziet geen meerwaarde in het daarnaast nog opleggen van een werkstraf, gelet op de persoon van verdachte. Zij wijst daarbij op het feit dat hij een fulltime baan en begeleiding heeft, waarbij hij zich aan de nodige voorwaarden dient te houden. Verdachte is op dit moment gemotiveerd om overal aan mee te werken. De raadsvrouw vreest dat verdachte door het daarnaast nog moeten verrichten van een forse werkstraf overbelast wordt.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld. Verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer via de website [website] naar de woning van één van de mededaders gelokt om hem te kunnen beroven. Van tevoren hebben zij daarvoor een uitgekiend plan bedacht. Om het vertrouwen van het slachtoffer te wekken, wordt een foto van één van de mededaders aan het slachtoffer gestuurd. Deze opent daarom ook de deur als het slachtoffer zich bij de woning meldt. Als het slachtoffer mee naar binnen gaat en de trap oploopt, verschijnen verdachte en zijn mededaders. Het slachtoffer wordt in het gezicht en op zijn lichaam geslagen. Hij wordt door een of meerdere mannen vastgehouden, terwijl anderen het slachtoffer met een stok en staven slaan. Er wordt onder meer geroepen dat hij geld en zijn sleutels moet afgeven. Het geld wordt hem afgepakt. De autosleutel is hij na het gebeuren ook kwijt en gebleken is dat een van de mededaders later over deze sleutel beschikt.

Verdachte heeft aangegeven dat hij samen met een medeverdachte de advertentie heeft geplaatst en contact met het slachtoffer heeft gehad via de website en de telefoon. Iedereen in de woning was van het hele plan op de hoogte. Verdachte heeft het slachtoffer meerdere keren met een ijzeren stang en met zijn vuisten geslagen.

De rechtbank rekent de verdachte het bewezenverklaarde feit zwaar aan. Er is fors geweld gebruikt tegen het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij slachtoffers van een delict als het bewezenverklaarde, lange tijd gevoelens van angst en onzekerheid (kunnen) blijven bestaan.

Naast de verwondingen - bestaande uit 3 grote snijwonden op het hoofd, gekneusde ribben en een hersenschudding - die het slachtoffer heeft opgelopen is voorts een grote inbreuk gemaakt op het psychisch welzijn van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft niet alleen tijdens de mishandeling doodsangsten uitgestaan, maar durft ook nu nog niet alleen de straat op. De weg naar de rechtbank om persoonlijk zijn schadevordering toe te lichten, was voor het slachtoffer nog teveel gevraagd. Een confrontatie met de verdachten kon hij niet aan.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat dergelijke misdrijven in het algemeen zorgen voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Ten aanzien van de ernst van de bewezenverklaarde feiten heeft de rechtbank mede gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank mede gelet op de inhoud van het strafblad van verdachte d.d. 9 oktober 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder door de strafrechter is veroordeeld.

De rechtbank zal eveneens rekening houden met de hiervoor genoemde rapportage van de psycholoog drs. [naam psycholoog] , waaruit blijkt dat de verdachte geheel toerekeningsvatbaar is, alsmede met de rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming, Reclassering Nederland en van Stichting Bureau Jeugdzorg (jeugdreclassering), en hetgeen ter terechtzitting omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren is gebracht.

De deskundige adviseert toepassing van ASR en voert daartoe aan dat de handelingsvaardigheden van de verdachte enigszins beperkt zijn. Verdachte komt voorts jonger over dan hij is en is door zijn verstandelijke ontwikkelingsstoornis niet in staat de gevolgen van zijn gedrag te overzien, zoals een andere 18-jarige dat kan. De deskundige ziet wel een noodzaak tot pedagogische beïnvloeding, maar ziet daar weinig mogelijkheden toe, omdat verdachte geen scholing volgt en de ouders al langere tijd weinig invloed hebben op verdachte. Er zijn geen contra-indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Geadviseerd wordt dan ook het jeugdstrafrecht toe te passen.

De jeugdreclasseerder heeft ter zitting aangevoerd dat hij de verdachte herkent in de rapportage van de deskundige. Verdachte is heel erg georiënteerd op zijn eigen behoefte. Verdachte heeft in zijn leven heel weinig structuur en duidelijkheid gehad. Verdachte houdt zich thans goed aan de voorwaarden in het kader ven de schorsing van de voorlopige hechtenis, mede omdat de lijntjes erg kort zijn. De jeugdreclassering is op alle leefgebieden bij verdachte betrokken. Voor verdachte zijn structuur, duidelijkheid en het steeds herhalen van afspraken heel belangrijk. Desgevraagd denkt de jeugdreclasseerder dat verdachte - met vallen en opstaan - leerbaar is. Verdachte heeft ondanks meerdere kleine incidenten nog steeds zijn werk behouden. De jeugdreclasseerder adviseert om naast een werkstraf ook de leerstraf Tools4U Regulier op te leggen, zodat verdachte handvatten krijgt aangereikt voor de sociale omgang.

De heer [begeleider vanuit CAB&B] heeft ter zitting naar voren gebracht dat verdachte zelf contact met hem heeft gezocht. De heer [begeleider vanuit CAB&B] kan hem op alle leefgebieden begeleiden en ondersteunen. Hij heeft samen met verdachte een zorgplan opgesteld, waarbij duidelijke afspraken met verdachte zijn gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van hetgeen hiervoor is gesteld over de persoon van de verdachte het ASR moet worden toegepast.

De rechtbank heeft, evenals de officier van justitie, bij de straftoemeting aansluiting gezocht bij de door het LOVS geformuleerde oriëntatiepunten voor de straftoemetingen voor een woningoverval, te weten een jeugddetentie voor de duur van 6 maanden (180 dagen).

In tegenstelling tot de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om een langere jeugddetentie op te leggen.

Daarnaast acht de rechtbank zowel de leerstraf als de werkstraf, zoals door de officier van justitie gevorderd, passend. De rechtbank overweegt daartoe dat het om een zeer ernstig feit gaat, waarbij veel geweld is gebruikt. Verdachte was een van de leiders. In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank meegewogen dat hij (uiteindelijk) een bekennende verklaring heeft afgelegd en openheid heeft gegeven over de gang van zaken en zijn eigen rol, waarbij hij zichzelf niet heeft gespaard. De rechtbank zal voorts rekening houden met het feit dat verdachte zich goed heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden, werk heeft en zich positief opstelt ten aanzien van de hulpverlening en dat hij heeft aangegeven spijt te hebben van hetgeen hij en de medeverdachten het slachtoffer hebben aangedaan.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een jeugddetentie van
180 dagen dient te worden opgelegd, waarvan 124 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaar. Enerzijds wordt de verdachte hierdoor geconfronteerd met de ernst van het bewezenverklaarde en anderzijds fungeert de forse voorwaardelijke straf als stok achter de deur om hem er van te weerhouden in de toekomst weer strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal naast de algemene voorwaarden als bijzondere voorwaarden bepalen dat de verdachte zich gedurende de proeftijd op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht, waarvan de eerste zes maanden in het kader van het ITB HKA traject. Daarnaast moet de verdachte meewerken aan psychodiagnostiek en aan huisarrest indien en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.

De rechtbank is voorts van oordeel dat gelet op de ernst van het feit niet kan worden volstaan met een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie. De rechtbank zal verdachte daarom een taakstraf in de vorm van een werkstraf opleggen voor de duur van 170 uren, bij niet goed verrichten te vervangen door 85 dagen jeugddetentie alsmede de leerstraf Tools4U Regulier voor de duur van 20 uren, bij niet goed verrichten te vervangen door 10 dagen jeugddetentie.

Ten slotte zal de rechtbank het geschorste bevel voorlopige hechtenis opheffen met ingang van 13 november 2018.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van € 1.114,47, bestaande uit een materiële schade van € 414,47 en een immateriële schade van € 700,00. Daarnaast vordert de benadeelde partij een bedrag van € 100,00 voor indiening van de vordering tot schadevergoeding en € 100,00 per zittingsdag voor het bijwonen van de zitting. De benadeelde partij vordert het totale bedrag hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 april 2018 alsmede het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de benadeelde partij zijn de proceskosten ter terechtzitting nader gespecificeerd, in die zin dat voor het opstellen en de indiening van de vordering een bedrag van € 100,00, te verdelen over alle verdachten, wordt gevorderd, alsmede een bedrag van € 100,00 per dag voor het bijwonen van de terechtzitting (waarbij het vooralsnog om twee zittingsdagen gaat).

Tevens wordt gevorderd de proceskosten hoofdelijk op te leggen.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering hoofdelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.114,47, te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel met een vervangende jeugddetentie van 21 dagen.

De proceskosten van € 100,00 voor het indienen van het verzoek dienen door zeven verdachten te worden gedeeld, wat voor verdachte neerkomt op € 14,29. De proceskosten van € 100,00 voor het bijwonen van de behandeling dienen door drie verdachten te worden gedeeld, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 33,33. Voor verdachte in totaal een bedrag van € 47,62.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat de gevorderde bedragen haar niet onredelijk voorkomen, waarbij zij begrijpt dat de benadeelde partij per zittingsdag € 100,00 verzoekt, welk bedrag door drie verdachten gedeeld dient te worden.

De raadsvrouw maakt wel bezwaar tegen het hoofdelijk opleggen van de schadevergoeding. In de schorsingsvoorwaarden is juist opgenomen dat verdachte geen contact mag opnemen met de medeverdachten. Door de schade hoofdelijk op te leggen, zal hij daar niet aan ontkomen. Bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel kan het CJIB het bedrag bij de verschillende daders innen, het bedrag is dan alleen per persoon lager, maar de schade wordt wel in zijn totaliteit vergoed.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij, nu verdachte deze niet heeft weersproken, kan worden toegewezen zoals is verzocht.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het al dan niet hoofdelijk opleggen van de schadevergoeding en de proceskosten dat het juist de bedoeling van de wetgever is geweest, indien er sprake is van meerdere aansprakelijke verdachten, dat niet het slachtoffer achter de verdachten aan hoeft te gaan om ieders deel van de schade te innen, maar dat hij de totale schade kan verhalen bij één van de verdachten. Het is dan aan de verdachten om onderling een regeling te treffen over de verdeling van de schade.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat het niet gewenst is dat verdachte nog in contact treedt met de medeverdachte, dit niet anders maakt. Het is aan verdachte om daarvoor een oplossing te zoeken, door bijvoorbeeld inschakeling van de ouders of de raadsvrouw van verdachte.

De rechtbank overweegt dat de officier van justitie voor deze overval 7 verdachten heeft gedagvaard. De rechtbank heeft de behandeling van deze zaken verspreid over 2 dagen. De rechtbank heeft de zaak tegen een van de medeverdachten reeds op voorhand aangehouden.

De rechtbank bepaalt op grond hiervan de proceskosten tot op heden op een bedrag van € 100,00 voor het indienen van de vordering en een bedrag van € 100,00 per zittingsdag voor het bijwonen van de beide zittingen door de raadsman van de benadeelde partij.

De rechtbank begroot de proceskosten tot op heden derhalve op een bedrag van € 300,00 en zal deze hoofdelijk opleggen.

De rechtbank merkt hierbij op dat daarin niet is verdisconteerd dat een extra zitting nodig is voor de behandeling van de aangehouden zaak.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.3 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie van 180 dagen, waarvan 124 dagen voorwaardelijk;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde het einde van een proeftijd van twee jaar de algemene voorwaarden of de bijzondere voorwaarden heeft overtreden;

- stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

o zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit,

o ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en,

o medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

o zich gedurende de proeftijd meldt bij de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, afdeling jeugdreclassering, op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

o zich zal houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht, ook als dit inhoudt dat veroordeelde meewerkt aan psychodiagnostiek;

o gedurende de eerste 6 maanden van de proeftijd meewerkt aan het ITB HKA-

traject en aan huisarrest indien en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht dit;

- draagt de gecertificeerde instelling Bureau Jeugdzorg Limburg op toezicht te houden op naleving van deze voorwaarden en veroordeelde daarbij te begeleiden;

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 170 uren;

- beveelt dat indien de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 85 dagen;

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een leerstraf, te weten Tools4U Regulier, voor de duur van 20 uren;

- beveelt dat indien de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 10 dagen;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, [benadeelde partij], wonende te Tilburg, te betalen € 1.114,47, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 29 april 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op € 300,00;

- bepaalt dat voor zover deze bedragen door een of meer mededader(s) zijn betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde partij] , van € 1.114,47, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 29 april 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

- bepaalt dat voor zover het bedrag door een of meer mededader(s) is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de staat te betalen.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M.C. van de Winkel, voorzitter, mr. E.B.A. Ferwerda en mr. E.J.M. Boogaard-Derix, allen rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.C. Tolkamp-Gazenbeek, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 november 2018.

Mr. E.B.A. Ferwerda is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 29 april 2018 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid geld (ongeveer 120 euro) en/of (een) autosleutel(s), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader(s) die [benadeelde partij] meermalen, althans eenmaal,

- hardhandig heeft/hebben geduwd en/of vastgehouden en/of

- met (een) vuist(en) in/tegen het gezicht en/of hoofd, althans het lichaam, heeft/hebben

geslagen en/of

- met (een) stok(ken) en/of sta(af)ven, althans een hard en/of stomp voorwerp, op/tegen het

hoofd, althans het lichaam, heeft/hebben geslagen;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2018063000, gesloten d.d. 15 augustus 2018, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 377.

2 Procesdossier pagina 29-32,

3 Procesdossier pagina 36-39,

4 Proces-verbaal ter terechtzitting van 29 oktober 2018,

5 Procesdossier pagina 235-237,

6 Procesdossier pagina 333,

7 Procesdossier pagina 263.