Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:10562

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-11-2018
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4189
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Herzieningsverzoek Wajong (2004), beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 16/4189

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 november 2018 in de zaak tussen

[Naam], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. K.U.J. Hopman),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen), verweerder

(gemachtigde: A.M.C. Crombach).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat niet wordt teruggekomen op het besluit van 16 augustus 2004, waarbij is vastgesteld dat eisers uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) per 1 april 1999 is beëindigd.

Bij besluit van 22 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten. Eiser is geboren op 1 december 1969. Op 1 december 1987 is hij 18 jaar geworden. Eiser heeft toentertijd een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) aangevraagd.

Bij besluit van 11 maart 1988 is eiser vanaf 1 december 1987 in aanmerking gebracht voor een AAW-uitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80-100%.

1.1.

Met een besluit van 27 juni 1995 heeft verweerder eiser meegedeeld dat op grond van gewijzigde regelgeving zijn uitkering voor een periode van vijf jaar wordt voortgezet, te weten van 1 april 1994 tot 1 april 1999. Bij brief van 5 februari 1999 heeft verweerder eiser verzocht een nieuwe aanvraag voor een periode van vijf jaar in te dienen. Op dit schrijven is niet gereageerd.

1.2.

Op 26 juni 2004 heeft eiser een aanvraag Wajong-uitkering ingediend. Na een daartoe ingesteld medisch en arbeidskundig onderzoek heeft verweerder bij besluit van

16 augustus 2004 vastgesteld dat eisers arbeidsongeschiktheidspercentage per 1 april 1999 minder dan 25% bedraagt omdat eiser op die datum in staat is inkomsten uit arbeid duurzaam te verwerven. Tegen dat besluit is geen bezwaar gemaakt zodat dit besluit in rechte vast staat.

1.3.

Bij brief van 31 maart 2016 verzoekt eiser om voortzetting van zijn Wajong-uitkering. Verweerder heeft dit verzoek opgevat als een verzoek om heropening van eisers Wajong-uitkering per 1 april 1999. Op 3 mei 2016 heeft eiser een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend.

2. Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen. Verweerder heeft de aanvraag van eiser d.d. 31 maart 2016, onder verwijzing naar het besluit van 16 augustus 2004, afgewezen omdat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden (nova). Er is geen reden om tot een ander oordeel te komen dan bij de eerdere beoordeling. Door eiser is bezwaar gemaakt. Daarbij is medische informatie overgelegd van de huisarts (elektronisch dossier / patiëntenkaart). Eisers nieuwe gemachtigde heeft aanvullende bezwaargronden ingediend en onder meer te kennen gegeven dat aanvraag (ook) is bedoeld als een aanvraag per een toekomende datum.

3. Het bezwaar is met het thans bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich onder verwijzing naar het advies van verzekeringsarts bezwaar en beroep Corten van 18 november 2016 op het standpunt dat geen sprake is van nova om terug te komen van het eerdere besluit van 16 augustus 2004. Tevens wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een toename van arbeidsongeschiktheid. Tot slot is beoordeeld of er sprake is van een geslaagd beroep op de zogeheten duuraanspraak jurisprudentie en geconcludeerd wordt dat ook dit niet het geval is.

4. Eiser is het met dit besluit niet eens. Eiser is van mening dat het besluit waarbij zijn Wajong-uitkering destijds is ingetrokken per 1 april 1999 evident onjuist is. Verder is eiser van mening dat verweerder bij twijfel een deskundige had moeten inschakelen en verwijst eiser hiervoor naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van

8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212 (Korošec). Ook is eiser van mening dat verweerder in het besluit van 16 augustus 2004 een tweede intrekkingsgrond heeft geschoven door te concluderen dat het arbeidsongeschiktheidspercentage per 1 april 1999 was afgenomen naar minder dan 25% omdat eiser op en na die datum in staat was inkomsten uit arbeid duurzaam te verwerven. Aanvankelijk was de uitkering ingetrokken omdat eiser niet tijdig om voortzetting van die uitkering heeft gevraagd. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat het onderzoek destijds niet is verricht door een verzekeringsarts maar door een arts hetgeen een gebrek in de besluitvorming van 16 augustus 2004 oplevert. Verder is opgevallen dat ook naar aanleiding van de nieuwe aanvraag er geen verzekeringsarts naar de zaak heeft gekeken en dat de functie van A.C.A. van Ierland ontbreekt. Ook heeft eiser twijfels of in casu wel toegekomen kan worden aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat nimmer een intrekkingsbeschikking uitgereikt lijkt te zijn, eiser verwijst in dit verband naar gedingstuk 5, de brief van 5 februari 1999, waarvan eiser zich de ontvangst niet kan herinneren. Eiser stelt dat zijn aanvraag van 26 juni 2004 gezien dient te worden als een aanvraag voortzetting van zijn uitkering gedurende een volgende periode van vijf jaar. Hierop is door verweerder naar de mening van eiser met het besluit van 16 augustus 2004 niet adequaat gereageerd.

5. Tussen partijen is in geschil of de weigering van verweerder om terug te komen van zijn besluit van 16 augustus 2004 in rechte kan standhouden. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

6. Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. Voor een geval als dit, waarin het bestuursorgaan -overeenkomstige- toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, vloeit uit deze uitspraak voort dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid toetst of het bestuursorgaan zich terecht en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel is gekomen dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtszoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.

7. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich in het primaire besluit op het standpunt heeft gesteld dat in het schrijven van eiser d.d. 31 maart 2016 en 3 mei 2016 alsmede in het medisch onderzoeksverslag van 29 juni 2016 van F. van Gils (onder supervisie van A. van Ierland) géén nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren zijn gekomen. Verweerder blijft bij het besluit van 16 augustus 2004.

9. Naar aanleiding van eisers bezwaar en de door hem ingebrachte medische informatie uit de behandelend sector vanaf 2004 tot en met 2010 heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep Corten in haar rapportage van 18 november 2016 en gelet op de vraagstelling, inhoudelijk getoetst. Zij heeft zich voor de vraag gesteld of de aan eiser op

16 augustus 2004 toegekende beperkingen correct zijn weergegeven. En indien sprake is van méér beperkingen of deze dan ook reeds aanwezig waren op eisers 17e / 18e jarige leeftijd.

10. Eisers argument dat onderzoek is verricht door niet geregistreerde verzekeringsartsen, te weten D.H. Balakumaran (rapportage 27 juli 2004), en F. van Gils, onder supervisie van A. van Ierland, (rapportage 29 juni 2016), wordt door de rechtbank in het midden gelaten of dit een gebrek is, nu A. van Ierland (Big nummer: 79021748301) en ook K. Corten (Big nummer: 39020508201) geregistreerd (bezwaar)verzekeringsartsen zijn.

11. Eisers argument of in casu wel toegekomen kan worden aan artikel 4:6 van de Awb omdat er nooit een intrekkingsbeschikking uitgereikt lijkt te zijn, faalt. Eiser doelt op het schrijven van 5 februari 1999 “aanvraag voortzetting van de arbeidsongeschiktheids- uitkering”. Het was toentertijd de systematiek dat betrokkene zich opnieuw diende te melden voor voortzetting van de uitkering bij gebreke waarvan de uitkering van rechtswege eindigde. In eisers situatie was dat voortzetting van zijn uitkering vanaf 1 april 1999. Eiser heeft echter niet om voortzetting gevraagd zodat een intrekkings/beëindigingsbesluit niet aan de orde was.

12. Verzekeringsarts bezwaar en beroep Corten heeft kennis genomen van eisers dossier en heeft de ingebrachte bezwaren bestudeerd en meegewogen. Voorts heeft haar medische heroverweging plaatsgevonden op grond van reeds aanwezige gegevens en de in bezwaar ingebrachte informatie uit de behandelend sector. Over haar bevindingen heeft zij uitgebreid en inzichtelijke gerapporteerd.

Corten rapporteert onder meer dat eiser op 16 augustus 2004 beperkingen had als gevolg van een psychiatrische stoornis en dat deze beperkingen echter het gevolg was van een nieuwe ziekte oorzaak en als zodanig niet aanwezig was op het 17e / 18e levensjaar. Ook uit de ingebrachte medische informatie kan zulks niet worden geconcludeerd. Eiser heeft van

1 december 1987 tot 1 april 1999 uitkering gehad vanwege klachten als gevolg van zijn cauda-leasie, ontstaan na een operatieve ingreep in het ruggenmerg op zeer jonge leeftijd wegens een neuroblastoom. Ook vanuit deze aandoening, de cauda-leasie, kan geen medisch oorzakelijke pathofysiologische samenhang met de later ontstane psychiatrische klachten wordt vastgesteld. Ook met betrekking tot het functioneren van eiser zijn er geen gegevens bekend over forse beperkingen ten gevolge van een psychiatrische stoornis op zijn 17e / 18e levensjaar. Eiser was studerende, heeft zijn universitaire studie in augustus 1997 afgerond en is vervolgens diverse jaren (in meer dan) fulltime functies werkzaam geweest, ook internationaal. Ook over deze periode (1997 tot 2002) zijn geen gegevens of aanwijzingen dat eiser beperkingen had als gevolg van een psychiatrische stoornis, zoals nu beschreven en benoemd, zijnde een psychotische stoornis NAO, met mogelijk schizofrene ontwikkeling. Corten rapporteert dat uit de ingebrachte informatie blijkt dat eiser in juni 2002 voor het eerst in behandeling is gekomen bij een psychiater bij de Mental Health Care van de Harvard University. Er wordt een langere periode beschreven van depressieve klachten waarvoor behandeling in Amerika middels gesprekken en medicatie. Uit de aanvullende ingebrachte informatie blijkt dat eiser in de hierop volgende jaren een toename van zijn psychische klachten heeft gekregen, waarbij er sprake is van een psychotische stoornis met mogelijk schizofrene ontwikkeling en dat de psychische klachten mogelijk zijn ontstaan in eisers werkzame leven (deels in het buitenland), echter periodes van arbeidsongeschiktheid / uitkering zijn niet bekend.

Verzekeringsarts bezwaar en beroep Corten concludeert dat eiser op zijn 17e / 18e levensjaar (1 december 1987) onveranderd geen beperkingen had als gevolg van een psychische / psychiatrische stoornis en ook niet binnen een periode van vijf jaar na deze datum. Voorts dat ook op of rond de datum van beëindiging van zijn studie (27+) geen beperkingen kunnen worden vastgesteld als gevolg van mogelijke psychische klachten/psychische stoornis. Het eerder ingenomen standpunt dat eiser onveranderd per 1 april 1999 niet in aanmerking kan komen voor een Wajong-uitkering wijzigt niet.

13. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport blijk heeft gegeven van een zorgvuldig verricht onderzoek. De rechtbank is voorts van oordeel dat de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende duidelijk en inzichtelijk is en dat er geen aanleiding is om haar oordeel voor onjuist te houden. Eiser heeft geen gegevens ingebracht waaruit blijkt dat de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist is.

14. Voor zover eiseres meent een aanspraak voor de toekomst te hebben (een zogenaamde duuraanspraak), faalt deze beroepsgrond, aangezien de gezondheidssituatie van eiser destijds (1 april 1999) voldoende zorgvuldig is onderzocht en niet gebleken is dat deze onjuist is ingeschat.

15. De rechtbank is verder van oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat het besluit van verweerder om niet terug te komen op de eerdere afwijzende besluitvorming evident onredelijk is, bezien in samenhang met het feit dat destijds de afwijzing lag op het arbeidskundig vlak.

16. Met verwijzing naar het Korošec arrest ziet de rechtbank geen aanleiding een onafhankelijke medisch deskundige te benoemen. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser voldoende de mogelijkheid heeft gekregen om alles wat hij wilde, waaronder -maar niet uitsluitend- medische gegevens, naar voren te brengen om het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te betwisten. Eiser heeft in bezwaar medische stukken overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door eiser overgelegde informatie meegewogen. De omstandigheid dat eiser het niet eens is met de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, is onvoldoende voor de rechtbank om een onafhankelijke medisch deskundige te benoemen. Het verzoek wijst de rechtbank dan ook af.

17. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Teeuwissen, rechter, in aanwezigheid van E.S.J.M. Naebers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 16 november 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.