Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:10170

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-10-2018
Datum publicatie
08-11-2018
Zaaknummer
6846938 CV EXPL 18-2491
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over door woningcorporatie voorgelegde eis tot ontruiming woonruimte c.a. wegens aangetroffen (kleine hoeveelheid) harddrugs in woning huurder.

Buitengerechtelijke ontbinding per 1 maart 2018 vond plaats direct na uitvaardiging bevel Burgemeester Heerlen tot sluiting van het pand voor de duur van een jaar.

Bevel is echter door succesvolle toepassing bestuursrechtelijke rechtsmiddelen niet geëffectueerd, zodat de huurder normaal gebruik van de woning is blijven maken.

Ook strafrechtelijk is huurder op het punt van het harddrugsbezit (laat staan de handel daarin) vrijuit gegaan.

Kantonrechter sluit zich aan bij recentelijk (in de loop van de civiele procedure) afgekomen oordeel van de bestuursrechter, die het gemeentelijke sluitingsbevel vernietigd had.

Ook al overschreed de hoeveelheid aangetroffen drugs in termen van de Opiumwet de toelaatbare grens voor privégebruik, iedere aanwijzing dat die drugs met een handelsoogmerk bewaard waren, ontbrak.

De woningcorporatie had in het geval van deze huurder dus kunnen volstaan met een waarschuwing.

Ontbinding en ontruiming moeten beschouwd worden als een te ver gaande stap.

De vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 6846938 CV EXPL 18-2491

Vonnis van de kantonrechter van 24 oktober 2018 (bij vervroeging)

in de zaak

STICHTING WOONPUNT

statutair gevestigd en kantoor houdend in Maastricht

verder ook aan te duiden als “Woonpunt”

eisende partij

gemachtigde mr. J.M.H. van den Mosselaar, advocaat in Best

tegen

[gedaagde]

(voorheen) wonend in [woonplaats] aan [adres]

verder ook aan te duiden als “ [gedaagde] ”

gedaagde partij

gemachtigde mr. S. Ikiz, advocaat in Vaals

1 De procedure

Woonpunt heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 11 april 2018 in rechte betrokken voor een vordering als omschreven in het exploot van dagvaarding. Tegelijk daarmee zijn aan [gedaagde] zes producties betekend waarnaar in het exploot verwezen wordt.

[gedaagde] heeft - na gevraagd en verkregen uitstel - op 23 mei 2018 schriftelijk geantwoord onder verwijzing naar een bijgevoegde voorlopige uitspraak van de bestuursrechter.

Vervolgens heeft Woonpunt op 27 juni 2018 gerepliceerd en tevens haar eis aangevuld en/of gewijzigd (ook naar onderbouwing en belang).

Op 22 augustus 2018 heeft [gedaagde] (na herhaald uitstel) voor dupliek geconcludeerd onder toevoeging van de producties 2, 3 en 4.

Op deze nadere producties heeft Woonpunt bij akte d.d. 26 september 2018 gereageerd.

Hierna is vonnis bepaald. De uitspraak is - bij vervroeging - op vandaag gesteld.

2 Het geschil

2.1

Woonpunt vorderde aanvankelijk naast een verklaring van recht omtrent het ontbonden zijn van de huurovereenkomst en (een bevel tot) ontruiming van de bij die overeenkomst aan [gedaagde] verhuurde woonruimte de veroordeling van [gedaagde] - alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling aan haar van een jaarbedrag van € 6 716,69 aan (vervallen en/of nog te vervallen) huur plus eventuele toekomstige huurtermijnen naar een maandelijks bedrag van € 561,32, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de datum van betaling, onder verwijzing van [gedaagde] in de te liquideren proceskosten en in de nadere uitvoeringskosten bij executie van een veroordelend vonnis.

Bij repliek heeft Woonpunt hier een subsidiaire eis aan toegevoegd die gebaseerd is op het door [gedaagde] betrokken uitgangspunt dat buitengerechtelijke ontbinding op de loutere grind van bestuursrechtelijke sluiting van het pand niet mogelijk was. Voor het geval de kantonrechter [gedaagde] hierin volgt, wenst Woonpunt alsnog ontbinding van de overeenkomst en een daaraan te verbinden bevel tot ontruiming met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van gederfde of nog te derven huur voor de periode van feitelijke sluiting in de maanden februari, maart en april 2018 (totaal € 1 110,66) en voor de tijd tussen ontbinding en ontruiming (€ 561,32 per maand), alles te vermeerderen met wettelijke rente vanaf datum opeisbaarheid.

2.2

De vorderingen zijn door Woonpunt op de volgende feitelijke omstandigheden en/of stellingen gebaseerd. Wegens de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs in de door [gedaagde] sedert 16 maart 2016 van Woonpunt gehuurde woning in [woonplaats] is de burgemeester van Heerlen bij besluit van 30 januari 2018 overgegaan tot sluiting van het pand voor de periode 7 februari 2018 tot en met 6 februari 2019. In het verlengde hiervan heeft Woonpunt via haar gemachtigde aan [gedaagde] per aangetekende brief d.d. 1 maart 2018 doen weten tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst besloten te hebben onder aanspraak op een schadevergoeding voor de duur van de sluiting (twaalf maanden huur) bij een huurprijs van € 557,32 per maand tot 1 juli 2018 (en € 561,32 na die datum). De aansprakelijkheid van [gedaagde] grondt Woonpunt op art. 6:162 BW en zij zet uiteen waarom in casu voldaan wordt aan de verschillende elementen voor de verhaalbaarheid van de door haar geleden en nog te lijden schade op [gedaagde] . Ook haar belang bij zowel de financiële claim als haar aanspraak op ontbinding en ontruiming is benadrukt. Woonpunt bestrijdt de hiertegen buiten en in rechte ingebrachte argumentatie van [gedaagde] .

2.3

In voortgezet debat heeft Woonpunt zich gekeerd tegen de bij antwoord ingebrachte stellingen en verweren. In het bijzonder doet zij opmerken dat er ondanks het overgelegde schorsingsbesluit van de bestuursrechter wel degelijk sprake was van feitelijke sluiting van de woning op het moment dat zij tot buitengerechtelijke ontbinding overging. Het besluit van de burgemeester is pas per 18 april 2018 geschorst. Slechts ten overvloede heeft Woonpunt haar eis aangevuld met een subsidiaire vordering en de daarvoor onderbouwende feiten en rechtsgronden genoemd voor het geval de kantonrechter haar visie niet mocht delen. De gedragingen van [gedaagde] in strijd met de Opiumwet waren immers zodanig dat deze ook een reguliere ontbinding wegens grove wanprestatie rechtvaardigen. Vaste rechtspraak in huurzaken dienaangaande is voor [gedaagde] en diens met goed huurderschap strijdige handelen onverbiddelijk. De in zijn woning aangetroffen harddrugs (ook al behoorden die in zijn visie aan anderen toe) komen voor zijn risico, omdat zij zich daar op zijn minst met zijn goedvinden bevonden. Woonpunt hanteert, net als alle andere woningcorporaties, in zaken als deze een strikt beleid in het belang van het woongenot van haar huurders en van een voor hen leefbare en veilige woonomgeving.

2.4

Ten aanzien van de nadere producties die [gedaagde] op de valreep inbracht, heeft Woonpunt nog naar voren gebracht dat eventueel ontbreken van stafrechtelijke en/of bestuursrechtelijke aansprakelijkheid (op een beperkt aantal onderdelen van de tenlastelegging in de strafzaak) onvoldoende afdoet aan het bestaan van een civielrechtelijke aansprakelijkheid. Overeind blijft hoe dan ook dat in de woning van [gedaagde] vijf xtc-tabletten en 0,9 gram mdma-tabletten aangetroffen zijn en dat hij daarmee ten opzichte van Woonpunt schromelijk tekortgeschoten is.

2.5

Het verweer bij antwoord strekte ertoe te betogen dat het allemaal minder ernstig is dan Woonpunt het voorstelt. De woning is door de burgemeester weliswaar aanvankelijk voor twaalf maanden gesloten, maar door ingrijpen van de voorzieningenrechter in Roermond is diens besluit op 18 april 2018 geschorst. Een beslissing op het bezwaar die aan de schorsing een einde zou kunnen maken, was tot dan toe niet genomen. In de visie van [gedaagde] komt dat er op neer dat er geen sprake ‘is’ van een ‘feitelijke sluiting van de woning’, zodat Woonpunt niet bevoegd ‘is’ tot buitengerechtelijke ontbinding, zodat, zolang de kantonrechter niet gesproken heeft, de huurovereenkomst voortduurt. Omdat Woonpunt naliet zich bij exploot subsidiair te beroepen op een tekortkoming die een alsnog uit te spreken ontbinding zou moeten rechtvaardigen, moet de vordering aan haar ontzegd worden.

2.6

[gedaagde] heeft zich in voortgezet debat uitdrukkelijk verzet tegen de aanvulling van de vordering en de daaraan nader ten grondslag gelegde feiten, redeneringen en overwegingen. Verder dient bedacht te worden dat de woning nooit feitelijk op slot gegaan is, noch voor [gedaagde] ontoegankelijk gemaakt is. Daarmee heeft de burgemeester gewacht tot de voorzieningenrechter zich uitgesproken had (zoals hij gewoon is te doen).

Nader heeft [gedaagde] bij dupliek nog het volgende naar voren gebracht. In de tegen hem gevoerde strafzaak is [gedaagde] op 8 mei 2018 ter zake van de te laste gelegde feiten 5 en 6 (energiediefstal en bezit van xtc-pillen en mdma-kristallen) bij gebrek aan bewijs vrijgesproken. Hij verwijst hiervoor naar een slechts zeer ten dele overgelegde en op onderdelen onleesbaar gemaakte uitspraak van de meervoudige kamer van de Rechtbank Limburg van die datum (prod.2). Bovendien heeft ook de voorzieningenrechter in de bestuursrechtelijke zaak zich nader uitgesproken op 10 augustus 2018: de burgemeester was niet bevoegd toepassing te geven aan art. 13b Opiumwet (prod.3). [gedaagde] houdt vol dat er nimmer sprake geweest is van in de woning aanwezige drugs en als die er al waren, dat het niet ging om de hoeveelheid waarvan in de politierapportage d.d. 10 januari 2018 sprake was. Het is aan Woonpunt te bewijzen dat deze drugs in die (handels)hoeveelheid aanwezig waren ten tijde van het onderzoek, nu de stukken daar onvoldoende duidelijkheid over verschaffen (zoals ook de strafrechter en de bestuursrechter in hun oordelen verdisconteerden). Enige indicatie dat er vanuit de woning van [gedaagde] in drugs gehandeld werd, ontbreekt ten enenmale. Als de kantonrechter al aan toetsing van het huurdersgedrag in het licht van de betwiste subsidiaire grondslag toekomt, dient te worden overwogen dat [gedaagde] zich als goed huurder gedragen heeft en alle belang heeft bij continuering van zijn woonrecht. Hij heeft de bewoning sinds het aantreffen van de geringe hoeveelheid middelen op 6 (10?) januari 2018 onverkort gecontinueerd en betaalt steeds netjes de huur. Een eventuele tekortkoming is te gering om de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Enige achterstand in de betaling van de huur is er niet. Afwijzing van de vordering is de enige passende uitkomst. Woonpunt dient verwezen te worden in de proceskosten en de nakosten.

2.7

Waar nuttig en nodig zullen specifiekere en/of meer in detail tredende stellingen van partijen aan de orde komen en gewogen worden in het volgende onderdeel van deze uitspraak (‘de beoordeling’).

3 De beoordeling

3.1

Blijkens de door [gedaagde] ingebrachte oordelen van de bestuursrechter (dat van 18 april 2018, prod.1, en dat van 10 augustus 2018, prod.3) en van de strafrechter d.d. 8 mei 2018 (prod.2) in de hem betreffende zaken, althans waar het de hier spelende hoofdkwesties van aanwezigheid van drugs in de huurwoning en eventuele verduistering of ‘diefstal’ van elektriciteit betreft, lijdt het politieonderzoek dat aan de basis van deze tegen [gedaagde] gerichte beschuldigingen ligt, aan ernstige gebreken. Tekortkomingen die zich ook wreken in deze civielrechtelijke procedure. Woonpunt koerst immers blindelings op het door de politie uitgezette kompas waar het gaat om de aanwezigheid van een bepaalde hoeveelheid drugs in de woning van [gedaagde] en/of om aanwijzingen dat sprake is of kan zijn van het gebruik van de woning voor handelsdoeleinden op dat terrein. Anders dan Woonpunt steeds benadrukt, heeft een dergelijk gebrek aan onderzoek en bewijsgaring in het voortraject wel degelijk effect op de wederzijdse posities in deze civielrechtelijke botsing van opinies.

3.2

Om te beginnen is het besluit van Woonpunt om zonder meer af te gaan op de beslissing van de (toenmalige) burgemeester van Heerlen d.d. 30 januari 2018 om een bevel tot sluiting van de woning te doen uitgaan, kwetsbaar gebleken. Het bevel de woning van de om een geheel andere reden (aanhouding ter zake van bedreiging) per 9 januari 2018 gedetineerde [gedaagde] voor een jaar te sluiten, berustte op het resultaat van een huiszoeking d.d. 10 januari 2018. De feitelijke voltrekking heeft echter (onbetwist) nooit plaatsgevonden. In eerste instantie is de schorsingsprocedure bij de voorzieningenrechter afgewacht, die voor [gedaagde] op 18 april 2018 positief uitpakte. Vervolgens is op 10 augustus 2018 door de bestuursrechter het tegen het sluitingsbesluit ingestelde beroep gegrond verklaard en is het besluit van de burgemeester vernietigd. Dat besluit kan dus niet meer de basis leveren voor een buitengerechtelijke ontbinding die op zichzelf al dubieus was omdat het nimmer tot feitelijke sluiting van de litigieuze woning gekomen is. Art. 7:231 lid 2 BW gaat - blijkens de tekst én de wetsgeschiedenis - uit van een ontbindingsbevoegdheid in een situatie van daadwerkelijk ‘gesloten zijn’. De vraag die alsdan resteert, is of Woonpunt in de aldus ontstane situatie kan terugvallen op de bij repliek opgetrokken subsidiaire ‘verdedigingswal’.

3.3

In beginsel staat het de eisende partij vrij haar vordering bij repliek te vermeerderen en/of te wijzigen als dit de procesorde, gelijke proceskansen en voortgang van het geding niet heel ernstig in gevaar brengt. Van een dergelijke uitzondering is hier geen sprake, wat [gedaagde] te dien aanzien ook aan tegengestelde opvatting naar voren meent te moeten brengen. [gedaagde] heeft zich tegen de aanvulling van de eis met een subsidiaire stellingname naar behoren kunnen verweren en de kantonrechter zal deze wijziging dan ook in zijn oordeel betrekken.

3.4

Om dezelfde (of een daarbij sterk in de buurt komende) reden die de primaire eis doet sneuvelen, moet Woonpunt echter in het ongelijk gesteld worden waar zij haar toevlucht neemt tot een subsidiair veel breder gemotiveerde ontbindingsgrond die niet terugwerkt tot het moment van het sluitingsbevel. Volgens Woonpunt heeft [gedaagde] met de vastgestelde gedragingen in zodanige mate laakbaar huurderschap aan de dag gelegd, dat dit ontbinding van de huurovereenkomst alsnog rechtvaardigt. Er zijn in de woning van [gedaagde] bij die huiszoeking, die - onbetwist - niet gericht was op drugshandel noch op het vermoeden van aanwezigheid van drugs in handelshoeveelheden, weliswaar verdachte stoffen aangetroffen, maar het is ten zeerste de vraag of op de beschikbare rapportage blindgevaren kan worden. Met het gevonden materiaal, zo blijkt uit de uitspraken van zowel de strafrechter als de bestuursrechter, is uiterst onzorgvuldig omgesprongen. Ook de begeleidende al dan niet bezwarende omstandigheden zijn veel te gebrekkig onderzocht. Die tekortkomingen in het onderzoek hebben geleid tot vrijspraak ter zake van de verdenking dat [gedaagde] zich schuldig maakte aan verduistering van energie en van het ten laste gelegde feit van het in bezit hebben van een relevante hoeveelheid xtc-pillen en mdma-kristallen. De meervoudige strafkamer had immers vastgesteld (prod.2 bij dupliek) dat ten aanzien van de geringe hoeveelheid bij de huiszoeking aangetroffen pillen en kristallen niet het vereiste onderzoek van het NFI (Nederlands Forensisch Instituut) naar de werkelijke aard en samenstelling plaatsgevonden had. Een indicatieve test van de kant van de politie werd voor een veroordeling onvoldoende geacht en de kantonrechter is geneigd zich achter dit oordeel scharen. Woonpunt laat immers na gericht en specifiek bewijs aan te bieden dat het desondanks gegaan is om xtc-pillen en om mdma-kristallen in het aantal respectievelijk van het gewicht dat het politieonderzoek noemde. Maar ook zonder die strenge lijn te volgen die nu eenmaal voor strafrechtelijk bewijs noodzakelijk is, moet het beroep van Woonpunt op de beslissende waarde van de beschikbare resultaten van de bewuste huiszoeking voor het aannemen van civielrechtelijk bewijs van ontoelaatbaar huurdersgedrag verworpen worden.

3.5

Daarvoor vindt de kantonrechter steun in de redenering van de bestuursrechter in de uitspraak van 10 augustus 2018. Daarin wordt de indicatieve politietest van de pillen op kleurreactie voldoende geacht. Ook het feit dat bij die test slechts twee pillen onderzocht waren, stond er in de ogen van de bestuursrechter niet aan in de weg om het resultaat toe te passen op alle vijf pillen. Het ontbreken van weegresultaten voor de 0,9 gram mdma vormde tot slot geen belemmering om er van uit te gaan dat die hoeveelheid in de woning op de dag van de huiszoeking aanwezig was. Voor de bestuursrechter leidde die (voorwaardelijke) vaststelling tot de gevolgtrekking dat er - in het kader van de te beoordelen kwestie - onvoldoende reden was om te twijfelen aan de juistheid van de constateringen van politiezijde. Maar in weerwil van deze overwegingen werd het vergrijp niet gekwalificeerd als een zodanig ernstige schending van het in de Opiumwet geregelde verbod op het in bezit hebben van harddrugs, dat de bestuursrechtelijke maatregel van sluiting van het woonpand gerechtvaardigd was. Het ging immers al met al om een geringe overschrijding van de grens van 0,5 gram die bezit voor eigen gebruik markeert. [gedaagde] heeft blijkens de uitspraak ter zitting van de bestuursrechter zulk eigen gebruik in een eigen verklaring afdoende toegelicht. Daartegenover heeft de gemeente Heerlen ter zitting van de bestuursrechter op 27 juli 2018 nagelaten feiten en omstandigheden aan te voeren die desondanks zouden kunnen wijzen op een bestemming van deze harddrugs voor verkoop, aflevering en verstrekking aan derden.

3.6

Net als de gemeente Heerlen beroept ook Woonpunt zich louter op de aangetroffen hoeveelheid harddrugs in een omvang die de maximumgrens (voor ‘eigen gebruik’) overschrijdt die de Opiumwet stelt. Waar zulk nalaten van verdere argumentatie in de bestuursrechtelijke procedure moest leiden tot vernietiging van het tijdelijke sluitingsbevel, kan het niet anders dan dat het door Woonpunt onbewezen laten van enig handelsoogmerk bij het onderhavige bezit van een geringe hoeveelheid harddrugs, de nog veel verdergaande definitieve ontbinding van de huurovereenkomst al helemaal niet kan bewerkstelligen. Woonpunt heeft niet alleen veel te weinig gesteld met betrekking tot de bestemming van de harddrugs in de woning van [gedaagde] en de begeleidende omstandigheden die op drugshandel zouden wijzen, maar ook geen naar onderwerp en middelen gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Daarom moet - gelet op de bijzondere aard en de betrekkelijk geringe betekenis van de gedraging (een lichte overschrijding van een voor de Opiumwet kritieke grens) - ontbinding van de huurovereenkomst met haar ingrijpende gevolgen als een veel te zwaar middel aangemerkt worden om deze tekortkoming te redresseren. Woonpunt had met een fikse waarschuwing aan het adres van de huurder kunnen volstaan. De vordering in zowel de primaire als de subsidiaire gedaante wordt afgewezen. Het ongelijk van Woonpunt vertaalt zich uiteraard in een proceskostenveroordeling. Woonpunt wordt veroordeeld de eigen kosten te dragen, maar ook aan [gedaagde] een bedrag van € 500,00 aan gemachtigdesalaris te vergoeden (te weten twee procespunten van € 250,00). Dit onderdeel van de beslissing kan niet uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad omdat daar van de kant van [gedaagde] niet om gevraagd is.

4 De beslissing

De kantonrechter komt tot het navolgende oordeel:

- De vorderingen van Woonpunt worden afgewezen.

- Woonpunt wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis bepaald op een totaalbedrag van € 500,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: HS