Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:10253

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-10-2018
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
03/659341-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal pinpassen door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd. Diefstal geld door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd. Mobiel banditisme.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF Actueel 2018/415
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/659341-17

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 oktober 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te Boekarest (Roemenië) op [geboortedatum] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost - HvB Ter Peel te Evertsoord.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. Y. Moszkowicz, advocaat kantoorhoudende te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 januari 2018. Naar aanleiding van die zitting is op 26 januari 2018 een tussenvonnis gewezen.

De zaak is vervolgens aanvullend inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 oktober 2018. De verdachte en haar raadsman zijn toen verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: al dan niet in vereniging 17 maal een pinpas heeft gestolen;

Feit 2: al dan niet in vereniging geld heeft gestolen van 13 slachtoffers tot een bedrag van in totaal 22.145,90 euro, telkens met behulp van een valse sleutel bestaande uit een pinpas met bijbehorende pincode.

3 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is ten aanzien van die feiten waarop de overlevering van de verdachte, blijkens het Europees Aanhoudingsbevel, geen betrekking heeft. Het specialiteitsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit staat daaraan in de weg. De raadsman heeft zich bij het standpunt van de officier van justitie aangesloten.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is ten aanzien van die feiten waarvoor de verdachte niet is overgeleverd. Dit betekent dat zij het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaart ten aanzien van de zaken 28 en 29 zoals vermeld onder feit 1 en feit 2 op de dagvaarding.

De rechtbank constateert voorts dat onder feit 2 in vier zaken, naast diefstallen gepleegd in Nederland, ook diefstallen gepleegd in het buitenland (Duitsland en België) ten laste zijn gelegd. De vraag die dan beantwoord dient te worden is of Nederland, wat de genoemde zaken betreft, rechtsmacht heeft. In de artikelen 2 tot en met 8d van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr) is geregeld in welke gevallen Nederland rechtsmacht heeft gevestigd. Nu de verdachte de Roemeense en niet de Nederlandse nationaliteit bezit, is artikel 2 WvSr bepalend voor beantwoording van de vraag of Nederland rechtsmacht heeft en of de officier van justitie dus ontvankelijk is in de vervolging van deze feiten voor zover gepleegd in het buitenland. Ingevolge artikel 2 WvSr is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Indien, naast plaatsen in Nederland, ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van artikel 2 WvSr vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden (zie: HR 13 april 1999, NJ 1999, 538 en HR 30 september 1997, NJ 1998, 117).

De rechtbank overweegt dat feit 1 op de tenlastelegging ziet op diefstallen van een pinpas en feit 2 op diefstallen van geld door pintransacties en/of geldopnames met die gestolen pinpassen. Feit 1 ziet steeds op diefstallen in Nederland. Feit 2 ziet steeds op diefstallen in Nederland en daarnaast in enkele zaken via een ‘en/of’-formulering ook op diefstallen in Duitsland en België. De feiten 1 en 2 vormen tezamen steeds een gefaseerde diefstal. Eerst wordt een pinpas weggenomen, waarbij direct daaraan voorafgaand de daarbij behorende pincode wordt afgekeken. Kort daarna wordt met behulp van die pinpas en de afgekeken pincode geld opgenomen van de betreffende bankrekening of wordt hiermee een pinbetaling verricht. De onder feit 2 tenlastegelegde gedragingen in het buitenland maken daardoor deel uit van het feitencomplex dat in Nederland is begonnen.

Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van de tenlastegelegde feiten die in het buitenland hebben plaatsgevonden.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 en 2 (met uitzondering van de zaken 28 en 29) bewezen kunnen worden in de vorm van medeplegen. Zij heeft zich gebaseerd op de processen-verbaal van aangifte, het beeldmateriaal van de banken, de transactieoverzichten en de wisselpassen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte voor beide feiten vrijgesproken moet worden.

Hij heeft zich ten aanzien van het NFI-rapport van het gezichtsvergelijkend onderzoek, op het standpunt gesteld dat conclusie 1 van dat rapport verbeterd gelezen dient te worden, in die zin dat de conclusie hetzelfde komt te luiden als conclusie 2. Bij vergelijking 1 en 2 zijn immers dezelfde waarnemingen gerapporteerd, hetgeen betekent dat ook de conclusies hetzelfde moeten zijn. Nu dit niet het geval is, kan de conclusie bij vergelijking 1 niet kloppen. Het verschil in conclusies wordt ook niet gerechtvaardigd door de kleine nuanceverschillen in vergelijkingen zoals de beperktheid van de resolutie. Gelet op dit verschil en de overige (negatieve) uitkomsten van het NFI-rapport, dient te worden vastgesteld dat het veel waarschijnlijker is dat het niet de verdachte is bij vergelijking 1. Dit maakt dat het NFI op geen van de afbeeldingen de verdachte heeft herkend.

Vervolgens stelt de raadsman dat met het heropenen van het onderzoek ter terechtzitting en het laten opmaken van een gezichtsvergelijkend onderzoek door het NFI ten aanzien van alle afbeeldingen in het dossier, de rechtbank blijk heeft gegeven van twijfel over de herkenning van de verdachte op alle afbeeldingen. Deze twijfel blijft voortbestaan, omdat slechts een klein deel van alle afbeeldingen is onderzocht door het NFI en de uitkomsten daarvan negatief zijn. Bij twijfel dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Over de afbeeldingen die ter terechtzitting van 15 oktober 2018 zijn getoond, heeft de raadsman opgemerkt dat de gelijkenissen tussen de persoon op de afbeelding en de verdachte onvoldoende zijn voor een duidelijke herkenning. Aan de handtas en de herkenning van de verdachte op de foto’s van Facebook kan geen bewijswaarde worden ontleend.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

In de periode van 21 november 2014 tot en met 28 november 2015 zijn diverse aangiftes gedaan van diefstal van een pinpas en diefstal van geldbedragen met behulp van die gestolen pinpas.

Gedurende het onderzoek door de politie werd duidelijk dat deze diefstallen gepleegd zijn door een groep, in soms wisselende samenstelling. Uit de prints van de camerabeelden stelt de rechtbank vast dat de diefstallen grotendeels worden gepleegd door twee vrouwen en steeds dezelfde man. Zij hanteren over het algemeen de volgende werkwijze:

Terwijl het slachtoffer aan het pinnen is, kijkt de man of een van de vrouwen, gesitueerd aan de linkerzijde van de pinautomaat2, over de schouder van het slachtoffer de pincode af. Als het slachtoffer klaar is met pinnen en de pinpas uit de pinautomaat komt, wordt het slachtoffer door een vrouw aan de linkerzijde van de pinautomaat afgeleid waarna het slachtoffer zich even wegdraait van de pinautomaat. Op dat moment wordt de pinpas van het slachtoffer door de andere vrouw aan de rechterzijde uit de pinautomaat gehaald en verwisseld met een andere, eerder bij eenzelfde wisseltruc buitgemaakte pinpas. Het slachtoffer, dat zich niet bewust is van de verwisseling van zijn of haar pinpas, haalt vervolgens die andere pinpas uit de automaat, die dus niet van het slachtoffer is. Door voornoemde handelingen zijn de daders in het bezit van de pinpas van het slachtoffer en de daarbij behorende pincode, waarna meestal kort na het gebeurde de man bij meestal dezelfde pinautomaat ongestoord geld van de rekening van het slachtoffer opneemt. Daarna wordt er vaak ook op andere locaties met de pinpas gepind.

Het procesdossier bevat ten aanzien van elke zaak tenlastegelegd onder feit 1 en feit 2 een aangifte en prints van de camerabeelden van de pintransactie en van de daaropvolgende diefstal. Ook de daders, de man en twee vrouwen, die de diefstal plegen, staan op die camerabeelden. Het dossier bevat echter geen proces-verbaal van herkenning van de verdachte als een van die personen op de camerabeelden, anders dan de algemene constatering dat de verdachte een van de betreffende personen is en meestal de persoon die het slachtoffer afleidt.

Ter terechtzitting heeft de rechtbank waargenomen dat de verdachte in sommige zaken gelijkenissen vertoont met een van de vrouwen die telkens op de camerabeelden te zien is. Deze waarnemingen zijn gebaseerd op een vergelijking van de camerabeelden met de verdachte, die aanwezig is ter terechtzitting, en met de ter terechtzitting getoonde eerdere foto’s van Facebook, waarvan de verdachte ter terechtzitting heeft aangegeven dat zij, met verschillende haarkleur, op deze foto’s staat. Deze waarnemingen van de rechtbank dienen in onderhavige zaak als ondersteunende factor en zullen conform de artikelen 339 jo. 340 van het Wetboek van Strafvordering bijdragen aan het bewijs.

De rechtbank heeft de zaken die zijn tenlastegelegd onder feit 1 en feit 2, opgedeeld in drie categorieën en zal deze hierna bespreken:

  • -

    Zaken met directe herkenning: de zaken waarvan de rechtbank van oordeel is dat de verdachte (zeer) sterke gelijkenissen vertoont met de vrouw op de camerabeelden.

  • -

    Zaken met indirecte herkenning: de zaken waarvan de rechtbank van oordeel is dat de verdachte weliswaar gelijkenissen vertoont met de vrouw op de camerabeelden, maar dat deze gelijkenissen niet zo evident zijn dat de rechtbank daarmee de verdachte direct herkent. Door vergelijking met de foto’s van de hiervoor genoemde categorie en andere bijkomende omstandigheden, is echter wel sprake van indirecte herkenning.

  • -

    Zaken zonder herkenning: de zaken waarin de rechtbank de verdachte niet herkent op de camerabeelden.

Zaken met directe herkenning

Zaak 1

[naam 1] heeft aangifte gedaan namens zijn oom [slachtoffer 1] . Hij heeft verklaard dat zijn oom op 21 november 2014 om 12:15 uur heeft gepind bij de Rabobank te Venray. Hij heeft daarbij gebruikgemaakt van een pinpas op naam van [naam 2] . Op

24 november 2014 wilde zijn oom weer pinnen. Toen de pinautomaat aangaf dat de pincode onjuist was, ontdekte hij dat de pinpas van iemand anders was. Vervolgens bleek dat op

21 november 2014 en 22 november 2014 een bedrag van in totaal € 860,00 gepind was in Venray en Maasduinen.3

Op de prints van de camerabeelden van de pintransactie is te zien dat de aangever voor de pinautomaat staat. Aan zijn linkerzijde kijkt een man mee terwijl de aangever zijn pincode invoert. Vervolgens wordt de aangever door een vrouw aan de linkerzijde van de pinautomaat afgeleid. Hij draait zich naar haar om en kijkt vervolgens samen met haar naar de grond. De vrouw lacht naar de aangever. Op dat moment wisselt een andere vrouw aan de rechterzijde van de pinautomaat, de pinpas van de aangever om met een andere pas. Wanneer de aangever weg is, neemt de man geld op met de weggenomen pinpas.4

De rechtbank heeft ter zitting een print van de camerabeelden getoond.5 Hierop is de vrouw te zien die de aangever aan de linkerzijde van de pinautomaat afleidt. De rechtbank heeft waargenomen dat de verdachte sterke gelijkenissen vertoont met deze vrouw op grond van haar postuur, de vorm van het gezicht, de vorm en de grootte van de neus, de stand van de ogen, de vorm van de mond, de grootte van de lippen, de haarkleur en haardracht.6

Zaak 8

[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan en heeft verklaard dat zij op 29 november 2014 omstreeks 12:40 uur een bedrag heeft gepind van € 250,00 bij de Rabobank te Stramproy. Zij haalde haar pinpas uit de automaat en legde het pasje op de automaat neer. Zij haalde vervolgens het geldbedrag uit de automaat en stopte het in haar portemonnee. Op dat moment werd zij door een onbekende vrouw op haar linkerschouder getikt. Zij zag dat de vrouw naar de grond wees. Zij zag dat er aan haar linkerzijde op de grond een briefje van

€ 50,00 lag. Aangeefster draaide zich na een aantal seconden weer om naar de automaat omdat zij nogmaals € 250,00 euro wilde pinnen. Zij pakte de pinpas weer van de automaat en wilde haar pincode intoetsen. Zij zag dat de pinpas het niet deed. Op 1 december 2014 kwam de bank erachter dat zij een ander Rabobankpasje in haar bezit had, van een mevrouw afkomstig uit Roermond.7 In de periode van 29 november 2014 tot en met 1 december 2014 zijn er 18 onrechtmatige transacties geweest in Nederland, in België (Molenbeersel) en in Duitsland (Marl, Gelsenkirchen en Herten). In totaal is er € 5.441,- van haar rekening is gehaald.8

Over de prints van de camerabeelden van de pintransactie is het volgende geverbaliseerd.

De aangeefster staat voor de pinautomaat in een ruimte van de bank. Achter de aangeefster staat een man. Deze man manoeuvreert zich in zo’n een positie dat hij in de gelegenheid is over de schouder van de aangeefster mee te kijken. De man loopt vervolgens weg richting de uitgang van de ruimte van de pinautomaat.

Twee vrouwen lopen de ruimte in. De vrouwen gaan achter aangeefster staan. De vrouw gesitueerd aan de linkerzijde van de aangeefster heeft een voorwerp vast. De vrouw aan de rechterzijde blijft in het gangpad staan. De vrouw aan de linkerzijde legt een voorwerp op de grond naast de aangeefster. Vervolgens tikt zij de linkerarm van aangeefster aan, lacht en wijst naar het voorwerp op de grond. Aangeefster kijkt naar het voorwerp op de grond. Op dat moment loopt de vrouw aan de rechterzijde richting de pinautomaat. Zij pakt de pinpas van de aangeefster uit de pinautomaat. Vervolgens heeft zij een ander voorwerp in haar hand. De vrouw aan de linkerzijde pakt het voorwerp op van de grond. Beide vrouwen verlaten de ruimte.

Aangeefster probeert om een aantal keer te pinnen. Vervolgens komt een man de ruimte binnen. Dit is de man die eerder achter de aangeefster stond. De man wacht totdat de aangeefster het gebouw verlaat. Vervolgens maakt de man een transactie met de pinpas van de aangeefster. Hij haalt een aantal biljetten de pinautomaat. De man maakt vervolgens nogmaals een transactie met de pinpas van aangeefster.

De verbalisant heeft geverbaliseerd dat uit de vordering ‘verstrekken historische gegevens van de pinpas van aangeefster’ blijkt dat twee onrechtmatige transacties hebben plaatsgevonden op 29 november 2014 omstreeks 12:42 uur. Uit de bewakingscamera’s blijkt dat de eerder genoemde man op die datum en dat tijdstip onrechtmatig geld heeft opgenomen.9

De rechtbank heeft ter zitting twee prints van de camerabeelden getoond.10 Hierop is de vrouw te zien die de aangeefster aan de linkerzijde van de pinautomaat afleidt met het voorwerp op de grond. De rechtbank heeft waargenomen dat de vrouw opvallende zwarte schoenen draagt met een witte zool.11 De rechtbank heeft voorts waargenomen dat de verdachte sterke gelijkenissen vertoont met deze vrouw op grond van haar postuur, de vorm van het gezicht, de vorm en de grootte van de neus, de stand van de ogen, de vorm van de mond, de grootte van de lippen, de haarkleur en haardracht.12

Zaak 19

[slachtoffer 3] heeft aangifte gedaan en heeft verklaard dat hij op 19 september 2015, omstreeks 10:00 uur geld ging pinnen bij de Rabobank in Horst. Hij stak zijn Rabobankpas in de geldautomaat en toetste zijn pincode in. Op het moment dat hij zijn pinpas uit de geldautomaat wilde halen, werd hij op zijn linkerschouder getikt. Hij zag dat er een vrouw naast hem stond. Deze vrouw wees naar de grond. Aangever zag dat daar een biljet van

€ 20,00 lag. De vrouw raapte het biljet heel langzaam op. Aangever richtte zich vervolgens weer op de geldautomaat. Hij pakte de bankpas en het geld uit de geldautomaat. Aangever had geen prettig gevoel bij de confrontatie met de vrouw, bij wie ook nog een man was.

Op 21 september 2015 wilde aangever boodschappen afrekenen bij de supermarkt. Hij toetste de pincode in, maar de automaat gaf aan dat het niet de juiste pincode was. Aangever zag dat op de pinpas niet zijn naam stond. Bij de Rabobank is de rekening van aangever bekeken en is gezien dat er diverse geldopnamen waren gedaan die aangever niet zelf had gedaan in de periode van 19 september 2015 tot en met 21 semptember 2015. Het geld, in totaal € 4.503,40, is opgenomen in Horst aan de Maas (Venray), Boxmeer, Maasduinen, Cuijk Goch (Duitsland) en Gelsenkirchen (Duitsland).13

Over de prints van de camerabeelden van de pintransactie is het volgende geverbaliseerd. Buiten de ruimte van de pinautomaat staan een man en twee vrouwen bij elkaar. De man en de twee vrouwen staan ieder een stuk van elkaar af. De man en een van de vrouwen (hierna: vrouw 1) gaan om 09:56 uur de ruimte van de pinautomaat binnen. Zij gaan op afstand van elkaar staan achter de aangever die aan het pinnen is. De man gaat dichter bij de aangever staan. Zodra de aangever heeft geselecteerd welk bedrag hij wil opnemen verlaat de man de ruimte. De andere vrouw (hierna: vrouw 2) loopt dan de ruimte in. Vrouw 1 heeft zich dichterbij de man met de rode jas gepositioneerd. Zij kijkt ondertussen naar de man en vrouw 2. Vrouw 2 gaat schuin achter de aangever, aan de rechterzijde. Zij heeft een voorwerp in haar rechterhand die ze met gestrekte arm voor zich uit houdt. Vrouw 1 staat ook schuin achter de man, aan de linkerzijde, met haar rechterschouder naar hem toegedraaid. Ze kijkt richting de pinautomaat. Vervolgens legt vrouw 1 iets op de grond naast de aangever, een bankbiljet van € 20,-. Zij kijkt in de richting van vrouw 2. Vervolgens trekt vrouw 1 de aandacht van de aangever en wijst naar het bankbiljet. Haar rechtervoet tilt ze op waardoor het biljet zichtbaar wordt. Vrouw 1 bukt en raapt het biljet op. De aangever kijkt hiernaar. Vervolgens gaat vrouw 2 naar de pinautomaat, haalt de pinpas van de aangever uit de pinautomaat en plaatst een andere bankpas terug. Vrouw 2 verlaat vervolgens direct de ruimte. Vrouw 1 pakt ondertussen een ander stuk papier dat ook op de grond lag en geeft dit aan de aangever. Daarna verlaat zij ook de ruimte. De aangever rond zijn pintransactie af.

Om 09:59 uur komt de man de ruimte van de pinautomaat binnen en start een pintransactie. Hij plaatst een pinpas in de automaat. De afspeelsoftware vermeldt volgens de verbalisant dat er een pintransactie wordt aangegaan met het rekeningnummer van de pas die kort daarvoor is weggenomen van de aangever. De man vraagt het saldo op van de rekening en annuleert de transactie. Vervolgens start hij opnieuw een pinstransactie en neemt daarbij

€ 200,- op van bovengenoemde rekening.14

Eerder om 09:50 uur zijn de man en vrouwen ook al de ruimte van de pinautomaat ingelopen. Vervolgens verlaat de man de ruimte en de vrouwen staan voor de pinautomaat. Eerst is vrouw 2 in beeld. Vervolgens staat achter haar vrouw 1. Ze pinnen € 20,-. Het gepinde bankbiljet verwijnt in de portemonee van vrouw 1.15

Het NFI heeft gezichtsvergelijkend onderzoek verricht naar de verdachte en vrouw 1 op de prints van de camerabeelden in zaak 19. Het laatstgenoemde beeld, waarbij vrouw 1 achter vrouw 2 staat, is onderzocht. De conclusie van het NFI is dat de bevindingen van het onderzoek veel waarschijnlijker zijn als de persoon afgebeeld op de beelden wel dezelfde is als de verdachte dan wanneer dit niet zo is.16

Zaak 22

[slachtoffer 4] heeft aangifte gedaan en heeft verklaard dat zij op 9 oktober 2015 omstreeks 10:30 uur geld ging pinnen bij de Rabobank in Horst. Zij haalde net het gepinde geld uit de automaat, toen zij door een vrouw werd aangesproken. Haar bankpas zat op dat moment nog in de pinautomaat. Ze verstond niet wat de vrouw zei. De vrouw duwde haar een beetje opzij en wees naar een geldbiljet dat op de grond lag. De aangeefster stond met haar linkervoet een stukje op dat bankbiljet. De vrouw vroeg in het Engels of dat geld van haar was. De aangever wist dat dit niet zo was. De vrouw zei vervolgens ‘yes’, pakte het geld op en liep weg naar de parkeerplaats. Vervolgens zag de aangeefster dat een man die uit de Albert Heijn kwam lopen de aangeefster observeerde en naar de vrouw op de parkeerplaats toeliep.

Toen aangeefster vervolgens bij de Zeeman wilde afrekenen, zei de cassière haar dat haar pasje geblokeerd was. Vervolgens bleek bij de Rabobank dat zij een bankpas van iemand anders had.17

Over de prints van de camerabeelden van de pintransactie is het volgende geverbaliseerd. De aangeefster staat voor de pinautomaat. Achter haar, zowel aan haar linkerzijde als aan haar rechterzijde, staan twee vrouwen. De vrouw aan haar linkerzijde gooit een bankbiljet van € 50,- naar de voeten van de aangeefster. Vervolgens wijst zij de aangeefster op het bankbiljet, lacht naar haar en raapt deze samen met de aangeefster op. Op het moment dat de aangeefster zich voorover buigt, gaat de vrouw aan de rechterzijde van de aangeefster naar de pinautomaat en wisselt de pinpas van de aangeefster om met een andere pinpas. Ondertussen loopt er een man langs de pinautomaat en blijft in de buurt op het trottoir staan. De vrouw die nog steeds aan de linkerzijde van de aangeefster staat, lacht vriendelijk naar haar. Beide vrouwen lopen weg. De man kijkt naar de vrouw die aan de linkerkant stond en naar de aangeefster. Vervolgens loopt hij achter de vrouwen aan.18

De persoon die aan de linkerzijde de aangeefster afleidde, heeft volgens de verbalisant de volgende kenmerken:

  • -

    Vrouw;

  • -

    Zwarte jas tot over de heupen;

  • -

    Donkerblond tot lichtbruin haar tot net over de schouders;

  • -

    Sjaal, groen/blauw/grijs van kleur;

  • -

    Blauwe spijkerbroek;

  • -

    Bruine laarzen die net onder de knie komen.19

De rechtbank heeft drie prints ter zitting getoond.20 Op de prints staat de vrouw die de aangeefster aan de linkerzijde afleidde. De rechtbank heeft ter zitting bevestigd dat deze vrouw de gerelateerde kenmerken heeft die hierboven zijn beschreven. Voorts heeft de rechtbank waargenomen dat de verdachte sterke gelijkenissen vertoont met deze vrouw op grond van haar postuur, de vorm van het gezicht, de vorm en de grootte van de neus, de stand van de ogen, de vorm van de mond, de grootte van de lippen, de haarkleur en haardracht.21

Zaak 23

[slachtoffer 5] heeft aangifte gedaan en heeft verklaard dat hij op 9 oktober 2015 omstreeks 13.35 uur geld ging pinnen bij de Rabobank te Venray. Toen hij ging pinnen was er nog niemand in de buurt. Op het moment dat hij het signaal hoorde dat de transactie was afgerond en het pasje uit de geldautomaat kwam, werd hij op zijn schouder getikt door een vrouw aan zijn linkerzijde die naar de grond wees. Aangever zag een bankbiljet van € 20,- op de grond liggen. Hij bukte om het biljet op te rapen. Toen hij overeind kwam en zijn pinpas wilde pakken, zag hij dat zijn pinpas en het door hem gepinde geldbedrag waren weggenomen. Hij zag twee vrouwen weglopen, van wie hij er een herkende als de vrouw die hem had aangetikt. Hij zag dat de andere vrouw zijn pinpas vasthield. Daarop heeft hij die vrouw vastgepakt en gezegd dat zij de pinpas moest teruggeven. Zij liet de pinpas vallen.22

Over de prints van de camerabeelden van de pintransactie is het volgende geverbaliseerd. Om 13:42 uur is de aangever aan het pinnen bij de pinautomaat. Links achter de aangever staat een vrouw. Aan de rechterzijde van de aangever verschijnt nog een vrouw. De vrouw aan de linkerzijde van de man gooit een papiertje op de grond en attendeert de aangever hierop. Op het moment dat de aangever zich wegdraait van de pinautomaat en bukt, haalt de vrouw aan de rechterzijde van de man de bankpas van de aangever uit de pinautomaat. Vervolgens loopt zij weg, gevolgd door de andere vrouw. De aangever bemerkt de diefstal en loopt achter de vrouwen aan. Het geld steekt dan nog uit de pinautomaat en wordt door een onbekende man weggenomen.23

De rechtbank heeft twee prints ter zitting getoond.24 Op de prints staat de vrouw die de aangever aan de linkerzijde afleidde van de pinautomaat. De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld dat de vrouw op de prints dezelfde kleding draagt als de vrouw op de prints van zaak 22: de zwarte jas tot over de heupen, de sjaal, groen/blauw/grijs van kleur, de blauwe spijkerbroek en de bruine laarzen die net onder de knie komen. Voorts heeft de rechtbank waargenomen dat de verdachte sterke gelijkenissen vertoont met deze vrouw op grond van haar postuur, de vorm van het gezicht, de vorm en de grootte van de neus, de stand van de ogen, de vorm van de mond, de grootte van de lippen, de haarkleur en haardracht.25

Overweging

De rechtbank is op grond van haar waarnemingen ter terechtitting, de prints van de camerabeelden en het rapport van het NFI van oordeel dat het de verdachte is die telkens de aangevers aan de linkerzijde van de pinautomaat afleidt zodat een vrouw gesitueerd aan de rechterzijde van de aangevers de pinpas uit de pinautomaat kan halen en verwisselen met een andere pinpas.

Voor wat betreft de stelling van de raadsman dat de conclusie van het NFI-rapport onjuist is of anders gelezen moet worden, overweegt de rechtbank dat, anders dan de raadsman stelt, bij vergelijking 1 andere waarnemingen zijn gerapporteerd dan bij vergelijking 2. Deze andere waarnemingen rechtvaardigen de andere conclusie. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan het rapport van het NFI. Het verweer van de raadsman kan daarom geen doel treffen.

Zaken met indirecte herkenning

Zaak 5

[slachtoffer 6] heeft aangifte gedaan en heeft verklaard dat hij op 25 november 2014 tussen 15:00 en 16:00 uur naar een geldautomaat van de Rabobank in Arnhem is gegaan. Er stond een man voor hem bij de geldautomaat. Deze man droeg een pak. Aangever heeft € 50,00 gepind. Aangever heeft verklaard dat hij met de man in het pak heeft gesproken, maar dat hij niet kan verklaren of dit tijdens het pinnen is gebeurd of erna. Op 27 november 2014 zag aangever dat er een andere naam op zijn bankpas stond. Bij de Rabobank kreeg aangever te horen dat er inmiddels al € 500,00 was opgenomen met zijn eigen bankpas. De verbalisant relateert bij deze aangifte dat in totaal € 1.798,38 is weggenomen.26 Het weggenomen geld is gepind in Arnhem, Bunschoten, Zevenaar, Marl (Duitsland), Swalmen, Roermond en Emmerich (Duitsland).27

Over de prints van de camerabeelden van de pintransactie is het volgende geverbaliseerd. Om 11:20 uur is de aangever aan het pinnen bij de pinautomaat. Een man en een vrouw (hierna vrouw 2) staan achter de aangever te wachten. De man kijkt de pincode van de aangever af en loopt weg. Vervolgens komt rechtsachter de aangever een andere vrouw (hierna: vrouw 1) te staan. Zij legt iets achter de aangever op de grond. Vervolgens tikt vrouw 2 de aangever aan en wijst hem het voorwerp op de grond. Zij leidt hem van de pinautomaat af en pakt hierbij zijn handen. Tijdens deze actie wordt de pinpas van de aangever afgepakt. Vervolgens lopen de man en vrouw 2 terug. Vrouw 2 gaat pinnen en doet alsof ze de pinpas van de aangever vindt in de pinautomaat. De pinpas geeft zij af en loopt daarna weg.

De man neemt, nadat de aangever is weggelopen, geld op met de weggenomen pinpas van aangever. Dit herhaalt hij driemaal.

De verbalisant omschrijft de vrouw die de aangever heeft afgeleid als een vrouw met onder andere:

  • -

    een fors postuur;

  • -

    blanke huid;

  • -

    donkerblond lang haar;

  • -

    zwarte jas;

  • -

    sjaal, grijskleurig. 28

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 12 januari 2018 waargenomen dat een van de vrouwen op de prints opvallende donkere schoenen draagt met een witte zool.29 Voorts heeft de rechtbank ter terechtzitting van 15 oktober 2018 een print getoond.30 De rechtbank heeft daarop waargenomen dat de verdachte enige gelijkenissen vertoont met de vrouw op de camerabeelden. Zo komen het postuur, de haarkleur en de haardracht overeen.31 De rechtbank heeft ook waargenomen dat de vrouw op de camerabeelden voor wat betreft haar kleren en postuur gelijkenissen vertoont met de vrouw op de camerabeelden in andere, hiervoor genoemde zaken waarin de rechtbank de verdachte heeft herkend.

Zaak 25

[slachtoffer 7] heeft aangifte gedaan en heeft verklaard dat hij op zaterdag 28 november 2015 omstreeks 12:18 uur ging pinnen bij de Rabobank te Werkendam. De eerste keer pinde hij met de pinpas van zijn vrouw op de naam [naam 3] . . Daarna pinde hij met zijn eigen pinpas met hetzelfde rekeningnummer. Hij weet niet of er personen in de omgeving stonden en hij heeft geen bijzonderheden opgemerkt. Toen zijn zoon op 29 november 2015 zijn bankzaken wilde regelen, zag hij dat er een andere naam op de pinpas stond. De pinpas is direct geblokeerd. De volgende dag hoorde zijn zoon bij de Rabobank dat er op 28 november 2015 in Werkendam, Eersel en Meijel in totaal € 422,42 is gepind met de pinpas van aangever. Daarnaast zou uit de camerabeelden blijken dat er een persoon achter de aangever stond terwijl hij aan het pinnen was. Op de beelden is te zien dat de aangever bukt en iets van de grond pakt. Op dat moment werd door een persoon de pas gewisseld.32 In totaal is er € 922,42 opgenomen in Werkendam, Meijel en Krefeld.33

Over de prints van de camerabeelden van de pintransactie is het volgende geverbaliseerd. Om 12:18 uur pint de aangever bij de pinautomaat. Een vrouw gaat aan de linkerzijde van de aangever staan en kijkt mee terwijl de aangever de pincode intoetst. Vervolgens gaat zij aan de rechterzijde staan en gaat er een andere vrouw aan de linkerzijde van de aangever staan. Laatst genoemde legt iets op de grond. Op het moment dat de aangever zijn pinpas terugkrijgt van de pinautomaat attendeert de vrouw aan zijn linkerzijde hem op hetgeen zij op de grond heeft gelegd. De aangever draait zich naar haar om. Zij lacht naar hem. In die tijd wordt aan de rechterzijde van de aangever door een vrouw zijn pinpas verwisseld met een andere pinpas.34

De rechtbank heeft ter terechtzitting een print getoond.35 Op die print is de vrouw te zien die de aangever aan de linkerzijde afleidt van de pinautomaat. De rechtbank heeft waargenomen dat de verdachte enige gelijkenissen vertoont met de vrouw op de camerabeelden, zo komen de haarkleur en de haardracht overeen.36 De rechtbank heeft ook waargenomen dat de vrouw op de camerabeelden voor wat betreft de vorm van haar gezicht, haar gezichtsuitdrukking, haardracht en kleding gelijkenissen vertoont met de vrouw op de camerabeelden in andere, hiervoor genoemde zaken waarin de rechtbank de verdachte heeft herkend.

Overweging

Anders dan is de zaken met directe herkenning is de rechtbank van oordeel dat de gelijkenissen tussen de vrouw op de camerabeelden en de verdachte niet zodanig sterk zijn dat de rechtbank reeds op basis van haar eigen waarneming kan vaststellen dat het de verdachte is die de aangevers afleid. Op basis van de volgende constateringen komt de rechtbank echter toch tot de vaststelling dat het niemand anders dan de verdachte kan zijn die op de betreffende camerabeelden te zien is.

De rechtbank stelt vast dat de modus operandi in zaak 25 overeenkomt met de modus operandi in de andere zaken. Ook in zaak 25 zijn er drie daders die elk hun rol in de wisseltruc hebben.Een van de daders kijkt de pincode af. Vervolgens leidt een vrouw aan de linkerzijde het slachtoffer af met een bankbiljet/papiertje dat links op de grond is gelegd. Zij doet dit door het slachtoffer aan te tikken, te lachen en hem/haar op het bankbiljet/papiertje te wijzen. Samen met het slachtoffer bukt zij om het bankbiljet/papiertje te pakken. Dit moment laat zij net zo lang duren totdat de pinpassen aan de andere kant van het slachtoffer door een andere vrouw zijn verwisseld. Daarna richt ze zich op en lacht naar het slachtoffer. Vervolgens pint telkens dezelfde man met de weggenomen pinpas geld van de bankrekening van het slachtoffer. In de zaken waarin sprake is van directe herkenning op basis van de eigen waarneming heeft de rechtbank vastgesteld dat het telkens de verdachte is die de slachtoffers aan de linkerzijde afleid. De vrouw die in zaak 25 op deze manier het slachtoffer afleidt, vertoont gelijkenissen met de verdachte, zoals hiervoor is aangegeven.

Hoewel de modus operandi in zaak 5 iets anders is dan in de andere zaken, is ook hier sprake van dezelfde man en twee vrouwen. De rechtbank stelt vast dat in zaak 5 door dezelfde man geld wordt gepind met de weggenomen pinpas en door dezelfde vrouw de pinpassen wordt gewisseld als in de andere zaken. De vrouw die iets op de grond legt ter afleiding van de verdachte, vertoont gelijkenissen met de verdachte, zoals hiervoor is aangegeven. Daar komt nog bij dat de schoenen van de verdachte in zaak 8 overeenkomen met de schoenen van de vrouw die het slachtoffer afleidt in zaak 5. Beiden dragen zwarte schoenen met een witte zool.

De modus operandi, de rolverdeling van de groep, de personen uit de groep en de gelijkenissen tussen de vrouw op de camerabeelden en de verdachte c.q. foto’s waarop de verdachte door de rechtbank herkend is, maken dat de rechtbank tot het oordeel komt dat de vrouw die in de zaken 5 en 25 de slachtoffers afleidt, de verdachte is.

Zaken zonder herkenning

In de zaken 2, 3, 4, 18, 20 en 24 kan de rechtbank niet vaststellen of de verdachte wel of niet een van de vrouwen is die zichtbaar is op de camerabeelden van de pintransactie en de diefstal. Het procesdossier bevat ook voor het overige onvoldoende aanwijzingen dat de verdachte betrokken is geweest bij deze zaken.

Partiële vrijspraak feit 1 en feit 2

De rechtbank spreekt de verdachte partieel vrij van feit 1, voor wat betreft de zaken 2, 3, 4, 18, 20 en 24 en van feit 2, voor wat betreft de zaken 2, 3, 18 en 20, omdat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte de tenlasteglegde feiten in deze zaken heeft gepleegd.

Bewezenverklaring feit 1 en feit 2:

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met anderen in de periode van 21 november 2014 tot en met 28 november 2015 een pinpas heeft gestolen van:

  • -

    [slachtoffer 1] (zaak 1);

  • -

    [slachtoffer 6] (zaak 5);

  • -

    [slachtoffer 2] (zaak 8);

  • -

    [slachtoffer 3] (zaak 19);

  • -

    [slachtoffer 4] (zaak 22);

  • -

    [slachtoffer 5] (zaak 23) en;

  • -

    [slachtoffer 7] en/of [naam 3] (zaak 25).

Op grond van de prints van de camerabeelden, kan worden vastgesteld dat bij de uitvoering van de modus operandi telkens een zelfde man, de verdachte en een andere vrouw betrokken zijn. Zij voeren tijdens de diefstal ieder hun eigen handelingen uit:

  • -

    de man pint als eerste geld met de gestolen pinpas en kijkt in sommige gevallen de pincode af;

  • -

    de verdachte leidt het slachtoffer aan de linkerzijde van de pinautomaat af en kijkt in de meeste gevallen de pincode af aan de linkerzijde van de pinautomaat;

  • -

    de andere vrouw wisselt aan de rechterzijde van de pinautomaat de pinpassen om.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de anderen die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen onder feit 1 bewezen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het wegnemen van een pinpas en het afkijken van de daarbij behorende pincode onlosmakelijk in verband staan met het vervolgens wegnemen van geld met die pinpas. De handelingen gepleegd onder het eerste feit zijn zodoende van essentieel belang voor het vervullen van het tenlastegelegde onder feit 2. De rechtbank is gelet op de intensieve samenwerking van de groep, de specifieke taakverdeling en de essentiële rol van de verdachte van oordeel dat de verdachte het tenlastegelegde onder feit 2 heeft gepleegd. Hoewel uit het procesdossier niet blijkt dat de verdachte de pintransacties zelf heeft verricht, heeft zij door haar rol in het geheel wel een bijdrage geleverd aan de diefstal die van voldoende materiële en/of intellectuele gewicht is. De rechtbank oordeelt dat het medeplegen gelet op de nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met de anderen tijdens de diefstallen is bewezen.

De rechtbank acht, gelet op de voornoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen in de periode van 21 november 2014 tot en met 28 november 2015 een hoeveelheid geld heeft weggenomen toebehorende aan:

  • -

    [slachtoffer 1] (zaak 1);

  • -

    [slachtoffer 6] (zaak 5);

  • -

    [slachtoffer 2] (zaak 8);

  • -

    [slachtoffer 3] (zaak 19), en;

  • -

    [slachtoffer 7] en/of [naam 3] (zaak 25).

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

T.a.v. feit 1:

op meerdere tijdstippen in de periode van 21 november 2014 tot en met 28 november 2015 op een of meer hierna te noemen plaatsen in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen de hierna te noemen goederen, toebehorende aan de hierna te noemen rechthebbenden, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededaders:

- op 21 november 2014 in de gemeente Venray een pinpas toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [naam 4] (zaak 1) en

- in of omstreeks de periode van 25 november 2014 tot en met 26 november 2014

in de gemeente Arnhem, een pinpas, toebehorende aan [slachtoffer 6] (zaak 5) en

- op 29 november 2014 te Stramproy, in de gemeente Weert, een pinpas,

toebehorende aan [slachtoffer 2] (zaak 8) en

- op 19 september 2015 te Horst, in de gemeente Horst aan de Maas, een pinpas,

toebehorende aan [slachtoffer 3] (zaak 19) en

- op 9 oktober 2015 te Horst, in de gemeente Horst aan de Maas, een pinpas,

toebehorende aan [slachtoffer 4] (zaak 22) en

- op 9 oktober 2015 in de gemeente Venray, een pinpas, toebehorende aan [slachtoffer 5] (zaak 23) en

- op 28 november 2015 in de gemeente Werkendam, een pinpas, toebehorende aan [slachtoffer 7] en/of [naam 3] (zaak 25).

2.

op meerdere tijdstippen in de periode van 21 november 2014

tot en met 28 november 2015 op hierna te noemen plaatsen in Nederland en/of in

Duitsland en/of in België tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen de hierna te noemen goederen, toebehorende aan de hierna te noemen rechthebbenden, in elk geval aan anderen dan aan verdachte en/of haar mededaders:

- in de periode van 21 november 2014 tot en met 22 november 2014 in de gemeente Venray en te Maasduinen, in de gemeente Gennep, een hoeveelheid geld (in totaal circa 860 euro),

toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [naam 4] (zaak 1) en

- in de periode van 25 november 2014 tot en met 27 november 2014 te Swalmen, in de gemeente Roermond en in de gemeente Zevenaar en in de gemeente Arnhem en in de gemeente Bunschoten en te Marl (Duitsland) en te Emmerich (Duitsland), een hoeveelheid geld (in totaal circa 1798,38 euro) toebehorende aan [slachtoffer 6] (zaak 5) en

- in de periode van 29 november 2014 tot en met 1 december 2014 in Nederland en te Marl (Duitsland) en te Gelsenkirchen (Duitsland) en te Herten (Duitsland) en te Molenbeersel (België), een hoeveelheid geld (in totaal circa 5441 euro), toebehorende aan [slachtoffer 2] (zaak 8) en

- in of omstreeks de periode van 19 september 2015 tot en met 21 september 2015 te Horst, in de gemeente Horst aan de Maas en in de gemeente Boxmeer en in de gemeente Cuijk en te Gelsenkirchen (Duitsland) en te Goch (Duitsland), een hoeveelheid geld (in totaal circa 4503,40 euro), toebehorende aan [slachtoffer 3] (zaak 19) en

- op 28 november 2015 in de gemeente Werkendam en in de gemeente Eersel en te Meijel, in de gemeente Peel en Maas, een hoeveelheid geld (in totaal circa 922,42 euro), toebehorende aan [slachtoffer 7] en/of [naam 3] (zaak 25)

waarbij verdachte en haar mededaders telkens dat weg te nemen geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, bestaande deze valse sleutel telkens uit een pinpas en de daarbij behorende code.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

T.a.v. feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

T.a.v. feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

7 De straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Zij heeft bij het bepalen van haar eis aansluiting gezocht bij de richtlijnen van het Openbaar Ministerie. Voor de diefstal van de pinpassen acht zij een gevangenisstraf van drie maanden per zaak passend en voor het pinnen met de gestolen pas een gevangenisstraf van een maand per zaak.

In het nadeel van de verdachte heeft de officier van justitie rekening gehouden met het strafblad van de verdachte en de omstandigheid dat telkens oudere personen het slachtoffer waren. In het voordeel van de verdachte heeft zij rekening gehouden met de ouderdom van de zaak.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de straf, nu hij voor beide feiten vrijspraak heeft bepleit.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte maakte deel uit van een groep buitenlandse personen die, voor zover de rechtbank kan zien, geen enkele binding met Nederland had en die hier slechts kwam om te roven en te stelen. Mobiel banditisme dus.

Telkens waren het mensen op leeftijd die het slachtoffer werden van de zeer geoliede machine van de verdachte en haar mededaders. In deze machine was de verdachte een belangrijke rader. Vaak was zij het die het slachtoffer afleidde, zodat door een ander de pinpas verwisseld kon worden, waarna de groep een nog grotere slag kon slaan door met de afgekeken pincode en geroofde pinpas aan de haal te gaan.

Op geen enkel moment lijkt de verdachte oog te hebben gehad voor de financiële problemen en onzekerheid waar zij en haar mededaders de slachtoffers instortten. Door het leeghalen van de rekening konden belangrijke betalingen, zoals huur en hypotheek, niet verricht worden, met alle narigheden vandien. Het is echter niet alleen dat dat de misdrijven van de groep zo verwerpelijk maakt.

Door het onverhoedse karakter van de roof, zullen veel slachtoffers zich ook minder veilig zijn gaan voelen. Op straat in het algemeen en bij pinautomaten in het bijzonder. Ook dat rekent de rechtbank de verdachte zeer aan.

Ter terechtzitting heeft de verdachte aangegeven dat zij graag naar haar moeder wil, omdat die oud, ziek en onvermogend is. Ze verlangt daarmee compassie van de rechtbank, waar zij die compassie niet had voor haar slachtoffers die ook oud en door haar handelen onvermogend werden. Die compassie met de verdachte en haar situatie kan de rechtbank niet opbrengen.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting gekeken naar straffen die worden opgelegd in soortgelijke zaken. Ook heeft zij nog acht geslagen op het feit dat verdachte meerdere diefstallen heeft gepleegd, dat zij dit gedaan heeft met anderen, dat er steeds kwetsbare slachtoffers zijn uitgekozen en dat de omvang van de schade groot is. Voorts neemt de rechtbank bij het bepalen van de straf mee dat de delicten op professionele wijze en in goed georganiseerd verband zijn gepleegd. Ten slotte heeft de rechtbank in het nadeel van de verdachte ook rekening gehouden met het feit dat zij blijkens haar Roemeense strafblad eerder is veroordeeld voor diefstallen in Spanje en Groot-Brittannië; deze eerdere veroordelingen hebben er kennelijk niet voor gezorgd dat verdachte de ernst van haar misdaden is gaan inzien.

De rechtbank houdt anderzijds rekening met het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is geschonden. De rechtbank vindt in deze termijnoverschrijding aanleiding een lagere straf op te leggen dan de rechtbank zonder deze verdragsschending zou hebben opgelegd.

De rechtbank volgt de officier van justitie niet in de door haar gevorderde straf, nu de rechtbank de verdachte partieel vrijspreekt van de feiten 1 en 2. Gelet op de ernst van de feiten in samenhang bezien met de strafverzwarende omstandigheden, is de rechtbank wel van oordeel dat enkel een hoge gevangenisstraf recht doet. Om te voorkomen dat de verdachte in herhaling zal treden – welk risico groot is, mede gezien het mobiel banditisme – zal de rechtbank deze straf deels voorwaardelijk opleggen.

De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

8 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

8.1

De vordering van de benadeelde partijen

T.a.v. de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van 150,00 euro aan materiële schade terzake van feit 2.

T.a.v. de benadeelde partij [slachtoffer 7]

C.F. [slachtoffer 7] heeft op 12 januari 2018 een schadeopgaveformulier ingediend namens de erfgenamen van de slachtoffers [slachtoffer 7] en [naam 3] . Hij vordert een schadevergoeding van 922,42 euro aan materiële schade. Dit bedrag zouden de slachtoffers hebben geleden ter zake van feit 2.

Uit de bijlagen bij het formulier blijkt dat [slachtoffer 7] is overleden op

23 oktober 2017 en [naam 3] op 28 mei 2016.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

T.a.v. de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk is in zijn vordering, nu het schadevergoedingsformulier niet volledig is ingevuld.

T.a.v. de benadeelde partij [slachtoffer 7]

De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering benadeelde partij van [slachtoffer 7] .

8.3

Het standpunt van de verdediging

T.a.v. de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk is in zijn vordering nu het schadevergoedingsformulier niet volledig is ingevuld.

T.a.v. de benadeelde partij [slachtoffer 7]

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [slachtoffer 7] niet ontvankelijk is in zijn vordering nu de werkelijke slachtoffers zijn overleden.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

T.a.v. de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Op grond van het bepaalde in artikel 51g lid 1 van het Wetboek van Strafvordering dient opgave van een vordering tot schadevergoeding in eerste aanleg plaats te vinden door middel van het indienen van een door de minister van Veiligheid en Justitie vastgesteld voegingsformulier. Nu de benadeelde partij [slachtoffer 2] dit voegingsformulier onvolledig heeft ingestuurd, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde niet kan worden ontvangen in haar vordering. Zij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij haar vordering enkel aan de civiele rechter kan voorleggen.

T.a.v. de benadeelde partij [slachtoffer 7]

In onderhavige zaak is op 12 januari 2018 een vordering benadeelde partij ingediend door de erven van de dan inmiddels overleden slachtoffers [slachtoffer 7] en [naam 3] .

Artikel 51f lid 1 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat enkel degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich kan voegen als benadeelde partij in het strafproces. Met andere woorden: alleen die personen die zelf zijn getroffen in een belang dat de strafbepaling probeert te beschermen.

Behoudens het geval dat het slachtoffer als gevolg van het strafbare feit is overleden, biedt de wet geen ruimte voor erfgenamen van een slachtoffer om zich zelfstandig te voegen als benadeelde partij. De erfgenamen hebben immers niet zelf rechtstreekse schade geleden.

In het licht van voorgaande stelt de rechtbank vast dat [naam 5] als vertegenwoordiger van de erfgenamen niet bevoegd was om zelfstandig een vordering benadeelde partij in te dienen. Nabestaanden kunnen wel een reeds door het slachtoffer ingediende vordering voortzetten wanneer die in de tussentijd is komen te overlijden, maar hiervan was in casu geen sprake. De rechtbank zal bepalen dat de vordering niet ontvankelijk is en dat de erfgenamen hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest en in detentie in het buitenland ingevolge een Nederlands verzoek om uitlevering of overlevering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partijen

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [naam 5] niet-ontvankelijk is in zijn vordering en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Snijders, voorzitter, mr. M.B. Bax en mr. D. Osmić, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Klompe en mr. A.K. Smits, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 oktober 2018.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 november 2014

tot en met 9 december 2015 op een of meer hierna te noemen plaatsen in het

arrondissement Limburg en/of in het arrondissement Oost-Nederland en/of in het

arrondissement Oost-Brabant en/of in het arrondissement Midden-Nederland en/of

in het arrondissement Zeeland-West-Brabant, althans in Nederland tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen, telkens met het oogmerk

van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen de hierna te noemen

goederen, in elk geval telkens enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

de hierna te noemen rechthebbenden, in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of haar mededader(s):

- op 21 november 2014 in de gemeente Venray, een pinpas, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [naam 4]

(zaak 1) en/of

- op 22 november 2014 te Oeffelt, in de gemeente Boxmeer, een pinpas, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8]

(zaak 2) en/of

- op 22 november 2014 te Millingen aan de Rijn, in de gemeente Berg en Dal,

een pinpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 9] (zaak 3) en/of

- in of omstreeks de periode van 24 november 2014 tot en met 26 november 2014

te Velp, in de gemeente Rheden, een pinpas, in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 10] (zaak 4) en/of

- in of omstreeks de periode van 25 november 2014 tot en met 26 november 2014

in de gemeente Arnhem, een pinpas, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer 6] (zaak 5) en/of

- op 27 november 2014 in de gemeente Roermond, een pinpas, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 11] (zaak 6) en/of

- op 27 november 2014 te Montfort, in de gemeente Roerdalen, een pinpas, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 12] (zaak

7) en/of

- op 29 november 2014 te Stramproy, in de gemeente Weert, een pinpas, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] (zaak

8) en/of

- op 18 september 2015 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, een pinpas,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 13]

(zaak 18) en/of

- op 19 september 2015 te Horst, in de gemeente Horst aan de Maas, een pinpas,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3]

(zaak 19) en/of

- op 22 september 2015 in de gemeente Enschede, een pinpas, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 14] (zaak 20) en/of

- op 9 oktober 2015 te Horst, in de gemeente Horst aan de Maas, een pinpas, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] (zaak

22) en/of

- op 9 oktober 2015 in de gemeente Venray, een pinpas, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] (zaak 23) en/of

- op 27 november 2015 te Stramproy, in de gemeente Weert, een pinpas, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 15]

(zaak 24) en/of

- op 28 november 2015 in de gemeente Werkendam, een pinpas, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7] en/of [naam 3]

(zaak 25) en/of

- op 8 december 2015 in de gemeente Waalre, een pinpas, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 16] (zaak 28) en/of

- 9 december 2015 in de gemeente Vianen, een pinpas, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 17] (zaak 29);

2.

zij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 november 2014

tot en met 9 december 2015 op een of meer hierna te noemen plaatsen in het

arrondissement Limburg en/of in het arrondissement Oost-Nederland en/of in het

arrondissement Oost-Brabant en/of in het arrondissement Zeeland-West-Brabant

en/of in het arrondissement Midden-Nederland, althans in Nederland en/of in

Duitsland en/of in België tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

althans alleen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen de hierna te noemen goederen, in elk geval telkens enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan de hierna te noemen rechthebbenden, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s):

- in of omstreeks de periode van 21 november 2014 tot en met 22 november 2014

in de gemeente Venray en/of te Maasduinen, in de gemeente Gennep, een

hoeveelheid geld (in totaal circa 860 euro), in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [naam 4] (zaak 1) en/of

- op 22 november 2014 te Oeffelt, in de gemeente Boxmeer en/of in de gemeente

Gennep, een hoeveelheid geld (in totaal circa 1100 euro), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8] (zaak 2)

en/of

- op 22 november 2014 te Millingen aan de Rijn, in de gemeente Berg en Dal,

een hoeveelheid geld (in totaal circa 650 euro), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 9] (zaak 3) en/of

- in of omstreeks de periode van 25 november 2014 tot en met 27 november 2014

te Swalmen, in de gemeente Roermond en/of in de gemeente Zevenaar en/of in

de gemeente Arnhem en/of in de gemeente Bunschoten en/of te Marl (Duitsland)

en/of te Emmerich (Duitsland), een hoeveelheid geld (in totaal circa 1798,38

euro) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6]

(zaak 5) en/of

- op 27 november 2014 in de gemeente Roermond, een hoeveelheid geld (in totaal

circa 280 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 11] (zaak 6) en/of

- op 27 november 2014 te Montfort, in de gemeente Roerdalen en/of in de

gemeente Roermond en/of te Krefeld (Duitsland), een hoeveelheid geld (in

totaal circa 1687,90 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 12] (zaak 7) en/of

- in of omstreeks de periode van 29 november 2014 tot en met 1 december 2014

te Stramproy, in de gemeente Weert, althans in Nederland en/of te Marl

(Duitsland) en/of te Gelsenkirchen (Duitsland) en/of te Herten (Duitsland),

althans in Duitsland en/of te Molenbeersel (België), althans in België een

hoeveelheid geld (in totaal circa 5441 euro), in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] (zaak 8) en/of

- op 18 september 2015 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, althans in

Nederland, een hoeveelheid geld (in totaal circa 1200 euro), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 13] (zaak 18) en/of

- in of omstreeks de periode van 19 september 2015 tot en met 21 september

2015 te Horst, in de gemeente Horst aan de Maas en/of in de gemeente Boxmeer

en/of in de gemeente Cuijk en/of te Gelsenkirchen (Duitsland) en/of te Goch

(Duitsland), een hoeveelheid geld (in totaal circa 4503,40 euro), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] (zaak

19) en/of

- op 22 september 2015 in de gemeente Enschede, althans in Nederland, een

hoeveelheid geld (in totaal circa 500 euro), in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 14] (zaak 20) en/of

- op 28 november 2015 in de gemeente Werkendam en/of in de gemeente Eersel

en/of te Meijel, in de gemeente Peel en Maas, althans in Nederland, een

hoeveelheid geld (in totaal circa 922,42 euro), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7] en/of [naam 3]

(zaak 25) en/of

- op 8 december 2015 in de gemeente Eindhoven, een hoeveelheid geld (in totaal

circa 2762,80 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer 16] (zaak 28) en/of

- op 9 december 2015 in de gemeente Vianen, een hoeveelheid geld (in totaal

circa 440 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 17] (zaak 29),

waarbij verdachte en/of haar mededaders telkens dat weg te nemen geld onder

haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel,

bestaande deze valse sleutel telkens uit een pinpas en de daarbij behorende

code.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Districtsrecherche Noord- en Midden-Limburg, proces-verbaalnummer LB1R015082, gesloten d.d. 16 oktober 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 992.

2 Waar in dit vonnis gesproken wordt over de linkerzijde wordt bedoeld: de linkerzijde van de aangevers op het moment dat zij met het gezicht naar de pinautomaat toestaan.

3 Proces-verbaal van aangifte (bijlage 1) d.d. 7 januari 2015, pagina’s 189 en 190 in samenhang bezien met de bijgevoegde afschriften van de Rabobank (bijlage 3) d.d. 27 december 2014 pagina’s 205 t/m 210.

4 Proces-verbaal van bevindingen (bijlage 2) d.d. 10 maart 2016, pagina’s 192 t/m 204 in samenhang bezien met proces-verbaal van aangifte (bijlage 1) d.d. 7 januari 2015, pagina 191 en de bijgevoegde afschriften van de Rabobank (bijlage 3) d.d. 27 december 2014 pagina’s 205 t/m 210.

5 Proces-verbaal van bevindingen (bijlage 2) d.d. 10 maart 2016, pagina 195.

6 De waarneming van de rechtbank ter terechtzitting d.d. 15 oktober 2018.

7 Proces-verbaal van aangifte (bijlage 1) d.d. 2 december 2014, pagina’s 502 en 503.

8 Proces-verbaal van bevindingen (bijlage 2) d.d. 6 oktober 2015, pagina 505 in samenhang bezien met de bijgevoegde afschriften van de Rabobank (bijlage 5) d.d. 1 december 2014, pagina’s 517 en 528.

9 Proces-verbaal fotoblad (bijlage 4), pagina’s 508 t/m 516.

10 Proces-verbaal fotoblad (bijlage 4) (foto 13), pagina 511.

11 De waarneming van de rechtbank ter terechtzitting d.d. 12 januari 2018.

12 De waarneming van de rechtbank ter terechtzitting d.d. 15 oktober 2018.

13 Proces-verbaal van aangifte (bijlage 1) d.d. 22 september 2015, pagina’s 637 en 638 in samenhang bezien met de bijgevoegde afschriften van de Rabobank (bijlage 3) pagina’s 654 t/m 660.

14 Proces-verbaal fotoblad (bijlage 2), pagina’s 641 t/m 648 in combinatie met proces-verbaal ontvangst gevorderde historische gegevens (bijlage 3) d.d. 24 maart 2016, pagina’s 651 en t/m 653.

15 Proces-verbaal fotoblad (bijlage 2) (foto 7, 8 en 9), pagina’s 643 en 644 in combinatie met proces-verbaal ontvangst gevorderde historische gegevens (bijlage 3) d.d. 24 maart 2016, pagina 653.

16 NFI-rapport ‘vergelijking gezichtsbeelden naar aanleiding van pinnen met gestolen bankpassen’ d.d. 26 juli 2018, pagina’s 1 t/m 13.

17 Proces-verbaal van aangifte (bijlage 1) d.d. 9 oktober 2015, pagina’s 769 en 770.

18 Proces-verbaal van bevindingen (bijlage 2) d.d. 27 oktober 2015, pagina’s 773 en 774 in samenhang met proces-verbaal fotoblad (bijlage 3) d.d. 23 november 2015, pagina’s 776 t/m 778.

19 Proces-verbaal van bevindingen (bijlage 2) d.d. 27 oktober 2015, pagina 773.

20 Proces-verbaal fotoblad (bijlage 3) (foto 5 en 6) d.d. 23 november 2015, pagina 777 en de bij het dossier gevoegde DVD ‘Onderzoek namen’ (foto 9 in zaak 22).

21 De waarneming van de rechtbank ter terechtzitting d.d. 15 oktober 2018.

22 Proces-verbaal van aangifte (bijlage 1) d.d. 20 oktober 2015, pagina’s 803 en 804.

23 Proces-verbaal fotoblad (bijlage 2), d.d. 25 december 2015, pagina 807 t/m 811.

24 Proces-verbaal fotoblad (bijlage 2) (foto 10), d.d. 25 december 2015, pagina 811 en de bij het dossier gevoegde DVD ‘Onderzoek namen’ (foto 26 in zaak 23).

25 De waarneming van de rechtbank ter terechtzitting d.d. 15 oktober 2018.

26 Proces-verbaal van aangifte (bijlage 1) d.d. 2 december 2014, pagina’s 373 en 374.

27 De afschriften van de Rabobank (bijlage 4) pagina 390.

28 Proces-verbaal van bevindingen (bijlage 3) d.d. 14 april 2015, pagina’s 378 t/m 389.

29 De waarneming van de rechtbank ter terechtzitting d.d. 12 januari 2018.

30 Proces-verbaal van bevindingen (bijlage 3) d.d. 14 april 2015, pagina 382.

31 De waarneming van de rechtbank ter terechtzitting d.d. 15 oktober 2018.

32 Proces-verbaal van aangifte (bijlage 1) d.d. 1 december 2015, pagina’s 856 en 857.

33 Proces-verbaal van bevindingen, weggenomen bedrag zaak 25 d.d. 7 december 2017. Dit proces-verbaal maakt geen deel uit van het doorgenummerde dossier. In samenhang bezien met proces-verbaal ontvangst gevorderde historische gegevens d.d. 23 maart 2016, pagina’s 862 en 863.

34 Proces-verbaal fotoblad d.d. 25 juni 2016, pagina 858 t/m 861.

35 Proces-verbaal van bevindingen (bijlage 3) (foto 5) d.d. 14 april 2015, pagina 860.

36 De waarneming van de rechtbank ter terechtzitting d.d. 15 oktober 2018.