Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:10045

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-10-2018
Datum publicatie
26-11-2018
Zaaknummer
7061982/OV/18-52 22102018
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever dient een verzoek in tot vervangende toestemming voor het nemen van het besluit tot invoering (wijziging) van een (de) winstdelingsregeling (artikel 27 WOR). De OR heeft haar instemming met het door de werkgever gedane voorstel geweigerd. Is er sprake van een dwingende volgorde: overleg met de vakvereniging/werkgeversvereniging – instemming OR? Nee, geen dwingende volgorde. De huidige winstdelingsregeling bestaat uit een vast percentage van 3% en een variabel percentage van 5%. De ondernemingsraad beroept zich erop dat de maximale winstdeling al 30 jaar of langer zonder meer wordt uitgekeerd en daarmee een verworven recht geworden is, gelijk te stellen met een arbeidsvoorwaarde. De kantonrechter deelt dit standpunt van de OR niet. Er is kennelijk op gezette tijden een relatie gemaakt tussen de winstuitkering (variabele percentage) en de resultaten van het voorafgaande jaar. Er is dus met de medewerkers gecommuniceerd dat deze 5% geen automatisme is. Naar het oordeel van de kantonrechter is het daarmee geen afdwingbare arbeidsvoorwaarde geworden. Dat er mogelijk niet ieder jaar opnieuw een verband met de resultaten gelegd is maakt niet dat het verband daarmee is komen te vervallen. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat het maximale percentage ook is uitgekeerd over jaren dat de resultaten eigenlijk onvoldoende waren. Vastgesteld wordt dat er voor de ondernemingsraad geen redelijke grond is om niet met het door de werkgever gedane voorstel in te stemmen. Het verzoek van de werkgever wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2019/26
AR-Updates.nl 2018-1345
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 7061982 \ OV VERZ 18-52

Beschikking van de kantonrechter van 22 oktober 2018

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WEIR MINERALS NETHERLANDS BV,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te 5928 PH Venlo aan de Egtenrayseweg 9,

verzoekende partij,

gemachtigde mr. R.J.C. Brouwer,

tegen:

DE ONDERNEMINGSRAAD VAN WEIR MINERALS NETHERLANDS BV,

domicilie hebbende te Venlo, ten bedrijve van verzoekende partij,

verwerende partij,

gemachtigde mr. Y.J.P. Janssen.

Partijen zullen hierna Weir en de ondernemingsraad worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 12 juli 2018 ter griffie ontvangen verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de mondelinge behandeling d.d. 8 oktober 2018

1.2.

Daarna is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

De organisatie van Weir maakt deelt uit van het mondiale concern Weir Minerals, binnen welk concern circa 14.000 (ter zitting werd gesteld 16.000) personen werkzaam zijn. Binnen de organisatie in Nederland waarvoor de ondernemingsraad is ingesteld zijn circa 360 personen werkzaam.

2.2.

Binnen Weir bestaat een winstdelingsregeling die bestaat uit een vaste component van 3%, te berekenen over het salaris van de individuele medewerker, uit te keren in de maand april van het jaar volgend op het jaar waarover de winstuitkering wordt gedaan. Verder kent de winstdelingsregeling een variabel deel ten bedrag van maximaal 5% van het inkomen van de individuele medewerker, uit te keren in de maand november van het jaar volgend op het jaar waarop de winstdeling betrekking heeft, welk deel afhankelijk is van het behaalde resultaat.

2.3.

Het huidig gehanteerde winstdelingssysteem is circa dertig jaar oud. Ondertussen is de onderneming van Weir van eigenaresse veranderd, is het bedrijf gegroeid van ongeveer 130 medewerkers in Venlo in 1990 naar ongeveer 360 in 2018 en is de omzet van de Nederlandse de organisatie ongeveer verviervoudigd.

2.4.

Weir heeft gedurende een zeer lange periode steeds, met uitzondering van 1989, de variabele uitkering tot het maximum van 5% uitgekeerd.

2.5.

Op 26 april 2018 heeft Weir een verzoek tot instemming OR met het aanpassen van de winstdelingsregeling bij de ondernemingsraad ingediend. De ondernemingsraad heeft de instemming geweigerd.

3 Het geschil

3.1.

Weir verzoekt aan haar ex artikel 27 Wet op de Ondernemingsraden toestemming te verlenen het besluit tot invoering van een winstdelingsregeling, zoals verwoord en geformuleerd in het instemmingsverzoek van 26 april 2018, te nemen.

3.2.

Weir stelt zich op het standpunt dat de ondernemingsraad zich onredelijk opstelt door de instemming te weigeren. Weir beschikt over zwaarwegende bedrijfsorganisatorische c.q. bedrijfssociale redenen die rechtvaardigen dat na decennia, een wijziging wordt doorgevoerd van het systeem van winstdeling.

3.3.

De ondernemingsraad heeft verweer gevoerd. Allereerst verwijst de ondernemingsraad naar artikel 2.4 van het handboek met aanvullende arbeidsvoorwaarden en artikel 9.4 van de cao Metalelektro 2016-2018. Hierin is bepaald dat eerst overleg met de vakvereniging en werkgeversvereniging dient plaats te vinden over een wijziging van de winstdelingsregeling. Dit is niet gebeurd.

Daarnaast stelt de ondernemingsraad zich op het standpunt dat de winstdeling van 8% een verworven recht is en er geen sprake is van zwaarwegende belangen aan de zijde van Weit die nopen tot een wijziging.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Als eerste punt om tot afwijzing te komen beroept de ondernemingsraad zich op het verplichte overleg met de vakbonden en de werkgeversorganisatie zoals is voorgeschreven in artikel 2.4 van het eigen handboek van Weir minerals en artikel 9.4 van de cao Metalektro 2016/2018. In beide regelingen staat opgenomen dat wijziging in de geldende winstdelingsregeling slechts kan na overleg met de vakvereniging en de werkgeversvereniging en met instemming van de ondernemingsraad. De ondernemingsraad wijst erop dat hieruit volgt dat eerst met de vakvereniging overlegd moet worden en vervolgens instemming aan de ondernemingsraad gevraagd moet worden. Nu Weir deze volgorde niet heeft aangehouden dient het verzoek al om deze reden te worden afgewezen.

Weir betwist dit.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan uit de aangehaalde artikelen niet een dwingende volgorde van overleg gelezen worden. Uit deze artikelen blijkt dat zowel de vakvereniging als de werkgeversvereniging als de ondernemingsraad een rol hebben in een wijzigingsvoorstel. Met Weir is de kantonrechter van oordeel dat aan haar de vrijheid toekomt om te bepalen met wie zij als eerste in overleg treedt. Indien de door de ondernemingsraad voorgestelde volgorde zou worden aangehouden zou dat betekenen dat de ondernemer met de vakvereniging een overleg aan het voeren is over een winstdelingsregeling zonder daarover eerst met de ondernemingsraad gesproken te hebben. Dat komt de kantonrechter niet logisch en ook niet gewenst voor.

Dit verweer kan dan ook niet tot afwijzing leiden.

4.2.

De ondernemingsraad beroept zich vervolgens erop dat de 5% winstdeling al 30 jaar of langer zonder meer wordt uitgekeerd en daarmee een verworven recht geworden is, gelijk te stellen met een arbeidsvoorwaarde.

Hiervoor is het van belang om vast te stellen of deze uitkering al die jaren inderdaad ongeclausuleerd is gedaan. Ter zitting is door de ondernemingsraad verklaard dat de uitkering in/over 1988 (1989) niet is gedaan vanwege de slechte resultaten van dat jaar. Verder bevestigt de ondernemingsraad dat op gezette tijden tijdens de kantinebijeenkomst in maart, het zogenaamde fotomoment, en ook wel eens tijdens een nieuwjaarsbijeenkomst is gezegd dat het weer een goed jaar is geweest en dat de winstdeling weer tot het volle percentage zal worden uitgekeerd. Verder staat in het, door de ondernemingsraad goedgekeurde, handboek in de regeling met zoveel woorden dat de 5% een variabel gedeelte is. Ook staat niet ter discussie dat in 2014 en 2016 een mededeling (productie 6) is gedaan waarbij nadrukkelijk wordt gerefereerd aan de bedrijfsresultaten van het voorgaande jaar. Dan wordt de uitkering nog in twee fasen gedaan; 3% in april en (maximaal) 5% in november, niet ineens 8%.

Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit dit alles dat niet gezegd kan worden dat het 5%-gedeelte van de winstuitkering altijd automatisch en zonder enige vorm van toelichting is uitgekeerd. Er is kennelijk wel degelijk op gezette tijden een relatie gemaakt tussen de winstuitkering en de resultaten van het voorafgaande jaar. Dat betekent dat met de medewerkers gecommuniceerd is dat deze 5% geen automatisme is en naar het oordeel van de kantonrechter is het daarmee geen afdwingbare arbeidsvoorwaarde geworden. Dat er mogelijk niet ieder jaar opnieuw een verband met de resultaten gelegd is maakt niet dat het verband daarmee is komen te vervallen.

4.3.

Overwogen wordt daarnaast dat het bovendien een ongewenste situatie zou zijn wanneer de werkgever zo nu en dan geen of een lagere winstdeling toekent teneinde te voorkomen dat de regeling een afdwingbare arbeidsvoorwaarde wordt.

4.4.

Een automatisme zou overigens inhouden dat de 5% eveneens wordt uitgekeerd wanneer het slechter is gegaan en waarin er eigenlijk geen recht op de volle uitkering zou bestaan. De ondernemingsraad heeft dit niet aangevoerd en dit blijkt ook nergens uit. Onweersproken is door Weir gesteld dat alle jaren er daadwerkelijk recht op de uitkering van de volle 5% bestond.

4.5.

Op grond van vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat er geen sprake van een arbeidsvoorwaarde is.

4.6.

Voor Weir is de toepassing van de Ebita-norm een belangrijk onderdeel van het instemmingsverzoek en de voorgestelde verandering. De ondernemingsraad heeft de toepassing van de Ebita‑norm wel besproken maar heeft deze niet als onaanvaardbaar afgewezen.

4.7.

Dit zo zijnde is er weinig verschil tussen de oude en de nieuwe regeling. Er was en is een vaste component van 3% en een resultaatsafhankelijke variabele component van maximaal 5%. In de nieuwe regeling komt daar dan nog bovenop de 2% voor het behalen van de persoonlijke doelstellingen en is de Ebita-norm van toepassing, waartegen, zoals hiervoor overwogen is, de ondernemingsraad geen, althans geen deugdelijk onderbouwde bezwaren heeft.

Met betrekking tot de 2% heeft de ondernemingsraad gesteld dat deze persoonlijke doelstellingen en de gewichten van de diverse beoordelingsfactoren nog nader helemaal uitgewerkt zullen moeten worden. Verder heeft zij verklaard geen bezwaar te hebben tegen het toevoegen van deze nieuwe component aan de winstdelingsregeling, getuige productie 4 onder 4 bij verzoekschrift.

4.8.

Op grond van al het voorgaande kan worden vastgesteld dat er voor de ondernemingsraad geen redelijke grond is om niet met het voorstel in te stemmen. Waarbij doorslaggevend is dat de 5% winstuitkering geen arbeidsvoorwaarde is en de toepassing van de Ebita-norm voor de ondernemingsraad niet tot onoverkomelijke bezwaren leidt. Formeel is de weigering van de ondernemingsraad om instemming te verlenen dan ook als onredelijk in de zin van artikel 27 lid 4 van de WOR te kwalificeren.

4.9.

Gelet op het voorgaande zal het verzoek van Weir worden toegewezen.

4.10.

Gelet op artikel 22a WOR kan de ondernemingsraad niet in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van Weir dienen daarom voor haar eigen rekening te blijven.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verleent toestemming het besluit tot invoering van een winstdelingsregeling, zoals verwoord en geformuleerd in het instemmingsverzoek aan de ondernemingsraad d.d. 26 april 2018, te nemen,

5.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.

type: ksf

coll: em