Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:959

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
09-02-2017
Zaaknummer
C/04/127488 / HA ZA 14-20
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Algemene voorwaarde over variabele rente niet oneerlijk in de zin van de Richtlijn Oneerlijke bedingen 93/13 EEG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/705
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/04/127488 / HA ZA 14-20

Vonnis van 8 februari 2017

in de zaak van

1 de stichting STICHTING RENTECLAIM,

gevestigd te Heerhugowaard,

2. [eiser 2]

wonende te [woonplaats eiser 2] ,

eisers,

advocaat mr. M. Raaijmakers te Hoofddorp,

tegen

de coöperatieve vereniging met uitgesloten aansprakelijkheid

DE COÖPERATIEVE RABOBANK U.A., als rechtsopvolgster onder algemene titel van de Coöperatieve Rabobank Roermond-Echt UA,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.B.Th. van 't Grunewold te Roermond.

Partijen zullen hierna Renteclaim, [eiser 2] en Rabobank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de conclusie van antwoord met producties

  • -

    de conclusie van repliek tevens wijziging van eis,

  • -

    de conclusie van dupliek met productie

  • -

    de akte houdende producties zijdens Rabobank

  • -

    de akte zijdens Rabobank met betrekking tot haar rechtsopvolging

  • -

    de akte houdende producties zijdens Rabobank

  • -

    de akte houdende productie zijdens Rabobank

  • -

    de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken, waaronder de akte wijziging van eis zijdens Renteclaim en [eiser 2] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De rechtsvoorgangster van Rabobank (hierna ook aan te duiden als Rabobank) heeft op 10 juni 2005 ten behoeve van een krediet aan [eiser 2] een offerte opgemaakt voor een Keuze Plus Hypotheek tegen een nominale variabele rente van 3,9% per jaar, aan te passen naar gelang de ontwikkelingen op de geld- en kapitaalmarkt.

2.2.

Op 5 juli 2005 hebben partijen overeenkomstig de offerte een Keuze Plus Hypotheek afgesloten. In de overeenkomst staat naast het kopje “Rentetype” vermeld:

Variabele rente zoals bedoeld in de hierna vermelde Algemene voorwaarden voor particuliere geldleningen van de Rabobank 2005.”

2.3.

In de Algemene voorwaarden voor particuliere geldleningen van de Rabobank 2005 (hierna AV 2005) staat onder paragraaf “C. Bijzondere voorwaarden voor diverse vormen van rente en aflossing” -voor zover van belang- het volgende vermeld:

Naast de hiervoor onder `Geldlening algemeen` vermelde voorwaarden gelden de volgende voorwaarden als de desbetreffende rente en/of aflossingsvorm met u is overeengekomen.

19 Variabele rente

  1. De rente kan door de bank altijd worden gewijzigd

  2. U mag altijd en zonder vergoeding vervroegd aflossen.

  3. […]

20 Basis Euribortarief

  1. De bank zal de rente opnieuw vaststellen na elke met u in de akte overeengekomen rentevastperiode voor het eerst op de bij de verstrekking van de geldlening bepaalde datum.

  2. De bank zal de rente niet wijzigen tijdens een rentevastperiode.

  3. De bank zal per rentevastperiode de rente vaststellen op basis van de daarmee corresponderende Euro Interbank Offered Rate (Euribortarief) zoals die door Euribor FBE gevestigd te Brussel, of een door haar ingeschakelde derde is vastgesteld (de basiscomponent) verhoogd met een opslag zoals aangegeven in de akte.

  4. Op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op een rentevastperiode en vervolgens telkens na het verstrijken van een rentevastperiode wordt de basiscomponent en de rente opnieuw vastgesteld. De basiscomponent is gelijk aan het op de voorlaatste werkdag van de daaraan voorafgaande rentevastperiode vastgestelde Euribortarief dat correspondeert met de rentevastperiode.

  5. De rentewijzigingsdatum is de eerste dag na afloop van een rentevastperiode. Een rentevastperiode eindigt op de laatste dag van een kalendermaand.

  6. De bank is bevoegd om (een) andere grondslag(en) te kiezen voor de basiscomponent en/of om de hiervoor bedoelde opslag te wijzigen. De bank zal ten minste dertig dagen vóór de inwerkingtreding van een dergelijke wijziging u hiervan in kennis stellen.

  7. […]

3 Het geschil

3.1.

Renteclaim heeft op de zitting van het pleidooi al haar vorderingen ingetrokken en zich ten aanzien van de proceskosten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.2.

[eiser 2] heeft op de zitting van het pleidooi, bij akte vervat in de pleitnota, zijn eis gewijzigd en vordert:

  1. Vernietiging van de overeenkomst tot geldlening op grond van dwaling nu hij bij een juiste voorstelling van zaken te nimmer had gekozen voor de door Rabobank geïntroduceerde `variabele rente`.

  2. Vernietiging van de opslagwijzigingsbedingen zoals vermeld onder artikel 19 sub a en artikel 20 sub f van de AV 2005 die zijn opgenomen in overeenkomsten betreffende leningen met een variabele rente tussen Rabobank en consumenten aangezien zij onredelijk bezwarend zijn.

  3. Verklaring voor recht dat Rabobank onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser 2] niet op de hoogte te stellen van een andere grondslag. In de algemene voorwaarden is immers bepaald dat `De bank is bevoegd om (een) andere grondslag(en) te kiezen voor de basiscomponent en/of om de hiervoor bedoelde opslag te wijzigen. De bank zal ten minste dertig dagen vóór de inwerkingtreding van een dergelijke wijziging u hiervan in kennis stellen.` doch de bank heeft dat nagelaten en daarmee onrechtmatig gehandeld.

  4. Verklaring voor recht dat alle betalingen op basis van de doorgevoerde wijzigingen in de opslag na moment van afsluiten en in rekening zijn gebracht en door [eiser 2] zijn betaald, onverschuldigd zijn betaald. Subsidiair al die wijzigingen in de opslag na moment van afsluiten die in rekening zijn gebracht en zijn betaald waarbij geen mededeling is geweest omtrent de verandering van de grondslag onverschuldigd zijn betaald.

subsidiair

Verklaring voor recht dat Rabobank onrechtmatig de opslag heeft verhoogd voor zover deze groter is dan de opslag van 1% boven het 1-maands Euribor tarief, subsidiair een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen opslag.

Veroordeling van Rabobank tot vergoeding van de door [eiser 2] op basis van voornoemd onrechtmatig handelen betaalde rentevergoedingen in de periode 2008 tot en met heden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met wettelijke rente.
primair en subsidiair

Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Rabobank te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.3.

Rabobank voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Renteclaim heeft haar vorderingen ingetrokken. Om die reden komt de rechtbank, hoewel Rabobank ter zitting haar verweer tegen de stellingen van Renteclaim heeft gehandhaafd, niet meer aan de beoordeling van dat verweer toe. Renteclaim zal veroordeeld worden in de door Rabobank ten aanzien van de procedure tegen Renteclaim gemaakte proceskosten.

4.2.

Met betrekking tot de door [eiser 2] gewijzigde en vermeerderde vordering heeft de rechtbank ter gelegenheid van het pleidooi al beslist dat deze met uitzondering van de vermeerderde vordering onder b) is toegestaan. Zoals de rechtbank ter zitting al heeft overwogen is die vermeerdering in strijd met een goede procesorde, omdat deze voor het eerst tijdens het pleidooi ter kennis van de wederpartij is gebracht, terwijl niet is gesteld of gebleken dat daartoe geen eerdere mogelijkheid bestond. De rechtbank is van oordeel dat de wederpartij door het in zodanig laat stadium van de procedure opwerpen van een eisvermeerdering, in haar verdediging wordt geschaad. De rechtbank heeft daarbij wel uitdrukkelijk overwogen dat zij mogelijk ambtshalve zal dienen te onderzoeken of de artikelen 19 en 20 van de AV 2005 onredelijk bezwarend zijn in de zin van de Richtlijn Oneerlijke bedingen 93/13 EEG (hierna “de Richtlijn”). Partijen hebben zich hierover ter zitting desgevraagd over kunnen uitlaten.

4.3.

Nu partijen daarover van mening verschillen, zal de rechtbank eerst beoordelen of sprake is van een oneerlijk beding in de artikelen 19 of 20 van de AV 2005 bij toetsing aan de Richtlijn, ook al is deze stelling niet (primair) opgeworpen.Volgens vaste rechtspraak dient een dergelijke toets ambtshalve plaats te vinden. In dat kader zal de rechtbank eerst onderzoeken welke rentevorm partijen bij het afsluiten van de Keuze Plus Hypotheek zijn overeengekomen, de variabele rente als bedoeld in artikel 19 van de AV 2005 of het basis Euribortarief als bedoeld in artikel 20 van de AV 2005. Vervolgens zal het toepasselijke artikel getoetst worden aan de Richtlijn. Daarna zal aan de hand van dat oordeel worden bezien wat dit betekent voor de vordering uit hoofde van onrechtmatige daad en het beroep op dwaling.

De rentevorm

4.4.

Partijen verschillen van mening over de vraag welke rentevorm tussen hen is overeengekomen. Voor de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld, komt het ingevolge de Haviltex-maatstaf aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de desbetreffende bepaling(en) mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (vergelijk HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635). Daarbij zijn telkens van beslissende betekenis alle concrete omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Ook het gedrag van partijen in de uitvoeringsfase van een overeenkomst kan voor de uitleg van die overeenkomst van belang zijn (vergelijk HR 20 mei 1994, NJ 1994, 574).

4.5.

Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2.2. al is vastgesteld, staat in de overeenkomst bij “Rentetype” beschreven dat dit de variabele rente betreft zoals bedoeld in de AV 2005. De rechtbank stelt vast dat boven artikel 19 van de AV 2005 als kop staat “Variabele rente” en dat boven artikel 20 van de AV 2005 als kop staat “basis Euribortarief”. Alleen al omdat artikel 19 van de AV 2005 expliciet ziet op variabele rente en in en artikel 20 sub a tot en met e van de AV 2005 wordt gesproken over een rentevast periode valt, zonder nadere onderbouwing van de zijde van [eiser 2] , die ontbreekt, niet in te zien waarom in de overeenkomst de rente op basis van het Euribortarief zou zijn overeengekomen. Rentevast is immers tegengesteld aan variabel. Het betoog van [eiser 2] dat artikel 20 van de AV 2005 een uitwerking zou zijn van artikel 19 van de AV 2005 kan de rechtbank vanwege genoemd verschil in rentetype tussen beide artikelen, evenmin volgen. Bovendien kent artikel 19 ten opzichte van artikel 20 van de AV 2005 een afwijkende regeling ten aanzien van de kosten bij aflossing. In het geval van artikel 19 is deze altijd kosteloos, in het geval van artikel 20 is bij vervroegde aflossing een vergoeding verschuldigd. De rechtbank verwerpt dan ook het standpunt van [eiser 2] dat een rente zou zijn overeengekomen als bedoeld in artikel 20 van de AV 2005.

De Richtlijn

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat Rabobank in de onderhavige overeenkomst heeft gehandeld in het kader van haar privaatrechtelijke beroepsactiviteit en dat [eiser 2] heeft gehandeld in de hoedanigheid van consument. Over het rentewijzigingsbeding in artikel 19 van de AV is niet afzonderlijk onderhandeld. De rechtbank beschouwt het rentewijzigingsbeding niet als een zogenaamd kernbeding. Het betreft immers geen beding die de essentialia bevat zonder welke de hypothecaire geldleningsovereenkomst niet geacht kan worden tot stand te zijn gekomen, omdat die overeenkomst zonder die bedingen onvoldoende bepaalbaar zouden zijn (vgl. Hoge Raad 21 februari 2003, NJ 2004/567). Nu het een overeenkomst tussen een professionele dienstverlener en een consument betreft, valt de overeenkomst onder de werking van de Richtlijn.

4.7.

Gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie onder andere HvJEU 9 november 2010, ECLI:NL:XX:2010:BO5516) en de Hoge Raad (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691) is de nationale rechter gehouden ambtshalve na te gaan of een contractueel beding valt onder de Richtlijn en, zo ja, te onderzoeken of dit oneerlijk is, indien hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt.

4.8.

In de bijlage van de Richtlijn is een indicatieve lijst van bedingen opgenomen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. In de bijlage onder 1 sub j), wordt genoemd het beding dat de verkoper machtigt zonder geldige, in de overeenkomst vermelde reden eenzijdig de voorwaarden van de overeenkomst te wijzigen. In de bijlage onder 2 sub b staat vermeld dat punt j) niet in de weg staat aan bedingen waarbij de leverancier van financiële diensten zich het recht voorbehoudt de door of aan de consument te betalen rentevoet bij geldige reden zonder opzegtermijn te wijzigen, mits de verkoper verplicht wordt dit zo spoedig mogelijk ter kennis te brengen van de andere contracterende partij en deze vrij is onmiddellijk de overeenkomst op te zeggen.

4.9.

De rechtbank stelt voorop dat het door [eiser 2] in de pleitnota aangehaalde vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 november 2015, waarin het beding met de bevoegdheid om de opslag of de grondslag van het Euribortarief te wijzigen als onredelijk bezwarend wordt gekwalificeerd, ziet op een ander (soort) beding dan dat in de onderhavige zaak en alleen al daarom toepassing mist in de onderhavige zaak. Hier is namelijk, zoals hiervoor al is overwogen, aan de orde het beding dat ziet op de bevoegdheid om de variabele rente te wijzigen.

4.10.

Partijen zijn een variabele rente overeengekomen. Uit de offerte van

10 juni 2005 (productie 5 bij dagvaarding), die aan de overeenkomst ten grondslag heeft gelegen, volgt dat de variabele rente wijzigt naar gelang de ontwikkelingen op de geld- en kapitaalmarkt. Verder is het juist kenmerkend voor een variabele rente dat deze, in tegenstelling tot een vaste rente, altijd kan wijzigen. Dit brengt ook mee dat de bevoegdheid om de rente te wijzigen toekomt aan Rabobank als geldverstrekker. In die zin is de in artikel 19 van de AV 2005 neergelegde bevoegdheid van Rabobank om de rente te wijzigen, niets anders dan een bevestiging van wat partijen zijn overeengekomen.

Verder volgt uit de stukken en ook uit wat daarover ter zitting door partijen naar voren is gebracht, dat Rabobank de wijzing van de rente steeds vooraf aan [eiser 2] bekend heeft gemaakt, terwijl [eiser 2] daarmee niet heeft hoeven in te stemmen. Op grond van artikel 19 sub b van de AV 2005 mag hij namelijk de lening te allen tijde, en daarmee ook indien hij wordt geconfronteerd met een wijzigingen van de variabele rente kosteloos (vervroegd) aflossen.

4.11.

Voorgaande feiten en omstandigheden bezien in onderlinge samenhang en in verband met de in artikel 2 onder b van de bijlage bij de Richtlijn opgenomen criteria maken naar het oordeel van de rechtbank dat de in artikel 19 van de AV 2005 opgenomen wijzigingsbevoegdheid niet kan worden aangemerkt als een oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn. Dit betekent dat de rechtbank geen grond ziet voor vernietiging van dat beding.

Dwaling
4.12. [eiser 2] heeft aangevoerd dat hij in de veronderstelling was dat hij een variabele rente op basis van Euribor was overeengekomen. Hij stelt dat in de overeenkomst niet specifiek wordt verwezen naar artikel 19 van de AV 2005 en hij artikel 20 heeft beschouwd als een nadere uiteenzetting van artikel 19. [eiser 2] stelt dat hij nooit zou hebben gekozen voor de variabele rente op grond van artikel 19 van de AV 2005 en daarom heeft gedwaald omtrent de overeengekomen rente.

4.13.

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling is vereist dat de dwaling is te wijten aan inlichtingen van de wederpartij en dat de wederpartij met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten, hetzij dat de wederpartij van dezelfde onjuiste veronderstelling is uitgegaan. Tevens is vereist dat de wederpartij heeft geweten of moeten begrijpen dat de omstandigheid, ter zake waarvan die contractant zich op dwaling beroept, voor hem in de eerdervermelde zin essentieel was. De partij die zich op dwaling beroept, zal aannemelijk moeten maken dat zij bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomst niet, of althans niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. Rabobank heeft gemotiveerd betwist dat aan de vereisten van dwaling is voldaan. Zoals hiervoor ten aanzien van de rentevorm al is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat uit de kopjes en de bewoordingen van de artikelen 19 en 20 duidelijk volgt dat artikel 19 ziet op variabele rente en dat van de artikel 20 niet ziet op variabele rente, maar op een bepaalde vorm van vaste rente, gebaseerd op Euribor. Niet valt in te zien dat verwarring kan ontstaan ten aanzien van de toepasselijkheid van artikel 19 van de AV 2005 en het niet toepasselijk zijn van artikel 20 van de AV 2005 op de onderhavige overeenkomst. Indien en voor zover [eiser 2] in dat verband heeft gedwaald, valt die dwaling niet toe te rekenen aan de inlichtingen die Rabobank aan [eiser 2] heeft verstrekt. Daar komt bij dat Rabobank onweersproken heeft gesteld dat [eiser 2] nooit aan haar kenbaar heeft gemaakt dat hij het Euribor tarief wilde, alsmede dat [eiser 2] in de met Rabobank gevoerde klantgesprekken nooit heeft geklaagd over de toepassing van het variabele tarief in plaats van het Euribor tarief.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep op dwaling van [eiser 2] moet worden afgewezen omdat deze stelling door [eiser 2] niet deugdelijk is onderbouwd.

Dit betekent dat de primair onder a) gevorderde vernietiging niet toewijsbaar is.

Onrechtmatige daad

4.14.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de overeengekomen rente, volgt dat geen sprake is van het kiezen van een andere grondslag of het wijzigen van de opslag als bedoeld in artikel 20 sub f van de AV 2005. Nu ook niet kan worden vastgesteld dat Rabobank in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 19 van de AV 2005 en evenmin is onderbouwd dat anderszins sprake is van een normschending van de zijde Rabobank zijn de primaire vorderingen onder c) en d), en subsidiaire vorderingen onder e) en f), bij gebrek aan feitelijke grondslag niet toewijsbaar.

slotsom

4.15.

Uit het voorgaande volgt dat geen van de vorderingen van [eiser 2] toewijsbaar is. [eiser 2] zal daarom evenals Renteclaim worden veroordeeld in de proceskosten van Rabobank. Aangezien zij beiden voor de gehele proceskosten aansprakelijk zijn, is de door Rabobank gevorderde hoofdelijke veroordeling toewijsbaar.

4.16.

De kosten aan de zijde van Rabobank worden begroot op:

- griffierecht 608,00

- salaris advocaat 1.808,00 (4 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 2.416,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser 2] af,

5.2.

veroordeelt Renteclaim en [eiser 2] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Rabobank tot op heden begroot op € 2.416,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Geerits, mr. I.R.A. Timmermans-Vermeer en mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2017.1

1 type: CB coll: