Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:10322

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-10-2018
Datum publicatie
31-10-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2489
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan verzoekster een omgevingsvergunning voor het realiseren van een tijdelijke zonneweide geweigerd omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de in het bestemmingsplan neergelegde afwijkingsbevoegdheid voor grootschalige zonne-energiesystemen. In de visie van verweerder vormt de zonneweide door haar stedelijke dan wel industriële verschijningsvorm een enorme aantasting en onderbreking van de natuur- en landschapswaarden in het plangebied en het omliggende gebied. Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Indien zij voor 8 november 2018 niet in het bezit is gesteld van een omgevingsvergunning zal zij een subsidie mislopen en heeft dit tot gevolg dat zij de zonneweide niet zal kunnen realiseren. Het spoedeisend belang bij het verzoek is daarmee genoegzaam aangetoond. Verzoekster heeft bestreden dat zij niet voldoet aan de afwijkingsbevoegdheid en hiertoe een beroep gedaan op een door een deskundig bureau opgemaakt landschappelijk inpassingsplan waarin wordt geconcludeerd dat de voorgenomen zonneweide door het nemen van diverse maatregelen landschappelijk en ecologisch inpasbaar is. De commissie ruimtelijke kwaliteit heeft de landschappelijke- en natuuraspecten en de ecologische verbindingen betrokken en verweerder geadviseerd de omgevingsvergunning te verlenen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan verweerder zich onder die omstandigheden niet zonder (nadere) onderbouwing op het standpunt stellen dat de voorgenomen zonneweide de natuur- en landschapswaarden onevenredig zal schaden en daarom niet wordt voldaan aan de afwijkings-bevoegdheid. Aan het primaire besluit kleeft een motiveringsgebrek. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen en verweerder, gelet op de grote (financiële) gevolgen die het uitblijven van duidelijkheid voor het einde van de subsidietermijn voor verzoekster heeft, op te dragen om met inachtneming van deze uitspraak uiterlijk op 6 november 2018 een beslissing op het bezwaar van verzoekster dan wel een gewijzigd primair besluit te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNA 2018/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/2489

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 oktober 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], te Heythuysen, verzoekster

(gemachtigde: mr. E.A.W. Driest)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal, verweerder

(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2]).

Als derde partij hebben aan het geding deelgenomen: [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2], te Heythuysen.

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoekster een omgevingsvergunning voor het realiseren van een tijdelijke zonneweide op het [adres] te Heythuysen (het perceel) geweigerd.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2018. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, [naam 3] en mr. R. Osinga, werkzaam bij adviesbureau BRO. Verder is namens verzoekster verschenen [naam 4] van zonnestroomontwikkelaar KiesZon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] voornoemd, omwonenden van de te realiseren zonneweide, zijn op zitting verschenen.

Overwegingen

1. Op het perceel is het ‘Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016’ (het bestemmingsplan) van toepassing. Het perceel heeft – voor zover van belang – de bestemming ‘Sport – Golfbaan’. Verzoekster, die eigenaar is van het perceel, was voornemens om er een golfbaan te realiseren. Omdat dit economisch niet haalbaar bleek, heeft zij op 20 juni 2018 een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van een tijdelijke zonneweide van omstreeks 40 hectare op het perceel ingediend. De zonneweide die gedurende 25 jaar in gebruik zal zijn, zal bestaan uit 167.449 zonnepanelen.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning – kort gezegd – geweigerd op de grond dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, dat ter plaatse slechts een golfbaan toestaat, en niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de in artikel 52.4 van het bestemmingsplan neergelegde afwijkingsbevoegdheid voor grootschalige zonne-energiesystemen.

3. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en het onderhavige verzoek ingediend. Ter onderbouwing van het verzoek heeft zij verwezen naar de in het bezwaarschrift opgenomen gronden. Hierin heeft verzoekster het standpunt ingenomen dat

het primaire besluit geen stand kan houden en verweerder haar een omgevingsvergunning voor het realiseren van de zonneweide had moeten verlenen. Hiertoe heeft zij – kort gezegd – aangevoerd dat haar aanvraag voldoet aan de voorwaarden van artikel 52.4 van het bestemmingsplan en dat verweerder in het primaire besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dat niet het geval is. Het is verweerder niet toegestaan om de in dat artikel neergelegde discretionaire bevoegdheid zo in te vullen dat ter plaatse nimmer een zonneweide kan worden gerealiseerd. Verder is in het bezwaarschrift verwezen naar de (langdurige) procedure die tot vaststelling van het bestemmingsplan heeft geleid en het traject dat heeft geleid tot de onderhavige weigering een omgevingsvergunning te verlenen en is het standpunt ingenomen dat moet worden afgezien van het heffen van leges dan wel het bedrag van de leges had moeten worden gematigd. Op grond van het vorenstaande verzoekt zij de voorzieningenrechter primair om het primaire besluit te schorsen en te bepalen dat haar alsnog een omgevingsvergunning wordt verleend; subsidiair het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat verweerder binnen een termijn van enkele dagen opnieuw op de aanvraag moet beslissen; meer subsidiair het primaire besluit te schorsen en te overwegen dat er geen grond is om te aanvraag te weigeren en nog meer subsidiair het primaire besluit te schorsen en te bepalen dat dit zo blijft tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, onder meer indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

6. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en deze rechtbank kan bevoegd worden om van de hoofdzaak kennis te nemen. Niet in geschil is dat verzoekster indien zij voor 8 november 2018 (17:00 uur) niet in het bezit is gesteld van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een tijdelijke zonneweide de subsidie voor Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+) zal mislopen. Het afwachten van een beslissing op het bezwaar en het daarom pas in 2019 kunnen aanvragen van de subsidie voor SDE+, zal, zoals verzoekster op zitting heeft toegelicht, omdat het voor subsidie beschikbare bedrag voor dit project naar verwachting in 2019 veel lager zal uitvallen, ertoe leiden dat verzoekster de aangevraagde zonneweide niet zal kunnen realiseren. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om verzoeksters toelichting in twijfel te trekken. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het spoedeisende belang bij het onderhavige verzoek genoegzaam is aangetoond.

7. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

8. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster op zitting te kennen heeft gegeven dat zij in het kader van deze procedure geen beroep doet op de gebrekkige totstandkoming van het bestemmingsplan en de in haar visie onrechtmatige legesheffing.

9. De voorzieningenrechter overweegt dat niet in geschil is dat het bouwplan van verzoekster in strijd is met artikel 23.1 van het bestemmingsplan (‘Sport – Golfbaan’) dat ter plaatse enkel een golfbaan en daaraan ondergeschikte voorzieningen toestaat. Partijen houdt verdeeld of verweerder voor het realiseren van een tijdelijke zonneweide op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 52.4 van het bestemmingsplan (‘Duurzaamheid’) een afwijking van het bestemmingsplan moet toestaan.

10. Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1°, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

11. Op grond van artikel 52.4 van het bestemmingsplan (‘Duurzaamheid’) kunnen Burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van het bestemmingsplan voor de realisatie van grootschalige zonne-energiesystemen met dien verstande dat:

c. de hoogte van zonne-energiesystemen maximaal 2 meter bedraagt;

d. het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast;

e. de waarden van de onder- en omliggende bestemmingen niet onevenredig geschaad worden.

12. Dat de hoogte niet de maximaal toegestane 2 meter overstijgt en het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast, is blijkens het primaire besluit niet in geschil. In geschil is of verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat aan de laatstgenoemde voorwaarde van artikel 52.4 van het bestemmingsplan niet wordt voldaan. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt.

13. Verzoekster heeft ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag een door adviesbureau BRO opgestelde ruimtelijke onderbouwing, waarvan de definitieve versie is gedateerd op 26 juli 2018, overgelegd. Bijgevoegd is een landschappelijk inpassingsplan. Omdat de zonnepanelen een beperkte hoogte hebben en ze (met de bijbehorende voorzieningen) landschappelijk zullen worden ingepast, waarbij rekening is gehouden met de waarden van de omgeving, blijft het visueel-ruimtelijke karakter van het gebied behouden en zijn er, aldus de onderbouwing, geen negatieve landschappelijke effecten te verwachten. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten of doordat hinder op de omgeving wordt veroorzaakt. Geconcludeerd wordt dan ook dat wordt voldaan aan de binnenplanse afwijkingsregel van artikel 52.4 van het bestemmingsplan en de ontwikkeling niet strijdig is met een goede ruimtelijke ordening.

14. Op advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit Leudal (hierna: de commissie) heeft verweerder bij brief van 28 augustus 2018 aan verzoekster nadere gegevens gevraagd over (onder meer) de landschappelijke inpassing en natuuraspecten. Zo ontbreekt, aldus verweerder, de onderbouwing van de landschappelijke inpassing vanuit landschap en ecologie. In het advies van de commissie staat dat bij de verdere advisering van het plan een landschapsecoloog betrokken zal worden.

15. Het adviesbureau BRO heeft bij schrijven van 12 september 2018 aanvullende gegevens verstrekt. Een ‘Quickscan flora en fauna Zonneweide Leudal’ (de quickscan) is ingebracht en het landschappelijk inpassingsplan is voor wat betreft de landschappelijke inpassing en natuuraspecten aangevuld en verder uitgewerkt. In de quickscan wordt geconcludeerd dat de wezenlijke kenmerken en waarden van de omliggende goudgroene natuurzone niet zullen worden aangetast, temeer omdat de goudgroene zones met elkaar verbonden blijven middels de landschappelijke inpassing. Dit wordt onder andere vormgegeven door de realisering van groenstroken langs de zonneweide voor onder andere groot wild en het toegankelijk maken van de zonneweide voor klein wild. In het advies ‘Landschappelijke inpassing zonneweide Leudal’ van 14 september 2018 is aangegeven dat de inpassing en vormgeving van de zonneweide zich niet alleen richt op het terrein zelf maar ook op de overgang van het plangebied naar het omliggende landschap. Er worden concrete maatregelen beschreven waarmee wordt ingezet op de versterking van de landschappelijke structuren en versterking van de aanwezige ecologische waarden. De inrichtingsmaatregelen zijn afgestemd op de soorten die binnen een straal van 1 km rond het plangebied zijn waargenomen. Zo blijven, aldus het inpassingsplan, de bestaande lijnstructuren in de directe omgeving behouden en worden deze versterkt, hetgeen ook geldt voor de bestaande ecologische noord-zuid verbinding in het gebied.

16. De commissie heeft na ontvangst van voormelde aanvullingen op 20 september 2018 als volgt geadviseerd:

Zij is verder van mening dat door dit plan het stedenbouwkundig beeld in dit gebied niet onevenredig wordt aangetast. Bij de beoordeling van het plan heeft de commissie bijzondere aandacht besteed aan de volgende onderdelen: positionering van de zonnepanelen, afwerking van de randen, informatiepunt, natuuraspecten, ecologische verbindingen, aanwezige en historische elementen en materiaalgebruik.

17. Verweerder acht in zijn primaire besluit de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan van verzoekster niet aangetoond. De voorgenomen zonneweide is gelegen in het buitengebied en wordt omgeven door agrarische gronden en natuurgebied. Een grootschalige zonneweide (waaronder begrepen de hekwerken en technische voorzieningen rondom de zonnepanelen) vormt door haar stedelijke dan wel industriële verschijningsvorm een enorme aantasting en onderbreking van de natuur- en landschapswaarden in het plangebied en het omliggende gebied. Er is volgens verweerder niet aangetoond dat de natuur- en landschapswaarde van de goudgroene natuurzone en de omliggende percelen niet worden aangetast. Er is onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen zijn van de zonneweide voor deze gebieden. Dat er in stedenbouwkundig opzicht, zoals de commissie heeft geoordeeld, sprake is van een aanvaardbaar plan, doet niets af aan de enorme invloed van de zonneweide op het omliggende, bredere gebied heeft. Hoewel de commissie de verschijningsvorm en de landschappelijke inpassing van de zonneweide heeft betrokken in haar beoordeling, blijkt hieruit onvoldoende dat de structuur van het landschap in de huidige vorm wordt behouden.

18. De voorzieningenrechter overweegt dat uit het vorenstaande blijkt dat verzoekster haar standpunt dat de natuur- en landschapswaarden van het betrokken gebied en het omliggende gebied niet onevenredig worden geschaad, heeft onderbouwd met een door een deskundig bureau opgemaakt landschappelijk inpassingsplan. In het (aangevulde en verder uitgewerkte) landschappelijk inpassingsplan wordt geconcludeerd dat de voorgenomen zonneweide door het nemen van diverse maatregelen landschappelijk en ecologisch inpasbaar is. De commissie heeft vervolgens blijkens haar positieve advies niet alleen gekeken naar de redelijke eisen van welstand en het stedenbouwkundige beeld, maar ook naar de landschappelijke- en natuuraspecten alsmede naar de ecologische verbindingen die samenhangen met de voorgenomen zonneweide. In het voor deze zaak aan de commissie toevoegen van een landschapsdeskundige ziet de voorzieningenrechter een bevestiging van de juistheid van die conclusie. Onder die omstandigheden kan verweerder zich, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, niet zonder (nadere) onderbouwing op het standpunt stellen dat de voorgenomen zonneweide de natuur- en landschapswaarden onevenredig zal schaden en daarom niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 52.4 van het bestemmingsplan. Aan het primaire besluit kleeft een motiveringsgebrek. Dit niet nader onderbouwde standpunt van verweerder kan bij het nemen van de beslissing op bezwaar niet ongewijzigd worden gehandhaafd. De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande aanleiding om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen en verweerder, gelet op de grote (financiële) gevolgen die het uitblijven van duidelijkheid voor het einde van de subsidietermijn voor verzoekster heeft, op te dragen om met inachtneming van deze uitspraak uiterlijk op 6 november 2018 een beslissing op het bezwaar van verzoekster dan wel een gewijzigd primair besluit te nemen. De voorzieningenrechter overweegt verder dat het opnemen van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in een bestemmingsplan inhoudt dat het eventuele gebruik daarvan in beginsel in overeenstemming moet worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. De afweging van de belangen die spelen bij de vraag of de betrokken locatie als een mogelijke geschikte locatie voor de aanleg van een zonneweide heeft te gelden, heeft reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan plaatsgevonden en kan bij de onderhavige besluitvorming dan ook in beginsel niet meer aan de orde komen. Verweerder dient dit bij het nemen van de beslissing (op bezwaar) in aanmerking te nemen. De voorzieningenrechter overweegt verder nog dat de voorlopige voorziening die verzoekster heeft verzocht, te weten te bepalen dat alsnog een omgevingsvergunning wordt verleend, te verstrekkend van aard is en om die reden niet wordt toegewezen.

19. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt zij dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De voorzieningenrechter acht voorts termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De voorzieningenrechter kent ter zake twee punten met een waarde van € 501,- toe voor het indienen van het verzoekschrift en het verschijnen ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve € 1.002,-. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter :

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak uiterlijk op 6 november 2018 een beslissing op het bezwaar van verzoekster dan wel een gewijzigd primair besluit te nemen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan verzoekster te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.002,- (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.E. Hamers-Aerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 31 oktober 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.