Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:9855

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
04 5851770/CV 17-2887
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:3100, Overig
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurovereenkomst; nakoming overeenkomst tot tussentijdse beëindiging van de huurovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5851770 \ CV EXPL 17-2887

Vonnis van de kantonrechter van 11 oktober 2017

in de zaak van:

1 [eisende partij 1 in conventie, verweerder 1 in reconventie] ,
wonend [adres eisende partij 1 in conventie, verweerder 1 in reconventie] ,
[woonplaats eisende partij 1 in conventie, verweerder 1 in reconventie] ,

2. [eisende partij 2 in conventie, verweerder 2 in reconventie],
wonend [adres eisende partij 2 in conventie, verweerder 2 in reconventie] ,
[woonplaats eisende partij 2 in conventie, verweerder 2 in reconventie] ,

eisende partij in conventie, verweerder in reconventie,

gemachtigde mr. M.H.P. de Wit,

tegen:

de stichting STICHTING VOOR PRIMAIR ONDERWIJS REGIO HELDEN,

gevestigd te Panningen,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,

gemachtigde mr. K.G.J. Boddaert.

Partijen zullen hierna [eisende partij 1 in conventie, verweerder 1 in reconventie] en [eisende partij 2 in conventie, verweerder 2 in reconventie] en Prisma genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de beslissing waarbij een comparitie van partijen is bepaald

  • -

    de op 29 augustus 2017 gehouden comparitie van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen de rechtsvoorganger van [eisende partij 1 in conventie, verweerder 1 in reconventie] en [eisende partij 2 in conventie, verweerder 2 in reconventie] en Prisma is op 20 februari 2013 een huurovereenkomst gesloten betreffende de bedrijfsruimte aan de [adres en plaats bedrijfsruimte] voor de duur van vijf jaar. Partijen hebben onderhandeld over het openbreken van deze huurovereenkomst. Prisma heeft een deel van het gehuurde onderverhuurd aan mevrouw [X] en aan de EHBO vereniging. Partijen hebben op 28 juli 2016 afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in het document "Besproken en voorgestelde afkoopregeling d.d. 28-07-2016 om te komen tot een afhandeling van het lopende geschil" (productie 17 bij dagvaarding). [eisende partij 1 in conventie, verweerder 1 in reconventie] en [eisende partij 2 in conventie, verweerder 2 in reconventie] hebben de regeling bij e-mail bericht van 3 januari 2017 ontbonden vanwege het niet nakomen door Prisma van de verplichtingen voortvloeiende uit de regeling (productie 20 bij dagvaarding). Prisma heeft de huur opgezegd tegen 28 februari 2018.

3 Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.

[eisende partij 1 in conventie, verweerder 1 in reconventie] en [eisende partij 2 in conventie, verweerder 2 in reconventie] vorderen – samengevat –

primair:

voor recht te verklaren dat zij de regeling van 28 juli 2016 rechtsgeldig hebben ontbonden;

voor recht te verklaren dat de huurovereenkomst duurt voor een periode van 10 jaar dus tot en met 28 februari 2023;

met veroordeling van Prisma tot volledige en tijdige nakoming van alle verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst tot en met in ieder geval 28 februari 2023;

subsidiair:

de tussen partijen op 28 juli 2016 afgesproken regeling te ontbinden;

voor recht te verklaren dat de huurovereenkomst duurt voor een periode van 10 jaar dus tot en met 28 februari 2023;

met veroordeling van Prisma tot volledige en tijdige nakoming van alle verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst tot en met in ieder geval 28 februari 2023;

primair en subsidiair:

Prisma te veroordelen tot betaling aan [eisende partij 1 in conventie, verweerder 1 in reconventie] en [eisende partij 2 in conventie, verweerder 2 in reconventie] van de contractueel verschuldigde boete en veroordeling van Prisma in de proceskosten.

[eisende partij 1 in conventie, verweerder 1 in reconventie] en [eisende partij 2 in conventie, verweerder 2 in reconventie] voeren verweer tegen de vordering in reconventie.

3.2.

Prisma vordert – samengevat – en voor het geval de vordering in conventie mocht worden toegewezen veroordeling van [eisende partij 1 in conventie, verweerder 1 in reconventie] en [eisende partij 2 in conventie, verweerder 2 in reconventie] tot betaling van € 8.255,09, vermeerderd met rente en kosten. [eisende partij 1 in conventie, verweerder 1 in reconventie] en [eisende partij 2 in conventie, verweerder 2 in reconventie] voeren verweer tegen de vordering in conventie.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

in conventie

4.1.

[eisende partij 1 in conventie, verweerder 1 in reconventie] en [eisende partij 2 in conventie, verweerder 2 in reconventie] stellen dat de regeling van 28 juli 2016 een intentie tot het sluiten van een regeling betrof. Dit blijkt volgens [eisende partij 1 in conventie, verweerder 1 in reconventie] en [eisende partij 2 in conventie, verweerder 2 in reconventie] uit de laatste regel van deze regeling waarin staat dat de regeling nog in een definitieve vaststellingsovereenkomst wordt uitgewerkt. Prima betwist dit standpunt en stelt dat er geen schriftelijkheids vereiste bestaat voor een vaststellingsovereenkomst.

4.2.

De kantonrechter stelt vast dat de inhoud van het op 28 juli 2016 opgemaakte stuk niet wordt betwist en dus een weergave betreft van wat partijen toen hebben afgesproken. De kantonrechter is van oordeel dat hieruit genoegzaam blijkt dat partijen een regeling hebben gesloten ter beëindiging en of voorkoming van onzekerheid en een geschil zoals bedoeld in 7:900 BW. Dat partijen de intentie hadden deze regeling nog nader uit te laten werken door hun advocaten doet niet af aan de totstandkoming van een regeling op 28 juli 2016.

4.3.

[eisende partij 1 in conventie, verweerder 1 in reconventie] en [eisende partij 2 in conventie, verweerder 2 in reconventie] stellen zich vervolgens kort en goed gezegd op het standpunt dat nu punt 2 van de tussen partijen getroffen regeling niet is nagekomen door Prisma en dit punt essentieel en van doorslaggevende betekenis was voor de regeling, zij daarmee terecht de ontbinding van deze regeling hebben ingeroepen.

4.4.

Prisma stelt onweersproken dat behoudens punt 2 alle twaalf overige punten van de regeling zijn nagekomen en er ten aanzien van punt 2, de onderhuur kwestie, verschil van mening bleek te bestaan. Prisma stelt dat over dit punt is onderhandeld maar dat er geen duidelijkheid kwam voor partijen. Prisma stelt de regeling te zijn nagekomen en wijst er op dat zij niet in gebreke is gesteld. Het inroepen van de ontbinding kan volgens Prisma daarom geen doel treffen.

4.5.

De kantonrechter stelt vast dat partijen kennelijk geen duidelijkheid hadden over punt 2 van de tussen hen afgesproken regeling. Er bestaat duidelijk een verschil in interpretatie tussen partijen omtrent dit punt. Prisma is van mening dat zij de overeenkomst volledig nakomt en [eisende partij 1 in conventie, verweerder 1 in reconventie] en [eisende partij 2 in conventie, verweerder 2 in reconventie] zijn van mening dat dit niet het geval is ten aanzien van punt 2 van de regeling. Als [eisende partij 1 in conventie, verweerder 1 in reconventie] en [eisende partij 2 in conventie, verweerder 2 in reconventie] menen dat dit niet het geval is dienen zij Prisma in gebreke te stellen. Van mededelingen (niet dus: gedragingen!) ingevolge artikel 6:83 sub c BW is in ieder geval niet kunnen blijken. [eisende partij 1 in conventie, verweerder 1 in reconventie] en [eisende partij 2 in conventie, verweerder 2 in reconventie] hebben bij e-mail bericht van 3 januari 2017 de overeenkomst echter meteen ontbonden. Nu Prisma nog niet in gebreke was gesteld en derhalve niet in verzuim verkeerde, kan dit beroep op ontbinding geen doel treffen en zijn partijen nog gehouden aan de regeling van 18 juli 2016. De vorderingen van [eisende partij 1 in conventie, verweerder 1 in reconventie] en [eisende partij 2 in conventie, verweerder 2 in reconventie] zowel primair als subsidiair moeten daarmee stranden nu er immers dòòr deze regeling ook geen grondslag bestaat voor een mogelijk tot 2023 verlengde huurovereenkomst.

in reconventie

4.6.

Nu aan de vordering in reconventie de voorwaarde is verbonden van toewijzen van de vordering in conventie, komt de kantonrechter niet meer toe aan beoordeling van deze voorwaardelijke vordering.

in conventie

4.7.

[eisende partij 1 in conventie, verweerder 1 in reconventie] en [eisende partij 2 in conventie, verweerder 2 in reconventie] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van Prisma worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 102,10

  • -

    griffierecht 78,00

  • -

    salaris gemachtigde 500,00 ( 2 x tarief € 250,00)

totaal € 680,10

De nakosten zullen worden toegewezen overeenkomstig de richtlijn van het LOVCK&T. Prisma vordert de daadwerkelijk door haar gemaakt advocaatkosten. De kantonrechter wijst er op dat in de wet een forfaitair systeem van proceskostenvergoeding is opgenomen. Het is bekend dat dit forfaitair tarief niet toereikend is voor de declaraties die de advocaat doorgaans bij zijn cliënt in rekening pleegt te brengen. Alleen in geval er sprake is van misbruik van procesrecht kan een eventueel beroep op een hoger dan het forfaitaire bedrag aan proceskosten slagen. Hiervan is echter gesteld noch gebleken.

4.8.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

in conventie en in reconventie

5.1.

wijst de vorderingen over en weer alle af.

5.2.

veroordeelt [eisende partij 1 in conventie, verweerder 1 in reconventie] en [eisende partij 2 in conventie, verweerder 2 in reconventie] hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van Prisma gevallen en tot op heden begroot op € 680,10, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,

5.3.

veroordeelt [eisende partij 1 in conventie, verweerder 1 in reconventie] en [eisende partij 2 in conventie, verweerder 2 in reconventie] hoofdelijk onder de voorwaarde dat zij niet binnen 2 weken na aanschrijving door Prisma volledig aan dit vonnis voldoen, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,

5.4.

verklaart dit vonnis ten aan zien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.P. Brouns en in het openbaar uitgesproken.

type: HM

coll: ph