Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:9772

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-10-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
6134136 AZ VERZ 17-91
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van werkneemster (zus van werkgever) op grond van artikel 7:669 lid 1 juncto lid 3 sub g BW wordt afgewezen. Er is sprake van een verstoorde arbeidsverhouding, maar die is in overwegende mate aan de werkgever te wijten. Werkgever heeft onvoldoende ingestoken op herstel van de arbeidsverhouding dan wel verbetering van het beweerde disfunctioneren van werkneemster, doch te voorbarig aangestuurd op beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1214
AR 2017/5207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 6134136 AZ VERZ 17-91

Beschikking van de kantonrechter van 9 oktober 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

phidec vastgoed beheer b.v.

gevestigd aan de Geerstraat 42A, 6411 NS Heerlen

verzoekende partij, tevens verwerende partij in de tegenverzoeken

gemachtigde mr. drs. A.L. van den Bergh, advocaat te Maastricht

tegen

[verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken]

wonend aan de [adres] , [woonplaats]

verwerende partij, tevens verzoekende partij in de tegenverzoeken

gemachtigde mr. R. Gijsen, advocaat te Maastricht.

Partijen zullen hierna respectievelijk Phidec en [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 7 juli 2017 ter griffie ontvangen verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 26

  • -

    het op 11 september 2017 ter griffie ontvangen verweerschrift inclusief zelfstandige tegenverzoeken met bijlagen 1 tot en met 16

  • -

    de op 25 september 2017 van Phidec ontvangen aanvullende bijlagen 27 tot en met 34

  • -

    de mondelinge behandeling op 26 september 2017 ter gelegenheid waarvan namens Phidec een pleitnota ingebracht is.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Phidec verleent (administratieve) diensten op het gebied van huur en verhuur van registergoederen. Dhr. [naam directeur] (hierna: [naam directeur] ) is directeur van Phidec.

2.2.

[verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] , geboren op [geboortedag] 1977 en de zus van [naam directeur] , is op 11 mei 2015 krachtens arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij Phidec in dienst getreden als receptioniste/kantoormanager tegen een maandloon van laatstelijk € 1.380,00 bruto, exclusief 8% vakantiebijslag (bijlage 1 verzoekschrift). Verder is aan [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] een leaseauto ter beschikking gesteld.

2.3.

Op 30 januari 2017 heeft Phidec het Uitvoeringsinstituut voor werknemersverzekeringen (verder te noemen: het UWV) toestemming verzocht om de arbeidsverhouding met [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] op te zeggen om bedrijfseconomische redenen (organisatorische of technologische veranderingen). Nadat het UWV diverse aanvullende vragen aan Phidec voorgelegd had die van haar kant beantwoord zijn, heeft [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] in die procedure verweer gevoerd. Op 20 maart 2017 heeft het UWV - na twee ronden van hoor en wederhoor - aan Phidec toestemming geweigerd om de arbeidsverhouding met Passsage op te zeggen. Het UWV heeft in de beslissing vermeld (bijlage 2 verzoekschrift):

“(…) U heeft deze aanvraag gedaan op grond van bedrijfseconomische redenen. Het functioneren van werknemer kan in deze aanvraag dan ook geen rol spelen. Als wij het functioneren van werknemer buiten beschouwing laten dan blijft er naar onze mening onvoldoende onderbouwing over op basis waarvan wij een oordeel kunnen vormen over de noodzaak van de voorgenomen reorganisatie en de wijze waarop deze bijdraagt aan een doelmatige bedrijfsvoering. Los van het functioneren van werknemer worden door u enkele begrippen, zijnde digitalisering, een efficiencyslag en het doorvoeren van een kostenbesparing, genoemd die in uw ogen de reorganisatie zouden onderbouwen.

(…) Het digitaliseren van de VVE-werkzaamheden is naar onze mening onvoldoende rechtvaardiging voor het laten vervallen van de gehele functie van werknemer. Ten aanzien van de efficiencyslag bent u naar onze mening ook niet geslaagd om deze inzichtelijk te maken dan wel aannemelijk te maken nu enkel het functioneren van werknemer als redenen genoemd wordt om tot herverdeling van taken over te gaan. (…)

Gelet op het voorgaande kunnen wij werknemer volgen in haar verweer ten aanzien van het niet vervallen van haar werkzaamheden en de onderbouwing van de reorganisatie. Wij zijn dan ook van mening dat u er niet in geslaagd bent om aannemelijk te maken dat de reorganisatie noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering en dat deze de efficiency binnen uw onderneming verhoogd. Het onthouden van een vergunning ligt daarom in de rede. (…)”.

2.4.

De bemiddelingspogingen van de vader van [naam directeur] en [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] nadien hebben niet tot een minnelijke oplossing geleid.

2.5.

Vervolgens heeft Phidec de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] te ontbinden op grond van art. 7:669 lid 3 onder a juncto art. 7:671 lid 1 onder b BW. Bij beschikking van 12 mei 2017 heeft de kantonrechter beslist (bijlage 3 verzoekschrift):

“(…) Op grond van het vorenstaande moet geconcludeerd worden dat beweerd disfunctioneren van [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] (kort gezegd de d-grond als bedoeld in art. 7:669 lid 3 BW), en niet bedrijfseconomische redenen, de ware grond voor de ontslagaanvraag bij het UWV en dit ontbindingsverzoek is. Nog daargelaten dat de ongeschiktheid van [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] tot het verrichten van de bedongen arbeid op geen enkele wijze is komen vast te staan nu daarvan iedere schriftelijke onderbouwing ontbreekt, is zij hiervan ook niet tijdig door de werkgever van in kennis gesteld en heeft zij - voor zover haar functioneren al verbetering behoefde - geen gelegenheid gekregen om dat functioneren te verbeteren. Dit leidt ertoe dat het onderhavige verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet worden afgewezen, aangezien er sprake is van een valse grond. (…) Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet worden afgewezen en aan de beoordeling van de subsidiaire verzoeken van [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] - voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden - wordt niet meer toegekomen. De verzochte wedertewerkstelling zal op hierna te bepalen wijze worden toegewezen, met maximering van de te verbeuren dwangsommen op hierna te bepalen wijze indien Phidec daaraan geen gehoor geeft.

Ten slotte moet worden vastgesteld dat Phidec haar verzoek in deze procedure niet heeft aangevuld met een andere redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, bijvoorbeeld de verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond als bedoeld in art. 7:669 lid 3 BW). Die niet aangevoerde g-grond kan mitsdien ook niet leiden tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst, alhoewel de kantonrechter ter zitting aan partijen heeft meegegeven dat hij weinig heil ziet in een vruchtbare voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Het desalniettemin ambtshalve ontbinden van de arbeidsovereenkomst op de g-grond zou niet alleen leiden tot een verrassingsbeslissing, maar tevens de arbeidsrechtelijke bescherming die een (disfunctionerende?) werknemer toekomt illusoir maken. Gelet hierop kan in dit geschil niet tot ambtshalve aanvulling van rechtsgrond worden overgegaan. (…).”

2.6.

Bij exploot van betekening en bevel van 24 mei 2017 is de grosse van de beschikking van de kantonrechter aan Phidec betekend en daarbij is haar bevolen [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] binnen 48 uur na betekening toe te laten tot de werkplek en haar hernieuwd tewerk te stellen in de functie van receptioniste/kantoormanager (bijlage 9 verzoekschrift).

2.7.

Bij e-mailbericht van 29 mei 2017 schreef [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] aan Phidec (bijlage 4 verweerschrift):

“(…) Ik had van mijn advocate begrepen dat je me vandaag al had verwacht op kantoor, maar ik heb het positieve bericht vanmiddag pas van haar vernomen, aangezien ze een paar dagen verlof heeft gehad, kon ze me niet eerder berichten (dat had ze aan jouw advocaat doorgegeven). Had me anders zelf maar even gebeld of gemaild (ook vandaag) dan was ik direct gekomen. Maar geen probleem. Ik ben er morgen weer!

Wat mij betreft geef ik alles een plaatsje en gaan we er een mooie samenwerking van maken. Ik heb er in ieder geval enorm veel zin in.

Op onze samenwerking en tot morgen! (…)”

2.8.

[verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] heeft op 30 mei 2017 haar werkzaamheden hervat. Op die dag heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen Phidec en [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] . [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] heeft daarvan een gespreksverslag gemaakt, waarin onder meer vermeld staat (bijlage 10 verzoekschrift):

“(…) Aanvang gespreksverslag:

(…) Direct bij aanvang van het gesprek werd meegedeeld door [naam directeur] , dat het niet zijn keuze was dat ik vanaf vandaag op kantoor aanwezig was om mijn werk te hervatten maar dat het hem verplicht werd gesteld door de rechter, vanwege de uitspraak van de rechtbank. Hij gaf aan dat hij een nieuwe rechtszaak gaat aanspannen. Op mijn mail van (…) 29 mei jl., heeft [naam directeur] niet gereageerd. (…)”

2.9.

Bij e-mailbericht van 6 juni 2017 berichtte Phidec vervolgens aan [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] (bijlage 11 verzoekschrift):

“(…) Ik moet je eerlijk zeggen dat ik niet zo blij ben, en dan zeg ik het nog voorzichtig, door de manier waarop je ons gesprek van 30 mei jl. hebt weergegeven. (…) Dat geeft eens temeer aan dat onze verhoudingen volledig verstoord zijn. (…)”

2.10.

Daarop reageerde [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] in een bericht van 9 juni 2017 (bijlage 12 verzoekschrift):

“(…) Jammer dat het gespreksverslag zo vervelend is overgekomen, want dat is verre van mijn bedoeling. Ik wil gewoon een goede samenwerking en daarom lijkt het mij goed om duidelijke afspraken te maken en dit schriftelijk vast te leggen om onduidelijkheden te voorkomen. (…) Je spreekt (…) over een “verstoorde arbeidsrelatie”. Ik heb dat gevoel totaal niet. We zijn immers net een week begonnen (…) Wanneer het voor jou voelt als een verstoorde arbeidsrelatie zou ik graag met je in gesprek willen gaan en samen kijken hoe we dat kunnen oplossen. Laat het me maar weten. (…)”

2.11.

Vervolgens is een mediator ingeschakeld, althans benaderd.

2.12.

Mediator Nollen berichtte op 13 juni 2017 aan Phidec en [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] (bijlage 6 verweerschrift):

“(…) Nadat ik u beiden telefonisch gesproken heb lijkt er geen basis om de mediation te starten. Allebei staat u op een standpunt: mevrouw wil afspraken maken hoe nu verder te gaan in het bedrijf, meneer zegt geen geld te hebben en wil afscheid nemen. (…) Het spijt me dat i niet meer voor u kan doen. Ik wens u allebei veel sterkte en wijsheid. (…)”

2.13.

Vervolgens is de heer Kneepkens, kantoorgenoot van Nollen, voor de overwogen mediation benaderd.

2.14.

In een e-mailbericht van 19 juni 2017 berichtte [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] aan Kneepkens (bijlage 18 verzoekschrift):

“(…) U geeft aan dat u graag een afspraak wenst te maken met mij voor een gesprek over een mediationtraject met mijn broer [naam directeur] .

Ik ben uiteraard gaarne bereid om een afspraak met u te maken, maar heb wel de volgende vragen die ik vooraf graag volledig en duidelijk beantwoord wenst te hebben alvorens ik een afspraak wil maken (…).

Mijn broer [naam directeur] heeft eerder stellig aangegeven aan uw collega mevrouw Nollen dat hij een afscheidsmediationtraject (zogenaamde Exit mediation) wilde inzetten. Ik heb aangegeven dat ik niet opensta voor een afscheidsmediation omdat ik mijn baan wens te behouden. (…) wil ik vooraf duidelijk van u weten of het een HERSTELMEDIATION betreft of een AFSCHEIDSMEDIATION. Wanneer u mij niet vooraf kunt bevestigen dat het een Herstelmediation betreft, wens ik geen afspraak te maken. Aan een soort aftastingsgesprek heb ik geen behoefte, daar mijn boodschap duidelijk is. (…)”

2.15.

In de daarop gevolgde e-mailcorrespondentie (bijlagen 19 en 20 verzoekschrift) liet de benaderde mediator weten dat de gesprekken aan de ‘mediationtafel’ zouden moeten plaatsvinden, maar handhaafde [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] haar standpunt dat zij eerst wilde vernemen welke insteek de mediation zou krijgen alvorens daaraan te kunnen deelnemen.

2.16.

Op 24 juni 2017 (bijlage 21 verzoekschrift) berichtte [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] de mediator:

“(…) Ik heb mijn broer aangegeven dat ik graag een mediationtraject wil starten dat enkel gericht is op herstel. Ik heb hem voorgesteld om ons te laten begeleiden via een mediator die we beide hebben uitgekozen. (…) Wij gaan dus geen gebruik maken van de diensten van uw kantoor. (…)”

2.17.

In een vervolgbericht van 26 juni 2017 (bijlage 26 verzoekschrift) liet [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] de heer Kneepkens en haar broer [naam directeur] echter weten: Mijn oprechte excuses voor de eventuele onduidelijkheid in deze. In mijn mail bedoelde ik uiteraard dat “ik” geen gebruik wens te maken van uw diensten en niet “wij”. Betreft een typefout. Zie de typefout ook nu pas helaas. (…) Immers, het is verre mijn bedoeling geweest om namens mijn broer te spreken. (…)”

2.18.

Bij rekest van 7 juli 2017 (gelijktijdig met indiening van onderhavig verzoekschrift) is Phidec in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 12 mei 2017 zoals door de kantonrechter van deze rechtbank tussen partijen gewezen (zie hiervoor onder r.o. 2.5.)

3 Het geschil

3.1.

Phidec verzoekt thans de arbeidsovereenkomst met [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] te ontbinden op grond van art. 7:671b lid 1 onderdeel a BW in verbinding met art. 7:669 lid 3 onderdeel g BW en om [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] te veroordelen tot betaling van de kosten van deze procedure.

3.2.

Aan dit verzoek legt Phidec ten grondslag dat sprake is van - kort gezegd - een verstoorde arbeidsverhouding van zodanige aard en ernst dat van Phidec in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Herplaatsing van [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] is in haar visie niet meer mogelijk.

3.3.

[verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] heeft zich fundamenteel verweerd op alle onderdelen.

3.4.

Bij wijze van tegenverzoek wordt door [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] verzocht:

I. in het geval de ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen wordt:

- de non-actiefstelling en/of vrijstelling van het verrichten van arbeid op te heffen en de leaseauto met onmiddellijke ingang aan [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] ter beschikking te stellen

- [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] weder tewerk te stellen in haar oude functie op straffe van verbeurte van een dwangsom

- doorbetaling van loon, vakantiebijslag en overige emolumenten tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig beëindigd zal zijn;

II in het geval de arbeidsovereenkomst ontbonden wordt:

a. a) de arbeidsovereenkomst niet eerder te ontbinden dan per 1 januari 2017 (toevoeging kantonrechter: bedoeld zal zijn 2018) althans voor de ontbindingsdatum de opzegtermijn in acht te nemen

b) Phidec te veroordelen tot betaling aan [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] van een transitievergoeding van € 1.242,00 bruto

c) Phidec te veroordelen tot betaling aan [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] van een billijke vergoeding van

€ 25.747,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente

d) vernietiging van het tussen partijen overeengekomen non-concurrentie- en relatiebeding ex artikel 11 van de arbeidsovereenkomst;

III. in alle gevallen te verklaren voor recht dat Phidec aansprakelijk is voor alle in het kader van de onderhavige en voorafgaande procedures door [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] gemaakte advocaatkosten, Phidec te verwijzen in de kosten daarvan (nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet) en in de (verdere) kosten van deze procedure en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.5.

Phidec heeft zich op haar beurt fundamenteel verweerd tegen deze tegenverzoeken en de daarvoor aangevoerde gronden.

3.6.

Op gedetailleerdere stellingen van partijen en aangevoerde achtergronden wordt hierna, voor zover van belang ingegaan en beslist.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden moet worden. In geval van ontbinding moet ook beoordeeld worden of aan [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] een transitievergoeding en/of een billijke vergoeding toegekend dient te worden.

4.2.

Phidec voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding gelegen is in de omstandigheid dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van haar als werkgever in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Zij stoelt de gestelde ‘volstrekt’ verstoorde arbeidsverhouding op de opstelling en houding van [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] tijdens en na de beide voorafgaande procedures (die ten overstaan van het UWV en die bij de kantonrechter, die op 12 mei 2017 Phidec opdroeg tot wedertewerkstelling van [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] over te gaan) en vervolgens in het kader van haar sedert 30 mei 2017 gecontinueerde kantoorwerkzaamheden alsmede in en om gevoerde gesprekken / onderhandelingen met haar broer, tevens Phidec-directeur.

4.3.

De kantonrechter stelt voorop dat uit art. 7:669 lid 1 van het BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen ontbonden kan worden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In art. 7:669 lid 3 van het BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

4.4.

Hoewel op basis van de stukken en de verklaringen ter zitting vastgesteld kan worden dat de familiaire banden (tussen broer, zus en vader) sedert eind 2016 ernstig beschadigd zijn en dat daarmee forse druk op de arbeidsverhouding tussen Phidec en [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] gezet is, leveren de door Phidec naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen redelijke grond voor ontbinding op in de zin van art. 7:669 lid 3 onderdeel g BW, nu de stoornis in de arbeidsverhouding niet zodanig is dat van Phidec in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.

Beoordeeld dient te worden of niet alleen [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] maar ook Phidec na de afwijzende beschikking (r.o. 2.5.) oprechte en zinvolle pogingen ondernomen heeft om tot verbetering van de arbeidsrelatie en samenwerking te komen.

4.6.

Als gezegd heeft Phidec gelijktijdig met dit nieuwe ontbindingsverzoek appèl aangetekend tegen de beschikking van 12 mei 2017 bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (zie r.o. 2.18.). Gezien de situatie is het plausibel dat er mede door de twee nog dienende procedures spanningen bestaan en dat - gelet ook op de kleine setting van de arbeidsorganisatie van Phidec - dit voor het personeel voelbaar en merkbaar is. Het staat [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] uiteraard vrij om zich in alle opzichten te verweren in de diverse door Phidec aangespannen procedures. Wat van Phidec na de afwijzende beschikking verwacht had mogen worden, was een serieuze poging om de patstelling alsnog te doorbreken en de samenwerking tussen haar en [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] , al dan niet met behulp van externe coaching, te verbeteren althans te normaliseren door een sturende, op oplossing gerichte, actie. Phidec verwijt [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] bijvoorbeeld en met veel misbaar - naar het oordeel van de kantonrechter ten onrechte - dat zij op 29 mei 2017 niet op het werk verschenen is. Phidec had [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] na het bekend worden van het in de beschikking van 12 mei 2017 vervatte oordeel niet rechtstreeks benaderd over de wijze van werkhervatting, laat staan in de vorm van een mededeling dat zij 29 mei 2017 op haar werk verwacht werd, maar ervoor gekozen dit per e-mail op 24 mei 2017 aan haar gemachtigde te berichten. Phidec was er echter mee bekend - zoals blijkt uit het als bijlage 6 bij het verzoekschrift in het geding gebrachte bericht van 22 mei 2017 van de toenmalige gemachtigde van [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] aan de gemachtigde van Phidec - dat de gemachtigde van [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] in verband met haar afwezigheid (van 24 mei tot 29 mei 2017) niet eerder dan 29 mei 2017 kennis kon nemen van het bericht van 24 mei 2017.

4.7.

De handelwijze van Phidec ten opzichte van [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] op 30 mei 2017 getuigt niet van goed werkgeverschap. Uit de door (de directeur van) Phidec gegeven reactie op het door [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] opgemaakte gespreksverslag (bijlage 11 verzoekschrift) blijkt niet dat hetgeen in dit verslag onder “aanvang gespreksverslag” opgenomen en hiervoor onder r.o. 2.8. weergegeven werd, onjuist is. In plaats van een eerste stap tot een vorm van verzoening of dialoog te zetten, heeft Phidec met deze opstelling de verhoudingen direct vanaf de eerste nieuwe werkdag onnodig op scherp gezet. Ook een poging tot het aangaan van mediation heeft partijen niet tot elkaar kunnen brengen. Wel is duidelijk geworden dat ieder van partijen andere verwachtingen had van de voorgenomen vorm van bemiddeling (r.o. 2.12.). Phidec stelt weliswaar in de brief van 26 juni 2017 dat de bemiddeling met hulp van een derde vermoedelijk in eerste instantie op herstel gericht zou zijn en dat zij zelf - bij mislukking van pogingen daartoe - vermoedde dat het zou uitlopen op een exitmediation (bijlage 24 verzoekschrift), maar zij onderbouwt dit verder niet. Uit de in het geding gebrachte correspondentie blijkt eerder het tegendeel. Terugkeer van [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] binnen Phidec was voor directeur [naam directeur] in elk geval van de aanvang af onmiskenbaar geen optie. Hij liet dit een- en andermaal ostentatief weten. In plaats van serieuze stapsgewijze normalisering van de werkverhoudingen en - waar nodig - aanwijzingen aan [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] omtrent in dat kader eventueel wenselijk geachte aanpassingen van houding, gedrag of opstelling (en dan vooral in relatie tot haar broer de directeur) is Phidec onverkort blijven aansturen op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daartoe wordt onder meer verwezen naar het e-mailbericht van mediator Nollen (r.o. 2.12), het bericht van directeur [naam directeur] zelf van 7 juli 2017 (bijlage 28 verzoekschrift) waarin hij aan zijn gemachtigde schrijft: “We hebben het hier nota bene over een receptioniste. Het lijkt wel of ik van een mede-aandeelhouder af moet!” en het bericht van [naam directeur] van 27 juli 2017 (bijlage 32 verzoekschrift) “onze gesprekken zijn de hele tijd gegaan over het vertrek van [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] bij Phidec”. Het ware beter geweest als van de zijde van Phidec serieus geprobeerd was de persoonlijke fricties die de verhouding tussen broer en zus [naam directeur] (om onduidelijk gebleven reden) zijn gaan bepalen, los te maken en los te zien van een werkverhouding die ook zonder een hechte vriendschappelijke band die normaliter eigen is aan de relatie broer/zus, heel wel kan functioneren. Hoewel ook [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] (al dan niet onder invloed van haar echtgenoot) soms en in sommige opzichten niet al te tactisch opgetreden is, ligt de verantwoordelijkheid voor het ontstaan en laten voortbestaan van gespannen werkverhoudingen in de onderneming primair bij Phidec en haar directeur. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Phidec door de onverzoenlijke opstelling van haar directeur te voorbarig gehandeld en de relatie tussen partijen onnodig onder druk gezet. In dit verband is het ook opvallend dat beide partijen er voor kozen de voorbereidende stappen bij haar poging tot mediation in juni 2017 niet over te laten aan de respectieve gemachtigden, die daar de professionaliteit voor in huis hebben en veel meer afstand kunnen bewaren tot de dagelijkse werkrealiteit dan de beide cliënten. [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] was dan immers niet in de verleiding gekomen om eigener beweging te reageren op correspondentie over opzet en doel van de te starten mediation. Zij maakte zich door de wijze waarop zij haar intenties verwoordde, onnodig kwetsbaar. Desondanks valt er in redelijkheid niet uit af te leiden dat [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] zich in het woordgebruik zodanig onheus of onredelijk heeft opgesteld dan wel uitgelaten (tegenover Phidec dan wel de beoogde mediator), dat dit de conclusie rechtvaardigt dat zij daarmee bijgedragen heeft aan verstoring van de arbeidsverhouding.

4.8.

De troebelen in de arbeidsverhouding moeten in dit licht voor het overgrote deel toegeschreven worden aan Phidec, die na de afwijzende beschikking niet, althans onvoldoende heeft ingestoken op herstel van de arbeidsverhouding dan wel verbetering van het beweerde disfunctioneren van [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] , doch te voorbarig aangestuurd heeft op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De handelwijze van Phidec na de afwijzende beschikking getuigt aldus niet van goed werkgeverschap, waar juist optimale prudentie en zorgvuldigheid in de persoonlijke omgang geboden waren. [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] heeft daartegenover in dit geding aannemelijk gemaakt dat zij - ondanks foutjes en onzorgvuldigheden - haar best gedaan heeft om de persoonlijke omgang met directeur en collega’s zo normaal mogelijk te laten verlopen en aanvaringen te voorkomen.

4.9.

Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden is de conclusie dat van de zijde van Phidec tot op heden onvoldoende inspanningen zijn verricht om de arbeidsverhouding te verbeteren / te normaliseren. De kantonrechter is in elk geval niet gebleken dat kansen op een vruchtbare samenwerking in de toekomst geheel verkeken zijn. Van belang is niet in het minst dat [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] sedert 30 mei 2017 aan het werk gebleven is bij Phidec en dat zij bij herhaling uitdrukkelijk kenbaar gemaakt heeft haar baan te willen behouden en alles in het werk te willen stellen om dit tot een succes te maken. Dit betekent dat die intentie een serieuze kans / herkansing verdient en dat van Phidec in redelijkheid gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Van beide partijen mogen daarom vanaf heden extra inspanningen verwacht worden om tot een verbetering / optimalisering van de werkrelatie te komen, waartoe van hen ook een constructieve houding verlangd mag worden. Het eerder mislukken van een poging om tot een vorm van mediation te geraken, hoeft niet te betekenen dat dit boek gesloten wordt. Wellicht kan een gezamenlijk beroep van partijen op tussenkomst van de rechtbank bij een hernieuwde poging tot mediation behulpzaam zijn.

4.10.

Bij afwezigheid van een doorslaggevende grond voor ontbinding zoals bedoeld in art. 7:669 lid 3 onderdeel g BW wordt het verzoek van Phidec afgewezen.

4.11.

Ten aanzien van de zelfstandige tegenverzoeken van [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] wordt als volgt geoordeeld.

4.12.

Nu uit hetgeen hiervoor beslist is, volgt dat de arbeidsovereenkomst voortduurt, is Phidec gehouden tot nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. Tot die verplichtingen behoren het doorbetalen van het loon met bijbehorende emolumenten tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst alsnog rechtsgeldig zal eindigen, en beschikbaarstelling van de aan [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] toegekende leaseauto onder de daartoe bedongen voorwaarden. De daarop gerichte verzoeken zullen dan ook toegewezen worden. Verder is [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] sedert 30 mei 2017 aan het werk en is niet gebleken dat op dit moment sprake is van non-actiefstelling dan wel vrijstelling van het verrichten van arbeid, zodat een op opheffing van een niet-aanwezige situatie gericht verzoek afgewezen moet worden. Het verzoek van [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] tot wedertewerkstelling in haar oude functie zal wel toegewezen worden. De te verbeuren dwangsom bij schending van die verplichting zal op de hierna vermelde wijze vastgesteld en gemaximeerd worden.

4.13.

Phidec dient als de overwegend in het ongelijk gestelde partij - zowel in het verzoek als in de tegenverzoeken - te worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

4.14.

Het verzoek van [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten is - behalve bij hier niet aan de orde zijnde wettelijke uitzonderingen - alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake indien het instellen van een vordering of het doen van een verzoek, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had dienen te blijven. Een dergelijke situatie zou zich pas voordoen als Phidec haar verzoek gebaseerd had op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende of behoorde te kennen of op stellingen had gebaseerd waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Deze situatie doet zich in dit geval niet voor. Nog afgezien daarvan had [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] in het bestek van deze procedure redelijkerwijs of rechtens geen mogelijkheid om ook de kosten van rechtsbijstand die gemaakt zijn in het kader van haar verweer in eerdere procedures, onderwerp van geschil te maken. Er zijn geen andere feiten of omstandigheden naar voren gebracht of gebleken op grond waarvan vergoeding van de volledige proceskosten hier aan de orde zou (kunnen) zijn of geboden is.

4.15.

De proceskosten worden aan de zijde van [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] tot op heden begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde (twee procespunten van € 300,00). Vergoeding van de eventueel te maken nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten / nakosten zullen toegewezen worden op de wijze zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

met betrekking tot het verzoek en de tegenverzoeken

5.1.

wijst het verzoek van Phidec tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen af;

5.2.

veroordeelt Phidec om [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] weder tewerk te stellen in de functie van receptioniste/kantoormanager en wel op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 250,00 per dag of gedeelte van een dag dat Phidec in gebreke blijft daaraan te voldoen tot een maximaal te verbeuren bedrag van € 25.000,00;

5.3.

veroordeelt Phidec om aan [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] de leaseauto onder de afgesproken condities ter beschikking te stellen;

5.4.

veroordeelt Phidec tot doorbetaling van loon, vakantiebijslag en overige emolumenten tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig beëindigd zal zijn;

5.5.

veroordeelt Phidec tot betaling van de proceskosten van [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] , die tot de uitspraak van deze beschikking bepaald zijn op € 600,00, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na de betekening van deze beschikking te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na die betekening tot de dag van volledige betaling;

5.6.

veroordeelt Phidec, voor het geval zij niet binnen twee weken na aanschrijving door [verweerster, tevens verzoekster in de tegenverzoeken] volledig aan deze beschikking mocht voldoen, tot betaling van de na deze beschikking ontstane kosten, die bepaald zijn op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na die aanschrijving te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag daarna tot de dag van volledige betaling;

- te vermeerderen, indien vervolgens betekening van deze beschikking heeft plaatsgevonden, met de kosten van dat exploot, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na die betekening te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag daarna tot de dag van voldoening;

5.7.

verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: CJ