Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:9670

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-10-2017
Datum publicatie
05-10-2017
Zaaknummer
03/659068-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen ladingdiefstal. Gevangenisstraf van 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/659068-17

Tegenspraak (gemachtigde raadsvrouw)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 oktober 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.G.H. van de Kamp, advocaat kantoorhoudende te 's-Hertogenbosch.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 september 2017. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen een ladingdiefstal heeft gepleegd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het medeplegen van de ladingdiefstal kan worden bewezenverklaard. Daartoe heeft zij ten aanzien van het bewijs van de ladingdiefstal verwezen naar (i) de aangifte, (ii) de camerabeelden waarop te zien is dat een busje bij de vrachtwagen wordt geparkeerd alsmede dat er dozen uit de vrachtwagen worden geladen, (iii) de bevindingen van de verbalisanten die ter plaatse vier mannen in/bij een Mercedes busje zien en (iv) het gegeven dat de goederen die in het Mercedes busje zijn aangetroffen overeenkomen met de weggenomen lading uit de vrachtwagen. Verdachte wordt aangehouden terwijl hij wegrent uit de Mercedes Sprinter. Verdachte heeft geen geloofwaardige verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid ter plaatse, terwijl de omstandigheden om een verklaring vragen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit – zoals vervat in de overgelegde pleitnota – dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ladingdiefstal, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor verdachtes betrokkenheid bij de ladingdiefstal. Daartoe heeft de raadsvrouw – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat uit het dossier enkel volgt dat verdachte in het busje aanwezig was. Bovendien heeft hij bij de politie meteen een verklaring afgelegd met betrekking tot zijn aanwezigheid ter plaatse, die wordt ondersteund door het aantreffen van de drugs bij verdachte. Voor een bewezenverklaring van medeplegen dient sprake te zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking, waarbij het accent op de samenwerking ligt. Uit het dossier kan echter niet volgen dat sprake is van enig handelen van verdachte betreffende het opensnijden van het zeil en het verplaatsen van de dozen in het busje. Voorts kan op basis van het enkele feit dat verdachte aanwezig was in het busje – iets waarvoor hij uitleg heeft gegeven – niet worden gesteld dat sprake is van een wezenlijke bijdrage. Ook ontbreekt in het dossier informatie betreffende onderlinge contacten met de medeverdachten. Zo ontbreekt informatie over de intensiteit van de samenwerking, onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van verdachte.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Bewijsmiddelen

[naam aangever] heeft, mede namens de bedrijven Ou Irjako en Sirowa uit Estland, aangifte gedaan van ladingdiefstal. Aangever heeft verklaard dat hij zijn vrachtwagen met oplegger voorzien van het Estlands kenteken [kenteken 1] (eigendom van Ou Irjako) op 23 februari 2017 omstreeks 17.00 uur had geparkeerd op het Schoorgras te Beringe. Op dat moment waren de vrachtwagen en oplegger nog intact en onbeschadigd. De oplegger was geladen met vijf pallets vol cosmeticaproducten (eigendom van Sirowa). Omstreeks 22.00 uur is aangever gaan slapen. Hij werd omstreeks 01.00 uur wakker gemaakt door de politie. Hij zag dat in de zijkant van de oplegger een groot gat was gesneden in het dekzeil. Dit gat zat aan de zijde van het hekwerk. Het dekzeil was op meerdere plekken gesneden. In de oplegger lag een mes naast de pallet die opengesneden was. Het plastic van de lading was losgesneden en er waren diverse doosjes met parfumartikelen van de pallet weggenomen.2

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kregen op 23 februari 2017 omstreeks 23.50 uur de melding om te gaan naar het Schoorgras te Beringe, nabij het aldaar gelegen bedrijf DHL. Vanuit DHL was middels camera’s gezien dat er een diefstal plaatsvond uit een aldaar geparkeerde trekker met oplegger. Er werd gezien dat één persoon in de auto, zijnde een bedrijfsauto, klaar zat en dat een andere persoon goederen vanuit de oplegger haalde en deze in de bedrijfsauto, een soort Vito-bestelbus, deed. Verbalisanten gingen ter plaatse en hoorden onderweg dat de melder zag dat de bestelbus ging rijden in de richting van Meijel. Verbalisanten reden vervolgens het industrieterrein op en zagen een lichtkleurige bestelauto in hun richting komen rijden. Zij lieten het voertuig stoppen. Toen deze op twee meter afstand van hun auto tot stilstand kwam, zagen verbalisanten dat er vanuit de bestelauto, via het bijrijdersportier, drie mannen de auto verlieten en het op een rennen zetten. Eén van de mannen wist te ontkomen door over een ijzeren poort te klimmen. De bestuurder van de bestelbus zat nog in de auto en werd aangehouden. De tweede verdachte sprong over een tuinhek en rende weg richting het industrieterrein. Hij stopte op aanroepen van verbalisant [verbalisant 2] en werd aangehouden. De derde verdachte rende weg richting het industrieterrein en kwam in botsing met het dienstvoertuig van collega verbalisanten. Ook hij werd aangehouden. Verbalisanten hebben voorts geconstateerd dat op de bestelbus middels elastieken twee kentekenplaten met het kenteken [kenteken 2] waren bevestigd, die niet thuishoorden op de betreffende bestelbus. Verbalisant [verbalisant 1] zag vervolgens dat het zeil van de oplegger met het Estlandse kenteken [kenteken 1] aan de rechterzijde op diverse plaatsen was ingesneden. Aan de rechter voorzijde van de oplegger was een gat gecreëerd van 100 bij 100 centimeter. Ter hoogte van dit gat was een pallet met kleinere kartonnen verpakkingen leeggehaald.3

De derde verdachte die in botsing kwam met het dienstvoertuig, betreft verdachte.4

Verbalisant [verbalisant 3] heeft de camerabeelden afkomstig van DHL bekeken. Hij relateert daarover dat hierop is te zien dat er op 23 februari 2017 omstreeks 23:41 uur5 een gesloten busje parkeerde tussen twee geparkeerde vrachtwagens. De verlichting werd vervolgens uitgeschakeld. Voorts is te zien dat de tweede vrachtwagen van achteren werd betreden en men van binnenuit het zeil aan de rechterzijde van de vrachtwagen opensneed. Vervolgens werden er goederen vanuit de vrachtwagen door het gat in het zeil naar buiten toe aangegeven. Na inzoomen werd gezien dat er dozen vanuit de vrachtwagen geladen werden, buiten werden aangepakt en in het busje werden geladen.6

In de laadruimte van de inbeslaggenomen betreffende Mercedes Sprinter worden op 24 februari 2017 omstreeks 15:50 uur meerdere dozen van verschillende formaten aangetroffen. Een aantal dozen waren geopend en onlogisch opengesneden.7 De dozen waren qua vorm en kleur en andere zichtbare kenmerken gelijk aan de dozen welke in de oplegger waren achtergebleven. 8

Overwegingen

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijken de navolgende feiten en omstandigheden:

  • -

    de onderhavige ladingdiefstal is gepleegd in de nacht van 23 op 24 februari 2017 omstreeks 23.50 uur, uit een op het Schoorgras te Beringe geparkeerde vrachtauto (trekker met oplegger);

  • -

    bij de diefstal zijn een aantal dozen met parfumartikelen weggenomen;

  • -

    op de camerabeelden is te zien dat een lichtkleurige gesloten bestelbus parkeert achter de oplegger, dat de oplegger wordt betreden en dat vervolgens de dozen van binnenuit de oplegger door een gat in het dekzeil werden uitgeladen en door een andere persoon in de bestelbus werden geladen;

  • -

    ter plaatse wordt een Mercedes Sprinter koelwagen met het gestolen kenteken [kenteken 2] staande gehouden, waarin zich vier personen bevinden;

  • -

    de bestuurder blijft in de bestelbus zitten, de drie andere mannen verlaten de bestelbus via het bijrijdersportier en vluchten weg, twee daarvan, waaronder verdachte, worden ter plaatse nog aangehouden, evenals de bestuurder. in de laadruimte van de betreffende Mercedes Sprinter worden dozen afkomstig uit de oplegger aangetroffen.

Gelet op voormelde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte en zijn drie medeverdachten betrokken zijn geweest bij ladingdiefstal. Allen zijn bij de diefstal aanwezig geweest. Een van de medeverdachten heeft de Mercedes Sprinter bestuurd. Voorts kan gelet op de camerabeelden worden vastgesteld dat tenminste twee personen dozen uit de oplegger in de bestelbus hebben geladen.

In vereniging

De conclusie dat de ladingdiefstal door verdachte en zijn medeverdachten in vereniging is gepleegd is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde bijdrage van verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om precies vast te stellen wat de rol is geweest van elk der verdachten bij de ladingdiefstal. Dit staat echter niet aan een bewezenverklaring van het tezamen en in vereniging plegen van de ladingdiefstal in de weg. Op basis van de vast te stellen feiten en omstandigheden moet worden geconcludeerd dat het in deze zaak immers -naar het zich laat aanzien- om een gezamenlijke uitvoering van het delict gaat. Op grond van hetgeen wel bekend is, is moeilijk denkbaar dat de bijdrage van een van de verdachten zich heeft beperkt tot handelingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht) of dat een (deel) van de aanwezige verdachten in het geheel geen bijdrage heeft geleverd aan het delict, zoals verdachte heeft gesteld.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij bij een onbekend persoon in de auto is gestapt om drugs te gaan kopen en vervolgens bij de Mercedes bus terecht is gekomen. Hij heeft van de personen in deze bestelbus drugs gekocht. Hij hing daarbij half in/uit de bus aan de bijrijderskant en de bestelbus begon al te rijden. Op dat moment kwam de politie, waarna hij de drugs in zijn sok heeft gestopt en is weggerend.

De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig, nu deze in strijd is met de waarneming van de verbalisanten die ter plaatse zijn gekomen. Bovendien zijn er – behalve een kleine hoeveelheid in de schoen van verdachte – geen drugs of druggerelateerde goederen aangetroffen in de betreffende Mercedes of bij de aangehouden medeverdachten.

Nu verdachte geen geloofwaardige verklaring heeft gegeven omtrent de hem belastende omstandigheden, is de rechtbank, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat voornoemde feiten en omstandigheden voldoende zijn om te kunnen aannemen dat de bijdrage van verdachte aan de ladingdiefstal van voldoende gewicht is geweest om van medeplegen c.q. in vereniging plegen te kunnen spreken.9Bijgevolg wordt het verweer van de raadsvrouw verworpen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

in de periode van 23 februari 2017 tot en met 24 februari 2017 in de gemeente Peel en Maas, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een vrachtwagen (toebehorende aan Ou Irjako) heeft weggenomen parfumartikelen toebehorende aan Sirowa, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot het plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

5 De straf en/of de maatregel

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij heeft zij gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft in het kader van de strafoplegging verwezen naar het advies van de reclassering om verdachte, bij veroordeling, te veroordelen tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Zij heeft voorts verzocht het onvoorwaardelijke deel van de straf te beperken tot de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Verdachte is vrijwillig begonnen aan een begeleidingstraject bij Rentree en heeft huisvesting en zicht op werk. Wanneer verdachte opnieuw gedetineerd zou raken, wordt deze positieve ontwikkeling doorkruist en zal het begeleidingstraject worden stopgezet.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van een ladingdiefstal, waarbij in het holst van de nacht uit de oplegger van een vrachtwagen die op een industrieterrein stond geparkeerd, een hoeveelheid parfumartikelen is buitgemaakt.

Ladingdiefstallen vormen in het algemeen voor de transportsector een ernstige bron van schade; niet alleen in de vorm van directe, materiële schade, maar ook als gevolg van verhoogde verzekeringspremies en de noodzaak tot het nemen van steeds verdergaande maatregelen ter voorkoming van deze vorm van criminaliteit. Dergelijke feiten verstoren de rechtsorde en brengen in de maatschappij gevoelens van onrust en ergernis naar boven. Tevens veroorzaakt dit soort handelen gevoelens van angst bij de chauffeurs die in de cabine van hun vrachtwagen slapen. Ook bij deze diefstal lag de chauffeur te slapen in de cabine.

De verdachte heeft zich van dat alles kennelijk geen enkele rekenschap gegeven en slechts gehandeld met het oog op eigen financieel gewin. Uit het handelen van verdachte spreekt bovendien minachting voor andermans goederen.

Met betrekking tot de strafoplegging zijn binnen de zittende magistratuur ten aanzien van ladingdiefstallen oriëntatiepunten ontwikkeld, dienende als hulpmiddel voor een consistent rechterlijk straftoemetingsbeleid (LOVS-oriëntatiepunten). Genoemde oriëntatiepunten geven ten aanzien van een ladingdiefstal als uitgangspunt een gevangenisstraf van 3 maanden. In geval van recidive van vermogensdelicten bedraagt het oriëntatiepunt 5 maanden gevangenisstraf.

In strafverzwarende zin neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte blijkens zijn strafblad reeds meermalen eerder is veroordeeld tot onder andere gevangenisstraffen wegens vermogensdelicten. Aan verdachte is eerder ook al eens een ISD-maatregel opgelegd. Blijkbaar heeft dit hem niet ervan weerhouden opnieuw een strafbaar feit te begaan.

Verdachte volgde ten tijde van het plegen van het onderhavige feit een traject bij Rentree. Rentree ondersteunt met een integraal hulpverleningsaanbod ex-gedetineerden en begeleidt hen naar een nieuwe plek in de maatschappij. De voorlopige hechtenis van verdachte is eerder geschorst om verdachte de gelegenheid te geven dit traject voort te zetten. Verdachte heeft deze kans onvoldoende gegrepen. De meest recente berichten over verdachtes inzet bij Rentree en medewerking aan de schorsingsvoorwaarden zijn zeer matig. Hij heeft in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis meerdere waarschuwingen gehad en weigert reclasseringscontact. Verdachte is voorts zonder enig bericht niet verschenen op de zitting. Gelet op het verloop van de schorsing van de voorlopige hechtenis ziet de rechtbank geen aanleiding om bij de strafoplegging rekening te houden met het traject bij Rentree. Dit, in combinatie met hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat een hogere straf dan de oriëntatiepunten aangeven in geval van verdachte in de rede ligt. Het maakt bovendien dat de rechtbank geen aanleiding ziet een voorwaardelijke strafdeel op te leggen.

Alles overwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van zes maanden met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank op dit moment geen reden om in afwachting van het onherroepelijk worden van haar uitspraak de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen. Het daartoe strekkend verzoek van de officier van justitie wordt derhalve afgewezen.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 63, 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.A. Wilschut, voorzitter, mr. A.K. Kleine en

mr. C. Wapenaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 5 oktober 2017.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 23 februari 2017 tot en met 24 februari 2017 in de gemeente Peel en Maas, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een vrachtwagen (toebehorende aan [naam aangever] en/of Ou Irjako) heeft weggenomen parfumartikelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Sirowa, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de Landelijke Eenheid, Dienst infrastructuur, Afdeling Opsporing Zuid-Oost, proces-verbaalnummer PL2600-2017013782, gesloten d.d. 6 april 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 257.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 24 februari 2017, pagina 138-140.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d.24 februari 2017, pagina 249-251.

4 Proces-verbaal bevindingen d.d. 24 februari 2017, pagina, 249-251

5 Foto 4 bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 maart 2017, pagina 240, waarvan verbalisant op p. 237 aangeeft dat de tijd lijkt voor te lopen op de werkelijkheid.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 maart 2017, pagina 237-238.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 februari 2017, pagina 216-218.

8 Aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 augustus 2017.

9 Vgl. Hoge Raad 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1020, ro. 2.4.1. en 2.4.2.