Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:10607

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
03/721693-15 en 03/661205-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk wegens diefstal. Verdachte heeft als mantelzorgster gedurende ruim 2 jaren in totaal bijna 150 duizend euro gestolen van een dementerende vrouw en haar zwakbegaafde zoon door gebruikmaking van hun pinpas. Overwegingen van de rechtbank t.a.v. tegenspraak/verstek, diefstal (valse sleutel) / verduistering en straf. Tevens volledige toewijzing vordering BP.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummers: 03/721693-15 en 03/661205-17 (ter terechtzitting gevoegd)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 november 2018

in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

1 Onderzoek van de zaak

Op 10 maart 2017 vond een regiezitting plaats. Verdachte is bij die gelegenheid niet verschenen. Op 6 februari 2018 vond wederom een regiezitting plaats. Verdachte was daarbij aanwezig. De zaak is vervolgens inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 oktober 2018. Tegen de verdachte is verstek verleend. De officier van justitie heeft haar standpunt kenbaar gemaakt.

De rechtbank overweegt in de eerste plaats het volgende. Ter terechtzitting van 30 oktober 2018 heeft de rechtbank verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte. Verdachte is evenwel op de terechtzitting van 6 februari 2018 wel verschenen, zodat al sprake was van een procedure op tegenspraak. Een procedure die op enig moment plaatsvindt op tegenspraak, blijft volgens vaste jurisprudentie een procedure op tegenspraak, ook al is de verdachte bij nadere terechtzitting niet meer aanwezig (HR 9 december 2003, NJ 2004/167). Aldus moet de rechtbank constateren dat zij ter terechtzitting van 30 oktober 2018 ten onrechte verstek heeft verleend. De rechtbank verklaart het verstek dan ook alsnog vervallen.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

in de zaak 03/721693-15

- in de periode van 5 juli 2013 tot en met 28 september 2015 in totaal ruim 147 duizend euro heeft gestolen door gebruikmaking van de pinpas met bijbehorende code van de twee slachtoffers, dan wel dat zij dat geldbedrag heeft verduisterd;

in de zaak 03/661205-17

150 euro heeft gestolen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de in de zaak 03/721693-15 primair ten laste gelegde gekwalificeerde diefstal. Daartoe heeft zij aangevoerd dat – kort gezegd – de stelling van de verdachte dat het weggenomen bedrag veel lager is, onvoldoende is onderbouwd, terwijl de berekening van de politie juist wel is gespecificeerd. Voorts heeft zij aangevoerd dat sprake is van diefstal, en geen verduistering, omdat de pinpas met bijbehorende code gebruikt is op een manier waarvoor die niet bedoeld waren, waardoor ze valse sleutels zijn geworden.

Voorts heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van de in de zaak 03/661205-17 ten laste gelegde diefstal gelet op onder meer de bekennende verklaring van de verdachte.

3.2

Het standpunt van de verdachte

De verdachte heeft bij de politie een grotendeels bekennende verklaring afgelegd voor wat betreft het zonder toestemming van de slachtoffers pinnen en betalen met hun pinpas (zaak 03/721693-15). Nadien heeft zij bij de reclassering en in een handgeschreven brief aan de rechtbank de hoogte van het bedrag betwist.

Voorts heeft de verdachte een bekennende verklaring afgelegd voor wat betreft de diefstal van 150 euro (zaak 03/661205-17).

3.3

Het oordeel van de rechtbank

In de zaak 03/661205-17: 1

Evenals de officier van justitie acht de rechtbank de diefstal van 150 euro wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie;2

- de aangifte van [benadeelde 1] .3

In de zaak 03/721693-15: 4

Op 16 september 2015 melde getuige [getuige 1] zich met haar man bij de politie in Echt. Zij vertelde - zakelijk weergegeven – onder meer dat:

  • -

    hun zoon [zoon getuige 1] een relatie had met [naam verdachte] ;

  • -

    [zoon getuige 1] had verteld dat [naam verdachte] boodschappen deed voor de familie [slachtoffer] van de [adres] in Maasbracht en dat [naam verdachte] dan vaak vlees mee naar huis nam;

  • -

    [naam verdachte] de bankpas van [slachtoffer] had;

  • -

    [zoon getuige 1] had verteld dat [naam verdachte] via de Rabofoon geld overmaakte van de spaarrekening naar de lopende rekening van [slachtoffer] en dat het geld vervolgens van die rekening werd gepind.

[getuige 1] verzocht om mogelijke diefstallen van geld van de familie [slachtoffer] te stoppen.5

Met deze melding ving een onderzoek van de politie aan, waarbij onder meer diverse getuigen werden gehoord.

Zo verklaarde getuige [getuige 2] – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik help mevrouw [slachtoffer] al tientallen jaren met het geld halen en zo. Als ze geld nodig had, ging ik bij haar het bankpasje halen en ging ik elke twee weken 500 euro voor haar halen. Van die 500 euro werden de boodschappen gedaan en sigaretten gehaald. Ik heb tot 13 januari 2012 de mantelzorg voor mevrouw [slachtoffer] op me genomen. Ik ben toen noodgedwongen moeten stoppen met de mantelzorg. [naam verdachte] werkte toen ook al daar als stage via het UWV met de poetshulp [getuige 3] .6

Verder verklaarde getuige [getuige 3] – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik werk sinds 2010 als thuishulp bij de familie [slachtoffer] aan de [adres] te Maasbracht. De familie [slachtoffer] bestaat uit mevrouw [slachtoffer] en haar zoon [benadeelde 5] . Ik heb daar tot eind september 2015 gewerkt. Toen waren de politie, de bewindvoerder en iemand van de gemeente daar. (…). Op enig moment, volgens mij in 2012, vroeg mijn teamleidster mij om iemand mee te nemen die bij Gilde Opleidingen een opleiding Zorg en Welzijn aan het volgen was. Het ging om [naam verdachte] . Ik moest [naam verdachte] coachen als thuishulp. [naam verdachte] hield zich niet aan de afspraken. Het is namelijk niet de bedoeling om in privétijd bij cliënten thuis te komen. Ik heb wel eens gehoord dat ze na het werk weer naar de familie [slachtoffer] ging. (…) [naam verdachte] was ook op de hoogte van het feit dat mevrouw [slachtoffer] ernstig dementerend was en dat haar zoon [benadeelde 5] zwakbegaafd was. De opleiding van [naam verdachte] duurde volgens mij tot midden 2013. Ik heb mijn teamleidster geadviseerd om [naam verdachte] niet aan te nemen. Na haar opleiding zou ze zelfstandig als thuishulp mogen werken. Dat heeft ze echter nooit gedaan. Ik heb haar zelf nog een enkele keer bij de familie [slachtoffer] gezien. Ik weet wel dat ze vaak bij de familie [slachtoffer] kwam. Ik hoorde [benadeelde 5] regelmatig zeggen dat [naam verdachte] op bezoek was geweest en dat zij de boodschappen en zo deed. Ik hoorde dat [benadeelde 5] zei dat [naam verdachte] dagelijks op bezoek kwam. Toen ik [naam verdachte] een van de weinige keren nog heb gesproken zei [naam verdachte] ook dat zij nu de boodschappen deed, omdat zij nu tenslotte mantelzorger was. Ik hoorde van mijn huidige teamleidster dat zij [naam verdachte] gevraagd had om als mantelzorger te gaan optreden. Dat moet ook ergens in 2013 zijn geweest. Wij mochten ook geen boodschappen meer doen van [naam verdachte] . [naam verdachte] was ook de enige die, in de periode van midden 2013 tot en met september 2015, gebruik heeft kunnen maken van de bankpas met pincode van de familie [slachtoffer] .7

Het slachtoffer [benadeelde 5] vertelde in een gesprek met verbalisant [naam verbalisant 1] – desgevraagd wie allemaal het bankpasje had gehad – dat [naam verdachte] de enige was die het pasje gebruikte.8

Als slachtoffers zijn aangemerkt: [benadeelde 3] (weduwe van [slachtoffer] ) en [benadeelde 4] , beiden wonende aan de [adres] te Maasbracht.9

De politie deed vervolgens onderzoek bij de Rabobank. Het proces-verbaal van de verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] hieromtrent vermeldt – zakelijk weergegeven – het volgende:10

(pg. 276) Uit de informatie van de wijkagente was duidelijk geworden dat de slachtoffers [benadeelde 3] en haar zoon [benadeelde 4] houders waren van bankrekeningen bij de Rabobank.

(pg. 277) Op vordering van de politie verstrekte de Rabobank de historische gegevens van de volgende rekeningnummers:

  • -

    [rekeningnummer 1] t.n.v. [benadeelde 3] en [echtgenoot van benadeelde 2] ;

  • -

    [rekeningnummer 2] t.n.v. [benadeelde 4] ;

  • -

    [rekeningnummer 3] t.n.v. [benadeelde 3] en [benadeelde 4] (lopende rekening).

(pg. 277) Blijkens informatie van de Rabobank werden er via de Rabofoon gelden van beide spaarrekeningen overgemaakt naar de gezamenlijke lopende rekening van de slachtoffers tot een totaalbedrag van 110.380 euro. Bij onderzoek van de bankafschriften zagen wij dat in de periode van 13 november 2013 tot en met 15 juni 2015 naar de gezamenlijke rekening overgeboekt werden:

  • -

    een totaalbedrag van 12.875 euro van rekening [rekeningnummer 1] ( [slachtoffer] );

  • -

    een totaalbedrag van 97.505 euro van rekening [rekeningnummer 2] ( [slachtoffer] ).11

(pg. 277) Vervolgens werden er met de betaalpassen die aan de lopende rekening waren gekoppeld, via een betaalautomaat, betalingen verricht. Het totaalbedrag aan opnamen bij geldautomaten bedroeg 133.770 euro. Het totaal aan betalingen in winkels bedroeg 55.441,79 euro.

(pg. 278) De referentieperiode voor de normaal te achten kosten van levensonderhoud voor [benadeelde 3] en [benadeelde 4] , werd aan de hand van de bankschriften vastgesteld op 7 november 2012 tot en met 30 juni 2013. Er was onder meer te zien dat er gedurende deze periode van bijna 8 maanden zo om de 2 weken bij een geldautomaat een bedrag van 500 euro werd opgenomen. Per 4 weken betrof het 1.000 euro van waaruit de kosten van levensonderhoud werden voldaan. De eerste geldopname vond daarbij plaats op 12 november 2012. (…) De totale kosten van levensonderhoud van [benadeelde 3] en [benadeelde 4] werden gedurende deze periode (de rechtbank begrijpt: van 12 november 2012 tot en met 19 november 2015) vastgesteld op 41.618,33 euro.

(pg. 278) De eerste afwijkende en verdachte transactie vond vermoedelijk plaats op 5 juli 2013 om 17.01 en 17.02 uur en betroffen geldopnamen van respectievelijk 150 euro en 500 euro bij een geldautomaat in Maasbracht.

Verdachte 12 verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik denk dat het 2 jaar geleden is dat ik voor het eerst geld heb gepind van [slachtoffer] . Daarvoor had ik geen toestemming van [slachtoffer] en ook niet van [benadeelde 5] . Zo is het begonnen. van het een kwam het ander. Het ging zo makkelijk.

De eerste keer heb ik geld gepind voor [slachtoffer] en heb ik zelfs wat meer gepind. Ik heb [slachtoffer] het bedrag gegeven dat afgesproken was en de rest hield ik zelf. Het ging zo makkelijk. Ik hield 150 euro achter. Daar begon het mee. Ik stond voor de pinautomaat en dacht zou ik het doen of niet en toen heb ik het gedaan, omdat ik niks had en het wel gemakkelijk ging. Er zou toch niemand achter komen. Het zou niet opvallen!

Ik heb dit vaak gedaan. Ik deed dit iedere week. Soms 150 euro, maar vaak ook meer. Ik heb wel eens 1.250 euro gepind en dit geld achter gehouden. Dit heeft een hele tijd geduurd. Meer dan 1.250 euro ging niet. Dit was het maximum bedrag dat ik kon pinnen. Als de limiet hoger was geweest, had ik misschien wel meer geld gepind.

Ik heb ook wel eens gepind zonder dat [slachtoffer] mij hierom vroeg. Ik ging dan gewoon naar de winkel van de Plus, deed boodschappen, en pinde daarna geld voor mezelf. Het pasje kon ik gewoon vanaf de kast pakken. Ik ben op een gegeven moment boodschappen gaan halen niet alleen voor [slachtoffer] en [benadeelde 5] , maar ook voor mezelf. Dat waren dan gewone boodschappen zoals koffie, vlees en sigaretten.

Ik heb niet alleen contant geld bij de geldautomaat gepind, maar ook bij de Plus in Maasbracht bijgepind. Dat deed ik dan na het boodschappen doen. Ik kon dan gewoon tegen de kassière zeggen dat ik contant geld wilde bijpinnen. Ik kon maximaal 150 euro bijpinnen. Ik deed boodschappen en pinde dan bij tot 150 euro.

Er waren zelfs dagen bij dat ik meerdere keren boodschappen deed bij de Plus. Soms wel acht keer per dag. Dat ging dan om een bedrag rond de 1.000 euro. Waarvan een deel boodschappen zoals sigaretten en een deel bijpinnen. Het klopt dat ik boodschappen bij de Plus deed, deze afrekende bij de normale kassa en vervolgens geld bijpinde. Daarna liep ik naar de servicebalie om sigaretten te kopen en pinde daar ook nog geld bij. Ook weer 150 euro.

Ik denk dat ik al 2 jaar bezig ben geweest om geld op deze manier contant bij de pinnen.

Als u mij zegt dat dit in de periode juli 2013 tot en met september 2015 is geweest, dan kan dat kloppen.

U vraagt mij wat ik nog meer heb gekocht. Een tv voor mijn zoon [zoon van verdachte] , een tv voor mezelf, een bank, hobbyspullen, een bbq voor mijn zoon [zoon van verdachte] , een tuinrenovatie van 5.000 euro voor mij zoon, een iPad voor beide kinderen van [zoon van verdachte] , eten bij Center Parcs, twee scooters. Ja, ook heb ik contant geld aan mijn kinderen gegeven. Ik denk dat ik aan [E.] 50 euro per week gaf alleen al voor sigaretten. Verder iedere week een bedrag van ongeveer 50 euro voor leefkosten. [J.] heeft ook geld gekregen van mij, in ieder geval meer dan 1.000 euro. Ik denk ongeveer 10.000 tot 15.000 euro. [zoon van verdachte] heeft contant ongeveer 7.500 euro van mij gekregen.

Het zij opgemerkt dat ik dit geld zonder toestemming heb weggenomen van hun bankrekening. De rest van het geld heb ik zelf gebruikt.

Als de lopende rekening “leeg” was, maakt ik via de Rabofoon geld over van de spaarrekening van [slachtoffer] en [benadeelde 5] naar de lopende rekening.

U houdt mij voor dat:

  • -

    u de bankafschriften van de familie [slachtoffer] over de periode van 2 november 2012 tot en met 10 november 2015 heeft bestudeerd;

  • -

    daaruit zou zijn gebleken dat nadat ik de mantelzorg op mij heb genomen de uitgaven excessief zijn gestegen;

  • -

    dat er in de periode van 7 november 2012 tot en met 19 november 2015 in totaal 55.441,79 euro aan pinbetalingen hebben plaatsgevonden;

  • -

    dat in die periode 133.770 euro contant geld is opgenomen bij geldautomaten.

Zoals jullie het mij uitleggen zou het zomaar kunnen kloppen. Zeker als ik bedenk dat ik vaak 1.000 euro of meer bij de geldautomaat pinde.

Overwegingen van de rechtbank

Op grond van de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak 03/721693-15 laste gelegde heeft begaan.

In het bijzonder overweegt de rechtbank nog als volgt.

Diefstal of verduistering?

Verdachte had als mantelzorgster de beschikking over de pinpas van de slachtoffers met de bijbehorende pincode. Deze had zij om ongeveer tweewekelijks 500 euro te pinnen ten behoeve van de boodschappen. Dat zij toestemming had om de pinpas en –code te gebruiken voor de boodschappen, betekent niet dat zij deze ook voor andere doeleinden mocht gebruikten. Verdachte heeft die pinpas echter, zonder toestemming, ook gebruikt om veel meer en grote bedragen te pinnen alsmede betalingen te verrichten ten behoeve van haarzelf. Door dergelijk onrechtmatig gebruik van die pinpas en –code verworden die naar het oordeel van de rechtbank tot een valse sleutel die verdachte de toegang gaven tot het geld dat zij vervolgens telkens wegnam. Anders dan bij verduistering had zij de geldbedragen, anders dan ten behoeve van de boodschappen, niet rechtmatig onder zich. Aldus is de rechtbank van oordeel dat sprake is van gekwalificeerde diefstal zoals primair ten laste gelegd.

De hoogte van het weggenomen geldbedrag

Verdachte heeft bij de politie een grotendeels bekennende verklaring afgelegd, inhoudende dat zij gedurende de ten laste gelegde periode meermalen zonder toestemming van de slachtoffers contante geldopnames heeft gedaan en pinbetalingen heeft verricht – mogelijk tot een bedrag zoals ten laste is gelegd – ten behoeve van haarzelf dan wel uiteindelijk haar kinderen. Alleen een diepvries en een magnetron zou zij met toestemming voor zichzelf hebben gekocht (pg. 107).

Nadien heeft de verdachte te kennen gegeven dat het weggenomen bedrag onjuist dan wel te hoog zou zijn. Zo heeft zij bij de reclassering eerst aangegeven dat zij alleen circa 20.000 euro heeft gekregen van het slachtoffer [slachtoffer] en later dat zij weliswaar geld heeft weggenomen, maar dat zulks niet meer bedroeg dan 40.000 euro. In een brief aan de rechtbank heeft zij gesteld dat het bedrag te hoog zou zijn.

Voor wat betreft het laatste overweegt de rechtbank als volgt. In het dossier bevindt zich een uitgebreide analyse en berekening van het geldbedrag dat onrechtmatig zou zijn opgenomen en betaald door de verdachte. Verdachte heeft een zeer uitgebreide en gedetailleerde, grotendeels bekennende, verklaring afgelegd die strookt met die analyse. Haar latere stellingen dat haar circa 20.000 euro “geschonken” zou zijn dan wel dat zij maximaal 40.000 euro dan wel een ander lager bedrag dan het ten laste gelegde heeft weggenomen, worden door haar niet onderbouwd. Bovendien vinden die stellingen op geen enkele wijze steun in het dossier. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het later ingenomen standpunt van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde geschoven dient te worden en dat haar eerder afgelegde bekennende verklaring wel geloofwaardig is.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de analyse zoals weergegeven in het dossier juist is. Wel merkt zij daarbij nog het volgende op. Verdachte heeft reeds bij de politie verklaard dat zij wel een diepvries en een magnetron met toestemming van slachtoffer [slachtoffer] zou hebben gekocht voor haarzelf. De (on)juistheid van deze stelling kan thans niet worden geverifieerd, maar de rechtbank zal in het voordeel van de verdachte van die stelling uitgaan. Dit betrof een totaalbedrag van 387,99 euro (zie pg. 550). Anderzijds constateert de rechtbank ook dat de politie bij de berekening van het totale weggenomen bedrag rekening heeft gehouden met de reguliere kosten voor levensonderhoud van 500 euro per 2 weken, óók over een periode die ligt vóór de ten laste gelegde periode. Dat betreft namelijk de periode van 12 november 2012 tot en met 4 juli 2013, zijnde ruim 33 weken en derhalve 16 periodes van 2 weken. De politie heeft aldus feitelijk onjuist, in het voordeel van verdachte, (16 x 500 =) 8.000 euro in mindering gebracht op het totale weggenomen bedrag. Evenzo heeft zij een bedrag van 450 euro, bestaande uit 3 transacties van 150 euro (zie pg. 332, 335 en 338 van de bankafschriften), in mindering gebracht op het totale weggenomen bedrag als zijnde bedragen die met toestemming van de bewindvoerder zijn opgenomen. Deze transacties vonden na de ten laste gelegde periode plaats. Aldus is een bedrag van 8.450 euro onnodig op het weggenomen geldbedrag in minder gebracht en dat compenseert ruimschoots het bedrag van 387,99 euro dat verdachte met toestemming van de slachtoffers gebruikt zou hebben voor de aanschaf van een diepvries en een magnetron.

De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte, in elk geval minimaal, een bedrag van in totaal 147.593,46 euro heeft weggenomen zoals haar ook ten laste is gelegd.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:

parketnummer 03/721693-15 primair:

meermalen in het tijdvak van 5 juli 2013 tot en met 28 september 2015 in Limburg met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, te weten totaal ongeveer 42.802,48 euro en 104.790,98 euro, toebehorende aan [slachtoffer] en/of [benadeelde 5] , waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een pinpas en de daarbij behorende pincode;

parketnummer 03/661205-17:

op 29 mei 2017 te Maasbracht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 150,00 euro, toebehorende aan [benadeelde 1] .

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

parketnummer 03/721693-15 primair:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te noemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

parketnummer 03/661205-17:

diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

6.2

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft in totaal bijna 150 duizend euro gestolen van een dementerende destijds 90‑jarige vrouw en haar destijds 65-jarige zwakbegaafde zoon.

Als mantelzorgster deed verdachte onder meer de boodschappen voor deze kwetsbare slachtoffers en had zij de beschikking over de pinpas van de slachtoffers. Die pinpas heeft zij echter gebruikt om zonder toestemming gedurende ruim 2 jaren grote hoeveelheden geld van de bankrekening van de slachtoffers weg te nemen. Dat geld heeft zij vervolgens gebruikt voor haar eigen levensonderhoud, voor de aanschaf van diverse luxegoederen zoals elektronica en voor haar kinderen. Die kinderen kregen van verdachte regelmatig geld en goederen en verdachte betaalde wel eens andere uitgaven voor hen.

De rechtbank constateert ook nog eens dat geen sprake is van een enkele “gelegenheid die de dief creëert.” Verdachte verklaarde weliswaar dat van het een het ander kwam en het allemaal zo makkelijk ging, maar daarvoor bleek wel meer nodig dan alleen het bezit van de pinpas en –code. Zo wist verdachte anderen die betrokken waren bij de zorg voor de slachtoffers buiten te sluiten. Zo mochten anderen van verdachte bijvoorbeeld geen boodschappen meer doen voor de slachtoffers en was verdachte de enige die de beschikking had over de pinpas en –code. Ook zorgde verdachte er nog eens voor dat lopende rekening telkens bijgevuld werd. Verdachte heeft immers eigenhandig de zogenaamde Rabofoon-codes bemachtigd en zij gebruikte die om regelmatig het saldo van de lopende rekening aan te vullen met geld van de spaarrekeningen. Dit toont naar het oordeel van de rechtbank aan dat verdachte niet alleen misbruik heeft gemaakt van de gelegenheid, maar dat zij die gelegenheid ook nog eens zelf in stand hield door anderen op afstand te houden en ook de spaarrekening middels de Rabofoon te plunderen.

Uiteindelijk heeft verdachte bijna het hele vermogen van de kwetsbare slachtoffers opgemaakt. Hiermee heeft verdachte haar positie als mantelzorgster ernstig misbruikt voor haar eigen financiële gewin. Bovendien heeft ze daarmee het in haar gestelde vertrouwen op een verschrikkelijk brutale wijze geschonden.

De rechtbank zal voor de straftoemeting aansluiting zoeken bij de landelijke oriëntatiepunten voor fraude. Op grond van deze oriëntatiepunten is het uitgangspunt bij een benadelingsbedrag van 125 tot 250 duizend euro een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 tot 12 maanden. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige feiten, gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden, ernstiger zijn dan de meeste (andere) fraudedelicten. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met de eis van de officier van justitie, te weten een taakstraf, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Integendeel, de ernst van de feiten en omstandigheden waaronder die zijn gepleegd rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden.

Wel is de rechtbank van oordeel dat de straf verdachte er ook van moet weerhouden om in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Verdachte is blijkens haar strafblad d.d. 9 oktober 2018 – uitgezonderd een veroordeling wegens uitkeringsfraude in 1997 – niet eerder veroordeeld wegens soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad op zichzelf werkt dan ook niet strafverzwarend, maar zeker ook niet verminderend.

Uit het dossier blijkt dat verdachte ten tijde van onderhavige feiten een schuldsaneringstraject doorliep als gevolg van schulden tot een bedrag van ruim 250 duizend euro. Dat traject is door onderhavige zaak voortijdig beëindigd, waardoor die schulden nog altijd bestaan, alhoewel verdachte er naar eigen zeggen niets meer van hoort. Het reclasseringsadvies d.d. 9 oktober 2018 vermeldt voorts – kort gezegd – dat haar kinderen het contact hebben verbroken wegens deze zaak, dat ze zich eenzaam en alleen voelt, dat zij een bijstandsuitkering ontvangt en geen financiële middelen heeft. De reclassering adviseert onder meer tot een meldplicht.

Teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen maatschappelijke hulp te ontvangen en daarmee haar plek in de samenleving te verbeteren, maar ook om haar daarmee te weerhouden van nieuwe strafbare feiten, zal de rechtbank 4 maanden van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. De rechtbank constateert dat de (financiële) omstandigheden waaronder verdachte leeft, ook nog altijd een risico met zich brengen op eventuele nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank zal de verdachte aldus veroordelen tot een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met als (bijzondere) voorwaarden reclasseringstoezicht bestaande uit een meldplicht.

Tot slot heeft de rechtbank geconstateerd dat de redelijke termijn voor strafzaken in eerste aanleg geschonden is. Verdachte werd immers aangehouden op 2 maart 2016, terwijl heden ruim tweeënhalf jaar later vonnis wordt gewezen. Derhalve is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim 8 maanden. Echter, de onderhavige zaak stond voor het eerst op 10 maart 2017 op zitting gepland, voor welke zitting de dagvaarding aan verdachte in persoon werd uitgereikt en waarbij verdachte niet verscheen. Later, ter zitting van 6 februari 2018, gaf verdachte te kennen alsnog rechtsbijstand in te willen schakelen, waarvan zij nadien toch besloot af te zien. De rechtbank constateert dan ook dat de overschrijding van de redelijke termijn mede aan verdachte te wijten is, waardoor zij zal volstaan met de enkele constatering van de overschrijding.

7 De benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

7.1

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [benadeelde 4] , tevens erfgenaam van [benadeelde 3] , vordert een schadevergoeding van 147.593,46 euro (plus wettelijke rente) wegens de diefstal in de zaak 03/721693-15.

7.2

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van 150 euro (plus wettelijke rente) wegens de diefstal in de zaak 03/661205-17.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Evenals de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat beide vorderingen integraal toewijsbaar zijn. Daartoe overweegt zij als volgt.

Aan de benadeelde partij [slachtoffer] is rechtstreeks schade toegebracht door het in de zaak 03/721693-15 bewezenverklaarde feit.

Aan de benadeelde [benadeelde 1] is rechtstreeks schade toegebracht door het in de zaak 03/661205-17 bewezenverklaarde feit.

De door de benadeelde partijen gevorderde bedragen komen overeen met de door de verdachte weggenomen en ook bewezenverklaarde bedragen. Niet is gebleken van enige terugbetaling tot op heden. Aldus stelt de rechtbank de hoogte van de schadevergoedingen naar redelijkheid en billijkheid vast op de gevorderde bedragen. Gelet hierop zal de rechtbank de gevorderde bedragen toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Voorts zal de rechtbank tweemaal de schadevergoedingsmaatregel opleggen voor dezelfde bedragen, opdat de inning van het verschuldigde bedrag de benadeelde partijen uit handen wordt genomen door de Staat. Het opleggen van deze maatregel is mogelijk, nu de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deze schade die door de strafbare feiten is toegebracht.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarde, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

a. dat zij zich meldt bij de Reclassering Nederland op het telefoonnummer [telefoonnummer] en dat zij zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partij [slachtoffer] en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] ten aanzien van het feit in de zaak 03/721693-15 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen 147.593,46 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 28 september 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 4] , bij niet betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 28 september 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

Benadeelde partij [benadeelde 1] en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] ten aanzien van het feit in de zaak 03/661205-17 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen 150,00 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 29 mei 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , bij niet betaling en verhaal te vervangen door 3 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 29 mei 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans, voorzitter, mr. R.A.M.M. Gijselaers en

mr. W.A.M. de Loo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.A.G. Corten en

mr. A.F. Stuurman, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 november 2018.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 03/721693-15

zij een of meermalen in of omstreeks het tijdvak van 5 juli 2013 tot en met 28 september 2015 te Maasbracht, gemeente Maasgouw, in elk geval in het arrondissement Roermond en/of Limburg (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, te weten (totaal) ongeveer 42.802,48 euro en/of 104.790,98 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [benadeelde 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een pinpas en de daarbij behorende pincode;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij een of meermalen in of omstreeks het tijdvak van 5 juli 2013 tot en met 28 september 2015 te Maasbracht, gemeente Maasgouw, althans in het arrondissement Roermond en/of Limburg, (telkens) opzettelijk een hoeveelheid geld, te weten (totaal) ongeveer 42.802,48 euro en/of 104.790,98 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [benadeelde 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als beheerder van die bankpasje(s), onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Parketnummer 03/661205-17

zij op of omstreeks 29 mei 2017 te Maasbracht, gemeente Maasgouw, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen EURO 150,-, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, district Noord- en Midden-Limburg, basisteam Echt, registratienummer PL2300-2017086648, gesloten d.d. 1 juli 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 19.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 juli 2017, pg. 16-19.

3 Proces-verbaal van aangifte d.d. 30 mei 2017, pg. 5-7.

4 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, districtsrecherche Noord- en Midden-Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2015182177, onderzoek LB1R015105 ORLEANS, gesloten d.d. 4 april 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 714.

5 Proces-verbaal relaas d.d. 4 april 2017, pg. 6.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 15 december 2015, pg. 223-227.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 12 februari 2016, pg. 240-245.

8 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari 2016, pg. 43-44.

9 Proces-verbaal van relaas d.d. 4 april 2017, pg. 3.

10 Proces-verbaal bevindingen deeldossier Rabobank d.d. 28 april 2016, pg. 276-283.

11 De rechtbank heeft geconstateerd dat het proces-verbaal een bedrag van 95.705 euro vermeldt. Uit het mutatieoverzicht van de betreffende rekening, weergegeven op pg. 325-328 van het dossier, blijkt echter dat dit behoort te zijn 97.505 euro. De rechtbank vat dit op als een kennelijk verschrijving en heeft deze in de weergave van het bewijs verbeterd weergegeven.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 maart 2016, pg. 104-112.