Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:9850

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
03/866150-16 en 03/866339-15 (ter terechtzitting gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het preliminaire verweer van de verdediging dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, wordt verworpen. De verdachte wordt veroordeeld voor het onbruikbaar maken van een keukenraam en een beveiligingscamera van zijn buurman. Ook heeft hij de rubberen strip van dat keukenraam beschadigd. Door de verdediging is een beroep gedaan op noodweer en putatief noodweer danwel psychische overmacht gelet op de voortdurende inbreuk die de buurman maakte op verdachtes woon- en leefgenot. Alle verweren worden door de rechtbank gemotiveerd verworpen. De rechtbank heeft bepaald dat geen straf of maatregel aan de verdachte wordt opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummers: 03/866150-16 en 03/866339-15 (ter terechtzitting gevoegd)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 oktober 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.W.E.M. Guzik, advocaat, kantoorhoudende te Echt.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 september 2017. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

parketnummer 03/866150-16

opzettelijk een tegelvloer, een keukenkastje, een muur, een raam en/of een kozijn van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

parketnummer 03/866339-15

feit 1: opzettelijk een raam, een kozijn en/of een rubberen strip van [benadeelde 1] heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

feit 2: een ijzeren paal van [benadeelde 1] heeft gestolen;

feit 3: opzettelijk een ijzeren paal van [benadeelde 1] heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

feit 4: een beveiligingscamera van [benadeelde 1] heeft gestolen, dan wel die camera opzettelijk heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

3 De voorvragen

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte op grond van het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. Hij stelt daartoe dat de redelijke termijn is overschreden en dat hetgeen aan verdachte ten laste wordt gelegd na meer dan vier, respectievelijk drie jaar te verwaarlozen is. Daarnaast is hij van mening dat de verdachte niet meer vervolgd had moeten worden, omdat aangever [benadeelde 1] zelf ook een grote rol heeft gespeeld in de ontstane burenruzie en de Gemeente Sittard-Geleen de situatie jarenlang op zijn beloop heeft gelaten.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Hij heeft aangevoerd dat de overschrijding van de redelijke termijn en de door [benadeelde 1] gepleegde strafbare gedragingen, geen gronden zijn om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de strafvervolging.

Ten aanzien van de schending van de redelijke termijn beslist de rechtbank als volgt. Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de op te leggen straf. De rechtbank verwijst daartoe naar het overzichtsarrest van de Hoge Raad d.d. 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578. Recent heeft de Hoge Raad in het arrest van 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059 nog eens herhaald dat overschrijding van de redelijke termijn nooit kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. De rechtbank is in het licht van het voorgaande dan ook van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in casu geen reden is om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van het verweer over de geringe ernst van de feiten en het aandeel van [benadeelde 1] in de burenruzie, stelt de rechtbank dat het vervolgingsrecht van het Openbaar Ministerie uitsluitend vervalt wanneer dit recht geen enkel rechtsbelang of strafrechtelijk doel meer dient. Dit is hier niet het geval, gelet op de aangiftes, de processen-verbaal bevindingen en de verklaringen van de verdachte. Daarnaast volgt uit het feit dat ook [benadeelde 1] mogelijk strafbare gedragingen heeft gepleegd niet dat het vervolgingsrecht ten aanzien van verdachte vervalt.

Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde onder parketnummer 03/866150-16 niet wettig en overtuigend bewezen en verzoekt vrijspraak van dit feit. Het procesdossier geeft volgens hem onvoldoende uitsluitsel over de datum waarop het feit zou zijn gepleegd.

Ten aanzien van het tenlastegelegde onder parketnummer 03/866339-15 is de officier van justitie van mening dat feit 1 en feit 3 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Ten aanzien van feit 1 stelt hij zich op het standpunt dat de rubberen strip is beschadigd doordat deze was vastgelijmd. Het raam is daardoor enige tijd onbruikbaar geweest. Ten aanzien van feit 3 is sprake van vernieling omdat purschuim in de ijzeren paal is gespoten. Voor feit 2 en feit 4 dient vrijspraak te volgen. De verdachte heeft de ijzeren paal weliswaar weggenomen, maar bij verdachte ontbrak het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Voor een bewezenverklaring van de diefstal of vernieling van de beveiligingscamera is onvoldoende bewijs aanwezig in het procesdossier.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde onder parketnummer 03/866150-16 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, nu uit het procesdossier onvoldoende komt vast te staan op welke datum het feit zou zijn gepleegd.

Ten aanzien van het tenlastegelegde onder parketnummer 03/866339-15 is de verdediging van mening dat voor alle feiten vrijspraak dient te volgen. De verdachte heeft het keukenraam van feit 1 weliswaar op enig moment dichtgelijmd, maar niet staat vast dat dit is gebeurd op de tenlastegelegde datum 17 mei 2014. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van vernieling of beschadiging, omdat het raam na verwijdering van de lijm weer gewoon gebruikt kon worden.

Met betrekking tot de ijzeren paal van feit 2 en feit 3 heeft de raadsman betoogd dat de verdachte zich de paal niet wilde toe-eigenen maar enkel wilde verwijderen om te voorkomen dat [benadeelde 1] het feitelijk gebruik van de oprit onmogelijk zou maken en/of een verkeersgevaarlijke situatie zou doen ontstaan. Die paal is ook niet vernield of onbruikbaar gemaakt door het daarin gespoten purschuim. Dat purschuim is immers door de vriendin van verdachte verwijderd vóórdat de paal aan [benadeelde 1] werd teruggegeven. De raadsman heeft verder betoogd dat de verdachte de beveiligingscamera van feit 4 niet heeft gestolen, maar slechts met de hand heeft weggedraaid om te voorkomen dat die op zijn perceel werd gericht. Ook heeft de verdachte de beveiligingscamera door dit wegdraaien niet vernield of beschadigd.

Met betrekking tot alle tenlastegelegde feiten heeft de raadsman een beroep gedaan op noodweer c.q. putatief noodweer dan wel op overmacht, indien bewezen zou worden dat de verdachte de tenlastegelegde feiten zou hebben gepleegd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De verdachte en aangever [benadeelde 1] waren tot 2015 buren van elkaar. Zij leefden als gevolg van een burenruzie al tien jaar in onmin met elkaar. In die jaren zijn door de verdachte en de aangever over en weer aangiftes gedaan tegen elkaar. Het Openbaar Ministerie heeft een aantal van deze feiten aan verdachte tenlastegelegd. De rechtbank beoordeelt deze als volgt.

Parketnummer 03/866150-16

Het procesdossier bevat ten aanzien van het tenlastegelegde uitsluitend de aangifte van [benadeelde 2] . Het bewijs dat een verdachte een tenlastegelegd feit zou hebben gepleegd kan echter niet berusten op een enkel bewijsmiddel. De rechtbank is dan ook, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat het procesdossier onvoldoende wettig bewijs bevat dat de verdachte op 31 juli 2013 enig goed van [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] opzettelijk en wederrechtelijk heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt. De rechtbank zal de verdachte daarom van dit feit vrijspreken.

Parketnummer 03/866339-15

Feit 2 en feit 3

[benadeelde 1] heeft op 23 oktober 2014 aangifte gedaan. Hij verklaarde dat zijn buurman [verdachte] , zijnde verdachte, op 22 oktober 2014 een ijzeren paal die [benadeelde 1] had geplaatst op de erfafscheiding van zijn perceel met dat van verdachte, uit de grond had gerukt en op zijn, verdachtes, perceel had neergelegd. Toen verdachte de volgende dag in opdracht van de politie de paal weer terug gaf aan [benadeelde 1] , bleek deze te zijn volgespoten met purschuim. De verdachte heeft bekend de ijzeren paal te hebben weggenomen en op zijn perceel te hebben gelegd. De politie wees hem daarna aan als bewaarder van die paal. De reden voor het wegnemen van de paal was dat verdachte wilde verhinderen dat [benadeelde 1] de oprit door middel van die paal zou blokkeren. Gelet op deze verklaring van verdachte is de rechtbank, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat bij verdachte het oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening van de ijzeren paal ontbrak. Zij spreekt de verdachte daarom vrij van feit 2.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bang was dat [benadeelde 1] de paal weer in de grond zou zetten. Daarom heeft hij in de onderkant van de paal een klein beetje purschuim gespoten voordat hij de paal op 23 oktober 2014 teruggaf aan [benadeelde 1] . De getuige [getuige] verklaarde ter terechtzitting overeenkomstig, maar gaf tevens aan dat zij het bolletje purschuim al uit de paal had gehaald, toen [benadeelde 1] deze terug kreeg.

De rechtbank is gelet op het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat het purschuim geen schade heeft veroorzaakt aan de ijzeren paal. Er zat immers geen purschuim meer in de paal toen deze aan [benadeelde 1] werd teruggegeven. De paal is dus niet vernield of beschadigd. Ook kan de paal nog steeds voor zijn bestemming worden aangewend, hetgeen betekent dat hij niet onbruikbaar is gemaakt. Gelet op het voorgaande spreekt de rechtbank de verdachte daarom ook vrij van feit 3.

Parketnummer 03/866339-15

Feit 1

[benadeelde 1] heeft op 17 mei 2014 aangifte gedaan van vernieling. Hij verklaarde dat hij die dag rond 09.00 uur samen met zijn vrouw vertrok na het keukenraam dicht te hebben gedaan. Het raam had toen geen nieuwe beschadigingen. Bij zijn terugkomst om 13.30 uur bleek dat het raam niet meer open kon omdat het was dichtgelijmd met secondelijm. [benadeelde 1] heeft zijn raam vervolgens moeten open snijden, waardoor de rest van het raam ook kapot is gegaan. Van de schade heeft [benadeelde 1] foto’s overgelegd. Op die foto’s is te zien dat de raamrubbers uit de sponning hangen.2

Ter terechtzitting heeft de verdachte bekend dat hij het keukenraam van [benadeelde 1] met secondelijm heeft dichtgelijmd. Hij kan zich niet meer herinneren op welke datum dat is geweest, maar vaker dan een keer heeft hij dat niet gedaan.3

Gelet op voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het raam van [benadeelde 1] heeft dichtgelijmd, waardoor het raam tijdelijk onbruikbaar was. Ook bleken de raamrubbers uit de sponning te hangen, nadat het raam door [benadeelde 1] was open gesneden. De verdachte heeft zodoende door het dichtlijmen van het raam ook die rubberen strips beschadigd.

Feit 4:

[benadeelde 1] heeft op 25 oktober 2014 aangifte gedaan van diefstal en vernieling van zijn beveiligingscamera. Hij zag op de camerabeelden dat de verdachte diezelfde dag met een hoogwerker naar de camera toe reed en met zijn hand richting de camera ging. Vervolgens zag hij dat de verdachte met een rukbeweging de camera lostrok.4 De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] die de camerabeelden van die dag hebben uitgelezen, hebben gerelateerd dat het beeld omstreeks 12:29:38 uur op zwart ging.5 De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met een hoogwerker naar de beveiligingscamera is toegereden en dat hij de camera met zijn hand heeft omgedraaid, zodat de camera niet meer op zijn huis en oprit stond gericht.6

De rechtbank is van oordeel dat het procesdossier ten aanzien van het primair tenlastegelegde uitsluitend een bewijsmiddel bevat, te weten de aangifte van [benadeelde 1] . De rechtbank is gelet daarop, evenals de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het procesdossier onvoldoende wettig bewijs bevat dat de verdachte de beveiligingscamera van [benadeelde 1] heeft gestolen. Het subsidiair ten laste gelegde kan naar het oordeel van de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen worden. Verdachte heeft met zijn hand de camera gedraaid, waarna het beeld op zwart ging. De verdachte heeft met zijn handelen zo de aanmerkelijke kans aanvaard dat het doel van de beveiligingscamera, namelijk het maken van opnames van de omgeving, werd belemmerd. De verdachte heeft zodoende voorwaardelijk opzet gehad op het onbruikbaar maken van de beveiligingscamera.

Noodweer?

De raadsman heeft een beroep gedaan op noodweer en heeft vrijspraak verzocht. Tussen [benadeelde 1] en verdachte botert het al vele jaren niet. Oorzaak daarvan is een venster in de buitenmuur van de woning van [benadeelde 1] dat [benadeelde 1] daar, in strijd met de wettelijke regels, heeft geplaatst. De gemeente Sittard-Geleen is vervolgens ten onrechte niet handhavend opgetreden. Verdachte heeft daarom uiteindelijk het recht in eigen hand genomen en met zijn handelen een einde willen maken aan de voortdurende inbreuk die [benadeelde 1] met dit venster maakte op zijn woon- en leefgenot. Dat is ook het geval met de beveiligingscamera die [benadeelde 1] aan zijn woning had bevestigd en die gericht was op een oprit die voor een groot deel niet van [benadeelde 1] was. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken.

Bij een beroep op noodweer gaat het volgens artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht om de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Onder lijf dient te worden verstaan het leven en de integriteit van het lichaam, eerbaarheid ziet op de integriteit van het lichaam op geslachtelijk gebied, aldus vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Met de term ‘goed’ worden, eveneens volgens vaste rechtspraak, voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten (artikel 3:2 Burgerlijk Wetboek) bedoeld.7 Het volgens verdachte door [benadeelde 1] voortdurend inbreuk maken op zijn woon- en leefgenot is naar het oordeel van de rechtbank geen aanranding van verdachtes of andermans lijf, eerbaarheid, noch is sprake van een goed in de zin van artikel 3:2 Burgerlijk Wetboek, waartegen noodweer gerechtvaardigd is. Nu er voor de verdachte in deze zin geen sprake was van een noodweersituatie, verwerpt de rechtbank het beroep op noodweer.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

parketnummer 03/866339-15

feit 1:

op 17 mei 2014 te Guttecoven opzettelijk en wederrechtelijk een raam, toebehorende aan [benadeelde 1] , heeft onbruikbaar gemaakt

en

op 17 mei 2014 te Guttecoven opzettelijk en wederrechtelijk een rubberen strip, toebehorende aan [benadeelde 1] , heeft beschadigd.

feit 4 subsidiair:

op 25 oktober 2014 te Guttecoven opzettelijk en wederrechtelijk een beveiligingscamera, toebehorende aan [benadeelde 1] , heeft onbruikbaar gemaakt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

parketnummer 03/866339-15

feit 1:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, onbruikbaar maken

en

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, beschadigen.

feit 4 subsidiair:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, onbruikbaar maken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van beide bewezenverklaarde feiten was er volgens de verdediging sprake van putatief noodweer danwel psychische overmacht. De verdachte heeft met zijn handelen een einde willen maken aan de voortdurende inbreuk die [benadeelde 1] met het venster en de beveiligingscamera maakte op zijn woon- en leefgenot. De verdachte leefde in de veronderstelling dat hij zich hiertegen mocht verdedigen dan wel voelde een van buiten komende drang hiertoe, waarvan hij het gevoel had dat hij hiertegen geen weerstand hoefde te bieden.

Putatief noodweer?

Onder putatief noodweer wordt verstaan het geval dat men abusievelijk in de veronderstelling leeft zich te moeten verdedigen dan wel zich te mogen verdedigen: het (dreigend) gevaar is ingebeeld of er bestaat een onjuiste opvatting over de uitleg van de noodweerregeling. Zoals hiervoor onder 4.3 al is besproken was echter geen sprake van een noodweersituatie. Het beroep op putatief noodweer gaat daarom niet op.

Psychische overmacht?

Door de raadsman is een beroep gedaan op psychische overmacht. Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet hoeft te bieden. Daarnaast kan onder omstandigheden het feit dat de verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht.
Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

Conclusies

De rechtbank verwerpt alle gevoerde verweren. De verdachte is strafbaar voor het onbruikbaar maken van het raam en de beveiligingscamera en het beschadigen van de rubberen strip, omdat ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte geen straf of maatregel op te leggen, gelet op de context van de gepleegde feiten en de overschrijding van de redelijke termijn.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht te volstaan met een rechterlijk pardon of een geheel voorwaardelijke straf, gelet op de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd en de geringe ernst van de feiten afgezet tegen de jarenlange terreur van [benadeelde 1] . Ook stelt de raadsman dat voor een herhaling niet gevreesd hoeft te worden, nu [benadeelde 1] is verhuisd en zijn woning is gekocht door de gemeente Sittard-Geleen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de eventueel op te leggen straf of maatregel is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het onbruikbaar maken van een keukenraam en een beveiligingscamera van zijn buurman [benadeelde 1] . Ook heeft hij de rubberen strip van dat keukenraam beschadigd.

Ten tijde van deze strafbare feiten waren de verdachte en [benadeelde 1] verwikkeld in een zeer onverkwikkelijke burenruzie, waarbij over en weer werd getreiterd en gesard. Die ruzie was al jaren aan de gang en beide partijen wisten niet van ophouden. De verdachte heeft door zijn handelen mede bijgedragen aan de instandhouding van die ruzie. Hoewel de gepleegde feiten volgens de rechtbank niet te kwalificeren zijn als ernstig, zijn zij wel degelijk hinderlijk geweest voor [benadeelde 1] en ook totaal overbodig.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat het bijna drie jaar geleden is dat deze strafbare feiten zijn gepleegd en dat de verdachte, blijkens zijn strafblad, niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank neemt in haar oordeel voorts mee dat [benadeelde 1] inmiddels is verhuisd en dat daarmee ook de spanning tussen verdachte en [benadeelde 1] is verdwenen. De kans op recidive wordt dan ook door de rechtbank als laag ingeschat.

De rechtbank betrekt verder in haar oordeel dat de jarenlange burenruzie ook voor verdachte grote gevolgen heeft gehad. Tien jaar lang heeft hij niet ten volle kunnen genieten van zijn woning. Ook nu [benadeelde 1] is verhuisd, blijft het gevoel dat hij en zijn woning steeds door [benadeelde 1] in de gaten worden gehouden hem bekruipen. Dit heeft ertoe geleid dat hij nu zelf ook wil verhuizen.

Gelet op dit alles, zal de rechtbank bepalen dat aan de verdachte, op de voet van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder parketnummer 03/866150-16 en van de tenlastegelegde feiten 2, 3 en 4 primair onder parketnummer 03/866339-15;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf of maatregel

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax, voorzitter, mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Klompe, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 oktober 2017.

Buiten staat

Mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

parketnummer 03/866150-16

hij op of omstreeks 31 juli 2013 te Guttecoven, in elk geval in de gemeente

Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een tegelvloer en/of (een)

keukenkastje(s) en/of een muur en/of een raam en/of een kozijn, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

parketnummer 03/866339-15

1.

hij op of omstreeks 17 mei 2014 te Guttecoven, in elk geval in de gemeente

Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een raam en/of kozijn en/of

rubberen strip, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft

vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2.

hij op of omstreeks 22 oktober 2014 te Guttecoven, in elk geval in de gemeente

Sittard-Geleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft

weggenomen een (ijzeren) paal, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

3.

hij in of omstreeks de periode 22 oktober 2014 tot en met 23 oktober 2014 te

Guttecoven, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en

wederrechtelijk een (ijzeren) paal, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

4.

hij op of omstreeks 25 oktober 2014 te Guttecoven, in elk geval in de gemeente

Sittard-Geleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft

weggenomen een (beveiligings)camera, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 25 oktober 2014 te Guttecoven, in elk geval in de gemeente

Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een (beveiligings)camera, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Limburg, Basis team Westelijke Mijnstreek Sittard, proces-verbaalnummer 2014000051, 2014080914, 2014036759, 2014054699, 2014101816, 2014113813, 2014129338, 2014128528, 2014130414, 2014133155, 2015002948, 2015071663, gesloten d.d. 27 mei 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 93.

2 Proces-verbaal aangifte van [benadeelde 1] , d.d. 17 mei 2014, pagina’s 39 en 40, en de foto’s van het raam en de raamrubbers op de pagina’s 42 en 43.

3 De verklaring van verdachte ter terechtzitting, d.d. 26 september 2017.

4 Proces-verbaal aangifte van [benadeelde 1] , d.d. 25 oktober 2014, pagina 58.

5 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 4 februari 2015, pagina 62.

6 De verklaring van verdachte ter terechtzitting, d.d. 26 september 2017.

7 Hoge Raad 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1015.