Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:9730

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-10-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
6159443/AZ/17-150
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhoudingen.

Er is echter sprake van een zieke werknemer. De kantonrechter is van oordeel dat het ontbindingsverzoek verband houdt met die ziekte, zodat het opzegverbod tijdens ziekte van toepassing is. Op grond van artikel 7:671b lid 6 onder b BW is de kantonrechter echter van oordeel dat er sprake is van een omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen. Tussen partijen – die overigens vader en zoon van elkaar zijn – bestaat al langere tijd verschil van mening over de invulling van de functie van werknemer. Als gevolg van spanningen in de arbeidsrelatie is werknemer ziek geworden en wel van dien aard dat terugkeer binnen het bedrijf door de bedrijfsarts én het UWV wordt afgeraden. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst en kent aan werknemer een transitievergoeding toe. Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, door onder andere vanaf het moment dat werknemer ziek werd, aan te sturen op beëindiging van het dienstverband. De kantonrechter kent aan werknemer een billijke vergoeding van € 25.000,00 toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1212
AR 2017/5201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6159443 \ AZ VERZ 17-150

Beschikking van de kantonrechter van 6 oktober 2017

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TAURUS VELDEN B.V.,

gevestigd te Velden,

verzoekende partij in het verzoek, verwerende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,

gemachtigde mr. G.R.M. van den Assum,

tegen:

[verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] ,

wonend [adres verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] ,

[woonplaats verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] ,

verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,

procederende in persoon.

Partijen zullen hierna Taurus en [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 17 juli 2017 ter griffie ontvangen verzoekschrift

- het verweerschrift, tevens houdende een (voorwaardelijk) tegenverzoek

- de door partijen nader ingezonden producties

- de mondelinge behandeling d.d. 22 september 2017

- de pleitnota van de gemachtigde van Taurus

- de pleitnota van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek]

1.2.

Daarna is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] , geboren op [geboortedag verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] 1981, is op 20 december 2008 bij Taurus in dienst getreden en vervult thans de functie van assistent-bedrijfsleider tegen een loon van
€ 3.739,65 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de cao horeca en aanverwante bedrijven van toepassing verklaard.

2.2.

[verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] is de zoon van de directeur van Taurus, [directeur]

2.3.

Tussen [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] en [directeur] hebben zich regelmatig incidenten op de werkvloer voorgedaan. Op 27 mei 2016 vond op het kantoor van [directeur] een incident plaats, waarna [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] zich op 28 mei 2016 ziek heeft gemeld.

2.4.

Naar aanleiding van voornoemd incident heeft Taurus [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] bij brief van
30 mei 2016 op staande voet ontslagen. Dit ontslag is op 6 juni 2016 weer ingetrokken.

2.5.

Op 28 juli 2016 heeft een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden tussen [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] en [directeur] in het bijzijn van een bemiddelaar, hetgeen geen resultaat heeft opgeleverd. Door partijen is nadien een intakegesprek gevoerd met een MfN-registermediator. Bij emailbericht van 30 september 2016 heeft de mediator partijen bericht geen mogelijkheid te zien om verder te gaan met (het starten van) mediation omdat het geschil te zeer geëscaleerd en nu niet mediabel is.

2.6.

Door de bedrijfsarts is op 5 oktober 2016 geconstateerd dat [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] niet meer kan terugkeren naar Taurus, zodat re-integratie in spoor 1 niet mogelijk is. Vervolgens is
re-integratie in spoort 2 ingezet.

2.7.

[verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] heeft bij het UWV om een deskundigenoordeel gevraagd met betrekking tot de re-integratie inspanningen van Taurus. Door het UWV is bij deskundigenoordeel van 26 oktober 2016 geoordeeld dat die re-integratie inspanningen voldoende zijn. Tevens is door het UWV het volgende geconcludeerd:

“De werknemer blijft nadrukkelijk vasthouden aan zijn voorkeur, namelijk te re-integreren in spoor 1, het eigen al dan niet aangepast of ander werk bij de eigen werkgever. Echter vanuit de vergelijking belasting versus belastbaarheid van de werknemer is het eigen, al dan niet aangepast of ander werk bij de eigen werkgever niet passend en zal dit eerder leiden tot een verslechtering van de gezondheid en of herstel belemmerend werken, zodat de inspanningen die de werknemer van de werkgever vraagt niet redelijk zijn.”

3 Het geschil

3.1.

Taurus verzoekt de tussen haar en [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, aanhef en onder g, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), onder toekenning aan [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] van een transitievergoeding ter hoogte van € 11.444,00 bruto .

3.2.

Ter onderbouwing van haar verzoek heeft Taurus gesteld dat de arbeidsverhouding tussen partijen duurzaam is verstoord. [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] is ziek en wordt door onder andere het UWV en de bedrijfsarts ongeschikt bevonden om zijn werkzaamheden voor Taurus te hervatten. Desalniettemin blijft [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] volharden in een terugkeer naar Taurus, hetgeen de re-integratie bemoeilijkt, aldus Taurus. Ook is er sprake van spanningen tussen [directeur] en [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] waardoor ieder noodzakelijk contact vanwege re-integratie verplichtingen extra spanningen oplevert bij [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] Als gevolg hiervan blijft zijn arbeidsongeschiktheid voortduren. Daarnaast heeft Taurus erop gewezen dat zij tevens een zakelijk belang heeft bij beëindiging van het dienstverband, omdat op dit moment niet een nieuw iemand kan worden aangenomen om de functie van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] te vervullen.

3.3.

[verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] heeft verweer gevoerd. Primair stelt hij zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst niet kan worden ontbonden omdat hij arbeidsongeschikt is.

Subsidiair verwijt hij Taurus – meer in het bijzonder [directeur] – dat hij niet de rust krijgt die noodzakelijk is voor zijn herstel en dat vanaf het begin van zijn arbeidsongeschiktheid is aangestuurd op beëindiging van het dienstverband. Hierdoor is [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] een eerlijke kans om terug te keren bij Taurus ontnomen. Voor het geval het toch tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst komt, heeft [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] zich op het standpunt gesteld dat aan hem een billijke vergoeding moet worden toegekend.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Als meest verstrekkende verweer heeft [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van ziekte, zodat een opzegverbod geldt.

4.2.

Vast staat dat [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] met ingang van 28 mei 2016 arbeidsongeschikt is en dat die ongeschiktheid ook thans nog voortduurt. Derhalve is het opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 lid 1 BW van toepassing.

4.3.

In artikel 7:671b lid 6 BW is evenwel bepaald dat de kantonrechter, ook bij het bestaan van een opzegverbod, het verzoek tot ontbinding kan inwilligen indien:

a. a) het verzoek tot ontbinding geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft, of

b) indien er sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen.

4.4.

Door Taurus is gesteld dat het verzoek tot ontbinding geen verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] De kantonrechter volgt Taurus echter niet in haar stelling. Weliswaar grondt Taurus haar ontbindingsverzoek op een verstoorde arbeidsverhouding, maar alle feiten en omstandigheden die zij aan dit verzoek ten grondslag legt, hebben betrekking op de arbeidsongeschiktheid en de re-integratie inspanningen van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] Zo stelt Taurus dat [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] door het UWV ongeschikt is geacht om zijn werk voor Taurus te hervatten en dat ieder noodzakelijk contact vanwege re-integratie extra spanningen oplevert bij [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] waardoor de arbeidsongeschiktheid blijft voortduren. Dit zijn omstandigheden die uitsluitend betrekking hebben op de arbeidsongeschiktheid van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] Weliswaar heeft Taurus ook gewezen op incidenten die zich hebben voorgedaan voor de ziekmelding van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] maar die incidenten zijn als zodanig niet aan de verstoring van de arbeidsverhouding ten grondslag gelegd. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het ontbindingsverzoek verband houdt met de ziekte van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] De kantonrechter ziet zich in dit oordeel gesteund doordat Taurus in haar verzoekschrift stelt dat de arbeidsongeschiktheid van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] Taurus belemmert in haar zakelijke belangen omdat nu niemand anders kan worden aangenomen voor de functie die [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] gewoonlijk vervulde. Ook zij nog gewezen op een e-mailbericht van 27 augustus 2016 (drie maanden na de ziekmelding) waarin Taurus duidelijk te kennen geeft een einde aan de arbeidsovereenkomst te willen maken. [directeur] heeft zelfs op een verjaardagsfeest van één van de kinderen van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] laatstgenoemde geconfronteerd met een beëindigingsovereenkomst. Ook in het verslag van de casemanager van Posse Novum d.d. 27 december 2016 wordt weergegeven dat Taurus van mening is dat [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] er alles aan doet om het verzuim zo lang mogelijk te rekken, hetgeen niet ongestraft mag blijven doorgaan. In al deze omstandigheden ziet de kantonrechter een bevestiging van het oordeel dat het onderhavige ontbindingsverzoek verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] Het opzegverbod tijdens ziekte is dus onverkort van toepassing.

4.5.

De kantonrechter ziet zich thans voor de vraag geplaatst of de arbeidsovereenkomst - ondanks het bestaan van het opzegverbod - toch hoort te eindigen. Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 7:671b lid 6, aanhef en onder b, BW (zie Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 31-33) blijkt dat de wetgever ontbinding ondanks het bestaan van een opzegverbod alleen dan wenselijk acht indien de kantonrechter meent dat het in het belang van (bijvoorbeeld de gezondheid van) de werknemer is om de arbeidsovereenkomst toch te ontbinden. Het is aan de kantonrechter om hierin een juiste afweging te maken.

4.6.

De kantonrechter is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van zo een situatie waarbij het in het belang van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] wordt geacht dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Voor dit oordeel is het volgende van belang geacht.

4.6.1.

Uit de door partijen overgelegde correspondentie is duidelijk dat partijen van mening verschillen over de invulling van de functie van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] Daar waar [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] stelt dat hij zich met het oog op een eventuele overname van het bedrijf met volle overgave inzet voor Taurus verwijt [directeur] hem dat die inzet niet voldoende is, zodat wat hem betreft van een overname (nog lang) geen sprake is. Wie van partijen het gelijk aan zijn zijde heeft, acht de kantonechter in dit verband niet relevant. Relevant voor de onderhavige beoordeling is wel dat partijen met regelmaat verhitte discussies voeren waar zij onderling niet uit (lijken te) komen. Een en ander is geëscaleerd op 27 mei 2016. Over wat er die dag precies is voorgevallen hebben partijen wisselende verklaringen afgelegd. Duidelijk is dat dit incident voor beide partijen de spreekwoordelijke druppel is geweest die de emmer heeft doen overlopen. Dit heeft ertoe geleid dat [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] zich op 28 mei 2016 heeft ziekgemeld en dat [directeur] op 30 mei 2016 aan [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] ontslag op staande voet heeft aangezegd. Weliswaar is dit ontslag op staande voet later weer ingetrokken, maar duidelijk is dat de verhouding tussen partijen sindsdien en nadien ernstig is verstoord.

4.6.2.

Door [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] is onbetwist gesteld dat hij als gevolg van de spanningen met [directeur] ziek is geworden. Uit de stukken van Posse Novum blijkt dat terugkeer van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] bij Taurus niet in de rede ligt vanwege de ontstane situatie en de spanningen die dit voor [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] met zich mee brengt. Belangrijker nog in dit verband is de hiervoor onder 2.7. geciteerde passage uit het deskundigenoordeel van het UWV van 26 oktober 2016 waarin ondubbelzinnig is geconcludeerd dat terugkeer van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] naar Taurus een verslechtering van zijn gezondheid zal zijn en/of het herstel belemmerd. Door [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] zijn geen argumenten naar voren gebracht op basis waarvan de kantonrechter aanleiding ziet aan de juistheid van dat deskundigenoordeel te twijfelen.

4.7.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] behoort te eindigen als bedoeld in artikel 7:671b lid 6, aanhef en onder b, BW.

Daarbij merkt de kantonrechter nog op dat partijen niet slechts werkgever en werknemer zijn, maar ook vader en zoon. De ontstane situatie heeft, zo is tijdens de mondelinge behandeling onmiskenbaar gebleken, ook veel invloed op de privélevens van partijen.

Voortzetting van het dienstverband – ook al is dit alleen gericht op re-integratie in spoor 2 – werkt alleen maar spanningen in de hand en zou ook de privérelatie nog verder verstoren. Zoals beide partijen al hebben geconstateerd, is daarmee geen enkel belang gediend.

4.8.

Ingevolge artikel 7:671b lid 8, aanhef en onder a, BW bepaalt de kantonrechter het einde van de arbeidsovereenkomst op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, met dien verstande dat de looptijd van de procedure in mindering wordt gebracht op de geldende opzegtermijn. De door Taurus in acht te nemen opzegtermijn bedraagt in dit geval twee maanden. Met inachtneming van het vorenstaande en overwegende dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst plaatsvindt tegen het einde van de maand, is de kantonrechter voornemens de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 december 2017 te ontbinden.

4.9.

Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat Taurus aan [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] een transitievergoeding verschuldigd is indien – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van Taurus is ontbonden. Aan deze beide voorwaarden is voldaan. De kantonrechter kent aan [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] indachtig het bepaalde in artikel 7:673 lid 2 BW een transitievergoeding toe ten bedrage van € 11.444,00 bruto.

4.10.

[verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] heeft gesteld dat indien Taurus “hem toch wil ontslaan er wel aanleiding is voor een billijke vergoeding”. De kantonrechter heeft dit opgevat als een voorwaardelijk verzoek voor toekenning van een billijke vergoeding indien de kantonrechter overgaat tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

4.11.

Voor toekenning van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:671b lid 8, aanhef en onder c, BW is vereist dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Taurus. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Taurus zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als Taurus grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34).

4.12.

Anders dan de gemachtigde van Taurus, is de kantonrechter van oordeel dat Taurus in de onderhavige kwestie ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Niet betwist is dat [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] door de voortdurend oplopende spanningen met [directeur] ziek is geworden. Dit op zichzelf acht de kantonrechter al verwijtbaar, aangezien van een werkgever mag worden verwacht dat hij in een dergelijke situatie passende maatregelen treft om te voorkomen dat een werknemer ziek wordt als gevolg van spanningen op de werkvloer. De wijze waarop Taurus echter ná de ziekmelding van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] heeft geacteerd door al in een vroeg stadium aan te sturen op een beëindiging van het dienstverband, toen er nog geen sprake van was dat Posse Novum en het UWV terugkeer van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] binnen Taurus niet geïndiceerd vonden, acht de kantonrechter ernstig verwijtbaar en ook zeker niet in het belang van het herstel van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] In dit verband verwijst de kantonrechter naar het aanbieden van een beëindigingsovereenkomst tijdens een verjaardagsfeest in augustus 2016 alsmede bij het e-mailbericht van 27 augustus 2016. Duidelijk is dat Taurus al in een vroegtijdig stadium van de arbeidsongeschiktheid van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] een terugkeer van hem niet meer wenste. Dit is ook niet veranderd door de (mediation-)gesprekken die tussen partijen zijn gevoerd, waarbij duidelijk was dat de inzet van Taurus steeds gericht was op het einde van het dienstverband in plaats van herstel van de relatie. Mede door die handelswijze is de reeds beschadigde arbeidsverhouding, nog verder onder druk komen te staan.

4.13.

Ook de omstandigheid dat Taurus gedurende de arbeidsongeschiktheid van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] het onderhavige verzoek indient, rekent de kantonrechter Taurus zwaar aan. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat een werkgever bij ziekte gehouden is in beginsel gedurende 104 weken het loon van de werknemer door te betalen en te voldoen aan de verplichtingen op grond van de Wet verbetering Poortwachter. Doordat er thans door toedoen van Taurus eerder een einde komt aan het dienstverband zou dit voor haar (financieel) voordeliger kunnen zijn dan voortzetting van het dienstverband, hetgeen de kantonrechter onwenselijk acht. Ook om die reden is een billijke vergoeding op zijn plaats.

4.14.

Wat betreft de wijze van berekening van de billijke vergoeding heeft de Hoge Raad recentelijk belangrijke aanwijzingen gegeven in de beschikking inzake New Hairstyle (ECLI:NL:HR:2017:1187). Hoewel deze beschikking ziet op de billijke vergoeding op de voet van artikel 7:681 lid 1, aanhef en onder a, BW en het in het onderhavige geval gaat om een billijke vergoeding op de voet van artikel 7:671b lid 8, aanhef en onder c, BW zijn in de door de Hoge Raad uitgezette lijn voldoende gezichtspunten te vinden voor de vaststelling van de billijke vergoeding in deze zaak.

4.15.

Uitgangspunt bij de hoogte van de billijke vergoeding is dat die dient te worden bepaald aan de hand van alle omstandigheden van het geval, in beginsel inclusief de gevolgen van het ontslag. De hoogte van de billijke vergoeding staat – naar haar aard – in relatie tot het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever en dient te worden bepaald op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. De mate van verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de werkgever speelt bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding derhalve een belangrijke rol. Van een specifiek punitieve vergoeding is geen sprake, wel dient van de vergoeding een zekere preventieve werking uit te gaan.

4.16.

Gelet op het ernstig verwijtbaar handelen van Taurus acht de kantonrechter het in de eerste plaats geïndiceerd dat [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] de gelegenheid krijgt om aan zijn herstel te kunnen werken, zonder dat hij financieel in een slechtere positie komt te verkeren dan bij voortzetting van het dienstverband het geval zou zijn geweest. De kantonrechter houdt er in dat kader rekening mee dat [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet eventueel gevolgd door een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en begroot het financiële nadeel van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] op gemiddeld 30% van zijn bruto salaris. Taurus draagt op grond van nawerking van de Ziektewet weliswaar ook (gedeeltelijk) de kosten van die ZW-uitkering, maar gelet op het handelen van Taurus acht de kantonrechter een suppletie bovenop de uitkering op zijn plaats.

4.17.

De vraag die zich vervolgens voordoet is hoe lang het herstel van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] zal duren. [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] heeft een schrijven van zijn psycholoog overgelegd waaruit blijkt dat zijn herstel naar verwachting tussen de 6 en 12 maanden zal duren. De kantonrechter zal bij deze stand van zaken uitgaan van een gemiddelde herstelperiode van 9 maanden. Daarnaast zal de kantonrechter ook nog rekening houden met een periode van 3 maanden alvorens [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] nieuw werk vindt dan wel activiteiten kan ontplooien om zijn eenmanszaak verder vorm te geven. Bij de bepaling van deze periode heeft de kantonrechter betrokken dat [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] een hbo-opleiding heeft genoten en bovendien over een aantal jaren werkervaring beschikt. Daarbij geldt nog dat de arbeidsmarkt weer aantrekt, zodat de kantonrechter niet verwacht dat [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] lang zonder werk zal zitten.

4.18.

Daarenboven is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van immateriële schade aan de zijde van [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] , veroorzaakt door het handelen van Taurus. Zulks blijkt uit de rapportage die Psychotherapiepraktijk Delsing op 24 augustus 2017 heeft verzonden aan de bedrijfsarts. Uit die rapportage blijkt dat [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] sinds 31 januari 2017 bij Delsing in behandeling is en dat het gedrag van Taurus c.q. [directeur] heeft geleid tot een toename van concentratieproblemen, slapeloosheid en piekeren, prikkelbaarheid, emotionele instabiliteit en depressieve klachten. Daarbij is opgemerkt dat het toekomstperspectief dat Taurus [verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek] jarenlang heeft voorgehouden - dat hij Taurus zou overnemen - in rook is opgegaan. In deze omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding om in de billijke vergoeding een component van € 10.000,00 aan immateriële schadevergoeding te verdisconteren.

4.19.

Alles overziende acht de kantonrechter het aangewezen de billijke vergoeding te bepalen op een afgerond bedrag van € 25.000,00 bruto. Taurus zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag.

4.20.

Nu aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden, zal Taurus gelet op artikel 7:686a lid 6 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn. Taurus zal tot 20 oktober 2017 in de gelegenheid worden gesteld het verzoek in te trekken door middel van een schriftelijke mededeling hiervan aan de griffier.

4.21.

Gelet op de aard en uitkomst van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat de proceskosten op hierna te bepalen wijze worden gecompenseerd, zowel in het geval dat Taurus het verzoek intrekt als in het geval dat zij dit wel doet.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

stelt Taurus tot 20 oktober 2017 in de gelegenheid haar verzoek in te trekken door een schriftelijke mededeling aan de griffier van de rechtbank Limburg, Burgerlijk recht, kantonzaken, zittingsplaats Roermond, postbus 950, 6040 AZ Roermond,

in het geval Taurus haar verzoek intrekt:

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in het geval Taurus haar verzoek handhaaft:

5.3.

ontbindt de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst met ingang van

1 december 2017,

5.4.

veroordeelt Taurus tot betaling van € 11.444,00 bruto ter zake transitievergoeding,

5.5.

veroordeelt Taurus tot betaling van € 25.000,00 bruto ter zake billijke vergoeding,

5.6.

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.7.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken.

type: SM / JS

coll: