Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:956

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
09-02-2017
Zaaknummer
C/03/195533 / HA ZA 14-512
Rechtsgebieden
Europees civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Privaatrechtelijk optreden door de overheid (openbare verkoop van een landgoed en één geheel), het loyaliteitsbeginsel van artikel 4 lid 3 Verdrag betreffende Europese Unie en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Het beginsel van Unietrouw, schending van een EU-norm, égalité devant les charges publiques, evenredigheidsbeginsel, zorgvuldige belangenafweging, ondernemersrisico’s.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/195533 / HA ZA 14-512

Vonnis van 8 februari 2017

in de zaak van

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

BUREAU BEHEER LANDBOUWGRONDEN,

zetelend te 's-Gravenhage,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE LIMBURG,

zetelend te Maastricht,

eiseressen,

advocaat mr. G.J. van Midden,

tegen

1. de vennootschap naar Duits recht

GEBR. [X] GBR,

gevestigd te [vestigingsplaats X] , [vestigingsland X] ,

2. [de heer X],

wonende te [woonplaats de heer X]

gedaagden,

advocaat mr. E.F.M. van Loo.

Eisers zullen hierna BBL c.s. genoemd worden en BBL en de provincie afzonderlijk. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk [X c.s.] genoemd worden en [vennootschap X] en de heer [de heer X] afzonderlijk.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 22 juli 2015 en de daarin genoemde stukken

  • -

    de akte houdende producties 29 tot en met 35 van [X c.s.]

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek inclusief producties 36 tot en met 38

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 5 oktober 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Het landgoed “Welsmeer” (hierna het landgoed) is een landgoed, gelegen in de gemeente Bergen (Limburg), van 380 hectare groot, waarvan 40 hectare bosgebied en 240 hectare landbouwgebied.

2.2.

[X c.s.] is een teler van graszoden die geschikt zijn voor de aanleg en vervanging van voetbalvelden in grote accommodaties van betaalde voetbalorganisaties (in onder andere in Nederland, Duitsland, Denemarken Verenigd Koninkrijk, Polen, Tsjechië, Luxemburg, Oostenrijk, Spanje en Portugal).

2.3.

Voor de teelt van de graszoden pacht [X c.s.] sinds 1991 circa 112 hectare grond op het landgoed, telkens op basis van geliberaliseerde pachtovereenkomsten voor de duur van één jaar. [X c.s.] heeft in 2008 aan de toenmalige eigenaar kenbaar gemaakt dat zij geïnteresseerd was om delen van het landgoed te kopen.

2.4.

BBL heeft het landgoed medio 2009 in opdracht van de provincie gekocht van Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid/Landgoed Wellsmeer B.V.

2.5.

BBL is juridisch eigenaar van het landgoed, maar haar beschikkingsbevoegdheid is afhankelijk van de instructies van haar opdrachtgever, zijnde de provincie.

2.6.

Het doel van de aankoop van het landgoed was om zogeheten “inplaatsingslocaties” te creëren. Deze inplaatsingslocaties dienen ertoe ruimte te bieden aan landbouwbedrijven die (onder meer) vanwege het realiseren van natuurontwikkelingsprojecten in het kader van de aanleg van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) hun oude locaties hebben moeten verlaten.

2.7.

Uiteindelijk is het landgoed niet gebruikt als inplaatsingslocatie. De provincie wil daarom het landgoed weer verkopen en heeft daarover met verschillende geïnteresseerde partijen gesproken.

2.8.

Tot de geïnteresseerde partijen behoren [X c.s.] en [A] Graszoden B.V. te [vestigingsplaats A] (hierna [A] ). [A] is ook een onderneming die zich bezighoudt met het telen en aanleggen van graszoden voor sportvelden en stadions. [A] heeft eind 2010 aan de provincie kenbaar gemaakt dat zij het landgoed in het geheel wil kopen.

2.9.

Toen [X c.s.] vernam dat de provincie gesprekken voerde met [A] over de verkoop van het landgoed heeft zij ook bij brief van 22 oktober 2011 jegens de provincie kenbaar gemaakt dat ook zij geïnteresseerd was in de koop van het landgoed, althans de voor de teelt van graszoden benodigde delen. Later heeft [X c.s.] bij brief van 23 november 2011 samen met een andere pachter, te weten [B] Groenteverwerking B.V. opnieuw kenbaar gemaakt dat zij wilden worden betrokken bij de onderhandelingen omtrent de verkoop van het landgoed. Zij spraken daarbij de bereidheid uit een bod te doen op een deel, dan wel (gezamenlijk) het gehele landgoed.

2.10.

Op 3 februari 2012 vond een overleg plaats tussen [X c.s.] en de provincie.

2.11.

Op 21 april 2012 vond overleg plaats tussen [X c.s.] en [A] .

2.12.

Bij brief van 26 april 2012 heeft [X c.s.] aan de provincie een nadere juridische onderbouwing gegeven van haar bezwaren tegen de lopende onderhandelingen met [A] .

2.13.

Vervolgens hebben er diverse gesprekken plaatsgevonden tussen de betrokken partijen om tot een bevredigende oplossing te komen voor alle partijen, hetgeen niet is gelukt.

2.14.

Tegen voornoemde achtergrond heeft de provincie vervolgens besloten de onderhandelingen met [A] af te breken en over te gaan tot een openbare verkoop van het gehele landgoed, waarbij alle geïnteresseerden de gelegenheid wordt geboden het landgoed in eigendom te verwerven. De provincie heeft [A] en [X c.s.] bij brieven van 20 december 2012 en 5 februari 2012 geïnformeerd.

2.15.

[A] was het er niet mee eens dat de provincie de gesprekken afbrak en over wilde gaan tot openbare verkoop en heeft vervolgens een kort geding tegen de gemeente aanhangig gemaakt. De voorzieningenrechter oordeelde dat de onderhandelingen nog niet in een dermate vergevorderd stadium waren dat [A] erop mocht vertrouwen dat een overeenkomst tot stand zou komen. Evenmin was gebleken van omstandigheden die het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar maakten.

2.16.

Vervolgens is de provincie voorbereidingen gaan treffen voor een openbare verkoop van het landgoed in één geheel. [X c.s.] blijft zich daartegen verzetten.

2.17.

Op verzoek van de provincie heeft [A] inmiddels kenbaar gemaakt niet in rechte te zullen opkomen tegen de openbare verkoop van het landgoed in één geheel. [X c.s.] heeft bij brief van 19 mei 2014 kenbaar gemaakt dat zij terzake alle rechten en weren voorbehoudt.

3 Het geschil

3.1.

BBL c.s. vordert samengevat na wijziging van eis:

I een verklaring voor recht dat BBL en de provincie gerechtigd zijn om het landgoed
door middel van een openbare biedprocedure in het geheel te verkopen;

II hoofdelijke veroordeling van [vennootschap X] en de heer [de heer X] in de proceskosten,
vermeerderd met rente.

III de nakosten.

3.2.

[X c.s.] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vooreerst overweegt de rechtbank dat in de dagvaarding sprake is van een kennelijke verschrijving van de naam van gedaagde sub 2. Partijen zijn het erover eens dat [de heer X] in rechte is betrokken (en niet [C] ), zodat [de heer X] ook in de kop van dit vonnis is vermeld.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen als niet weersproken (en zelfs als uitdrukkelijk erkend) vast staat dat BBL c.s. gerechtigd is om het landgoed door middel van een openbare biedprocedure te verkopen. Kern van het geschil is de vraag of BBL c.s. door deze openbare biedprocedure te starten en het landgoed in zijn geheel te verkopen, in strijd handelt met enige door [X c.s.] aangevoerde norm. BBL c.s. stelt dat zij juist omwille van de zorgvuldigheid en in het belang van [X c.s.] heeft besloten om het landgoed niet onderhands maar openbaar te verkopen. Zij stelt dat zij als eigenaar gerechtigd is te bepalen op welke wijze dit gebeurd. Zij stelt dat zij niet gehouden is om het landgoed te verdelen in verschillende percelen, danwel de percelen die [X c.s.] momenteel pacht als apart “lot” in de markt te zetten, dan wel onderhands aan haar te verkopen.

4.3.

[X c.s.] stelt dat de handelwijze van BBL c.s. strijdig is met de volgende normen:

I primair strijd met het beginsel van Unietrouw (Artikel 4 lid 3 van het Verdrag betreffende Europese Unie (hierna VEU)),

II subsidiair schending van het evenredigheidsbeginsel,

III meer subsidiair schending van het beginsel van égalite devant les charges
publiques

4.4.

Waar partijen over van mening verschillen is de vraag of BBL c.s. verplicht is om vóórafgaande aan de openbare verkoop te onderzoeken wat het effect is van haar handelen op Europeesrechtelijke normen (in casu mededingingsrechtelijke normen) en die effecten in haar overwegingen omtrent de wijze van verkoop (verkoop in het geheel of in delen) te betrekken. Volgens [X c.s.] dient de overheid, indien zij een keuze heeft uit meerdere alternatieven die ieder afzonderlijk in gelijke mate geschikt zijn om het door de overheid beoogde doel te bereiken, het alternatief te kiezen dat de grensoverschrijdende mededinging (of een andere Europeesrechtelijke norm) binnen de interne markt het minst verstoort. Een en ander vloeit volgens [X c.s.] voort uit het beginsel van Unietrouw. [X c.s.] stelt primair dat BBL c.s. het hiervoor bedoelde onderzoek niet heeft verricht en vasthoudt aan een alternatief dat de concurrentie het meest vergaand verstoord, waardoor zij in strijd handelt met het beginsel van Unietrouw artikel 4 lid 3 VEU.

4.5.

Artikel 4 lid 3 VEU luidt als volgt:

“Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie en de lidstaten elkaar en steunen zij elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien. De lidstaten treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. De lidstaten vergemakkelijken de vervulling van de taak van de Unie en onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen.”

4.6.

Artikel 102 VwEU luidt als volgt:

“Onverenigbaar met de interne markt en verboden, voorzover de handel tussen lidstaten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, is het, dat een of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de interne markt of op een wezenlijk deel daarvan.

Dit misbruik kan met name bestaan in:

a. het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden;

b. het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de verbruikers;

c. het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging;

d. het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.”

4.7.

De rechtbank is van oordeel dat het beginsel van Unietrouw, zoals vastgelegd in artikel 4 lid 3 VEU geen zelfstandige norm betreft waaraan de (decentrale) overheid vóóraf (voordat zij handelt in welke hoedanigheid dan ook) dient te toetsen. In het VEU staan de doelstellingen opgeschreven die de Europese Unie na probeert te streven. Het beginsel van Unietrouw, ook wel loyaliteitsbeginsel genoemd, verwijst naar deze doelstellingen. Het houdt in dat lidstaten (de decentrale overheden) geen maatregelen mogen nemen die de doelstellingen van de Unie in de weg staan. Lidstaten mogen door het loyaliteitsbeginsel niet handelen tegen al het Unierecht, zoals Verdragen en secundaire wetgeving. Indien zelfstandige betekenis zou worden toegekend aan het beginsel van Unietrouw dan zou dat een onmogelijk taak opleveren voor (decentrale) overheden om voorafgaande aan elk privaatrechtelijk en/of publiekrechtelijk optreden te onderzoeken of dàt optreden tot gevolg heeft dat een (rechts)persoon (wie dan ook) een Europeesrechtelijke norm (hoe breed ook: milieunormen, normen op gebied van intellectuele eigendom, normen op gebied van mededinging, normen op gebied van mensenrechten etcetera) kàn overtreden. Dat elk mogelijk scenario zou moeten worden onderzocht voordat de overheid zou handelen gaat naar het oordeel van de rechtbank te ver, alleen al omdat nooit een situatie bestaat dat alle (rechts)personen, die mogelijk een norm zouden kunnen overtreden, in beeld zijn bij die overheid, laat staan dat op voorhand met zekerheid kan worden vastgesteld dat die (rechts)persoon door het overheidshandelen een Europeesrechtelijke norm ook daadwerkelijk zullen schenden (nog daargelaten de vraag of de overheid überhaupt invloed heeft op de gedragingen van die (rechts)persoon).

4.8.

Naar het oordeel van de rechtbank komt in geen van de door [X c.s.] aangehaalde jurisprudentie naar voren dat een lidstaat (althans de decentrale overheden) gehouden is om bij elk overheidshandelen (noch publiekrechtelijk, noch privaatrechtelijk) vooraf rekening dient te houden met een mogelijke schending van de doelen van de Europese Unie door wie dan ook. Naar het oordeel van de rechtbank dient derhalve allereerst sprake te zijn van schending van een Europese norm en pas daarna kan getoetst worden of de betrokken lidstaat in strijd heeft gehandeld met het beginsel van Unietrouw, doordat zij bijvoorbeeld op de hoogte was van de schending of zelfs mee heeft geholpen aan de schending. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit een en ander reeds voort uit het doel van het VEU en de aard van het ruime beginsel van Unietrouw.

4.9.

De rechtbank ziet in het voorgaande ook geen aanleiding om een prejudiciële beslissing te vragen aan het HvJ, zoals is verzocht door [X c.s.]

4.10.

[X c.s.] heeft uitdrukkelijk erkend dat [A] op dit moment geen machtspositie heeft in de zin van artikel 102 VwEU en zij heeft uitdrukkelijk niet betoogd:

(i) dat [A] ten gevolge van een openbare verkoop van het landgoed automatisch in een machtspositie in de zin van artikel 102 VwEU komt te verkeren op de betrokken markt voor sportgraszoden,

(ii) dat [A] vervolgens zonder meer misbruik van die machtspositie zal maken

(iii) dat BBL c.s. het desbetreffende misbruik zal kunnen worden verweten

(iv) of dat als gevolg van de beoogde openbare verkoop een bijzonder recht overeenkomstig artikel 106 VwEU zal worden verleend.

4.11.

Nu niet gesteld of gebleken is dat sprake is van schending van een Europeesrechtelijke norm en ook niet vaststaat dat een Europeesrechtelijke norm zal worden geschonden indien het landgoed een door middel van een openbare biedprocedure in het geheel wordt verkocht, is de rechtbank van oordeel dat de handelwijze van BBL c.s. ook niet strijdig kan zijn met het beginsel van Unietrouw. Het primaire verweer slaagt derhalve niet.

4.12.

Subsidiair heeft [X c.s.] haar verweer gebaseerd op een schending van het evenredigheidsbeginsel. In dat kader stelt zij dat (i) BBL c.s. niet de nodige kennis heeft vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen (artikel 3:2 Awb), (ii) BBL c.s. heeft nagelaten de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen op zorgvuldige wijze af te wegen (artikel 3:4 lid 1 Awb) en (iii) de voor [X c.s.] nadelige gevolgen van deze besluiten onevenredig zijn in verhouding tot de met die besluiten te dienen doelen (artikel 3:4 lid 2 Awb).

4.13.

De rechtbank stelt voorop de BBL c.s. bij de verkoop van het landgoed een privaatrechtelijke bevoegdheid uitoefent in haar hoedanigheid van eigenaar. Het is weliswaar juist dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ook gelden in het kader van privaatrechtelijk overheidshandelen, maar dat gaat niet zover dat het handelen altijd van kleur verschiet. Met andere woorden dat privaatrechtelijk handelen een publiekrechtelijke taak wordt.

4.14.

Naar het oordeel van de rechtbank betekent het voorgaande dat BBL c.s. bij het maken van haar keuzes aangaande de openbare verkoop van het landgoed naast haar eigen belang (bijvoorbeeld het genereren van een zo hoogst mogelijke opbrengst voor het landgoed) ook, naar evenredigheid, rekening moet houden met de belangen van derden, zoals [A] , [X c.s.] , [B] en andere geïnteresseerden in het landgoed. Het ligt dus op de weg van [X c.s.] om te stellen en voldoende te onderbouwen dat BBL c.s. door het landgoed in zijn geheel openbaar te koop aan te bieden in strijd handelt met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

4.15.

Tegen die achtergrond is het opmerkelijk dat [X c.s.] stelt dat elk bewijs ontbreekt van een deugdelijke gemotiveerde privaatrechtelijke beslissing tot verkoop via een openbare biedprocedure, dat volstrekt onduidelijk is welke belangenafweging de provincie heeft verricht en of de provincie in haar belangenafweging heeft meegewogen dat delen van het landgroep speciale grond betreft. [X c.s.] is juist degene die moet stellen en bewijzen dat de provincie een onjuiste afweging heeft gemaakt bij haar uiteindelijke keuze om het landgoed in het geheel, openbaar te verkopen. BBL c.s. heeft niet geheimzinnig gedaan over haar uiteindelijke keuze. Zij heeft immers (onweersproken) aangegeven dat zij juist omwille van [X c.s.] en mogelijk andere geïnteresseerden de onderhandelingen met individuele geïnteresseerden (waaronder [A] ) heeft beëindigd (reden waarom zij zelfs in een procedure door [A] is betrokken), teneinde iedereen een gelijke kans (indachtig het zorgvuldigheids- en gelijkheidsbeginsel) te bieden door er voor te kiezen het landgoed openbaar te koop aan te bieden en daaraan geen enkel gebruiksvoorschrift te verbinden.

4.16.

Het enkele feit dat [A] wel en [vennootschap X] niet kapitaalkrachtig genoeg is om het landgoed in het geheel te verwerven is niet iets waarmee BBL c.s. te allen tijde rekening moet houden. Het is naar het oordeel van de rechtbank een omstandigheid die in eerste instantie voor rekening van de ondernemer zelf komt. Het staat [X c.s.] , indien zij financieel niet in staat is om het gehele landgoed te verwerven, vrij om tezamen met derden een bod te doen. Dat een dergelijk bod c.q. samenwerking met anderen wellicht meer rechten en plichten in het leven roept is naar het oordeel van de rechtbank een omstandigheid die [X c.s.] als ondernemer aangaat. Het landgoed opsplitsen in delen is daarmee niet zonder meer een oplossing die voor iedereen het meest gunstig is. Wellicht voor [X c.s.] wel, maar voor anderen (waaronder BBL c.s. zelf en [A] ) niet. De rechtbank ziet niet in waarom de mededinging minder zou worden verstoord (bezien vanuit marktpartij [A] ) indien BBL c.s. ervoor zou kiezen om de pachtrelatie met [X c.s.] te handhaven, danwel wanneer de door [X c.s.] thans gepachte gronden aan haar worden verkocht. Ten slotte is open concurrentie ook een belangrijke voorwaarde voor een vrije Europese handel en het totstand brengen van de Europese interne markt. Het is weliswaar juist dat van BBL c.s. mag worden verwacht dat zij ten opzichte van [X c.s.] zorgvuldig handelt, gezien haar lange pachtrelatie, maar dat gaat naar het oordeel van de rechtbank niet zover dat [X c.s.] zonder meer behoort te worden beschermd dan wel voordeel dient te hebben. Zeker nu [X c.s.] er zelf voor heeft gekozen om haar verdienmodel/ haar “corebusiness” te richten op de teelt van hoogwaardige sportgraszoden en bovendien sprake is van geliberaliseerde pacht, waarbij de grond telkens slechts voor een of twee jaar werd gepacht en [X c.s.] dus in geen enkel opzicht een langdurige en zekere positie had voor wat betreft het gebruik van de grond. [X c.s.] had als ondernemer steeds bedacht moeten en kunnen zijn op een mogelijke beëindiging van de pacht. [X c.s.] is een ondernemer, daarbij horen ondernemersrisico’s. Over het antwoord op de vraag in hoeverre die ondernemersrisico’s meebrengen dat de overheid een andere afweging moet maken, heeft [X c.s.] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld, althans zijn de genoemde ondernemersrisico’s in het onderhavige geval - gelet op voornoemde feiten en omstandigheden - niet anders of ernstiger dan gebruikelijk bij het voeren van een onderneming. Overigens is ook nog ongewis of er een einde komt aan het gebruik van de grond en/of aan de bedrijfsactiviteiten van [X c.s.] na een openbare verkoop van het landgoed in zijn geheel.

4.17.

In het licht van het voorgaande kan het BBL c.s. niet worden verweten dat zij in strijd handelt met het formele zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en/of evenredigheidsbeginsel in die zin dat zij geen of een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt. BBL c.s. heeft in deze voorfase naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden met alle belangen van de betrokken partijen en heeft juist met het oog op die belangen gekozen voor een openbare verkoop van het geheel. Het druist juist in tegen de genoemde beginselen om ten behoeve van [X c.s.] maatwerk te leveren.

4.18.

Meer subsidiair heeft [vennootschap X] een beroep gedaan op het beginsel van égalité devant les charges publiques. De rechtbank is van oordeel dat dit beginsel in casu geen rol speelt. Daartoe overweegt de rechtbank dat de overheid op grond van dit beginsel gehouden is tot compensatie van onevenredige – buiten het normale maatschappelijk risico vallende en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende – schade die is ontstaan in een door de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid ontstane rechtsverhouding. In casu is echter geen sprake van het uitoefenen van een publiekrechtelijke bevoegdheid of taak. BBL c.s. ontleent haar bevoegdheid om het landgoed te verkopen, zoals hiervoor al overwogen, niet aan een publiekrechtelijke grondslag, maar zij mag dat doen als (private) eigenaar van de grond. Dit laatste wordt overigens ook niet door [X c.s.] betwist. De nuance dat het landgoed in zijn geheel wordt verkocht, valt niet onder het beginsel van égalité devant les charges publiques en biedt het beginsel geen bescherming c.q. nadeelscompensatie. Aan een beoordeling van de vraag of sprake is van een “buiten het normale maatschappelijk risico vallende (abnormale last) en op een beperkte groep of instellingen drukkende schade (speciale last)” komt de rechtbank niet toe.

4.19.

Nu [X c.s.] verder geen andere verweren heeft gevoerd ligt de gevorderde verklaring voor recht voor toewijzing gereed.

4.20.

BBL c.s. vordert om de gevorderde verklaring voor recht uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, echter dat deel van de vordering wordt afgewezen, omdat een verklaring voor recht naar haar aard niet vatbaar is voor tenuitvoerlegging en daarom niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard.

4.21.

[X c.s.] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van BBL c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 153,80

- griffierecht 608,00

- salaris advocaat 1.356,00 (3,0 punt × tarief € 452,00)

Totaal € 2.117,80

4.22.

De vordering tot veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. Nu het zogenaamde liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven voorziet in een forfaitair tarief voor die kosten en de rechtbank dat tarief pleegt te volgen, zijn die kosten nu al te begroten. De rechtbank zal de nakosten toewijzen, zoals nader in het dictum wordt bepaald.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat BBL en de provincie gerechtigd zijn om het landgoed Wellsmeer door middel van een openbare biedprocedure in het geheel te verkopen,

5.2.

veroordeelt [X c.s.] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaald de ander zal zijn bevrijd in de proceskosten, aan de zijde van BBL c.s. tot op heden begroot op € 2.117,80, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [X c.s.] in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 68,00 indien [X c.s.] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan én betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden,

5.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2017.1

1 type: SS coll: