Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:9547

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1057
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

AW. Tenuitvoerlegging strafontslag c.q. ontslag wegens duurzaam verstoorde verhoudingen. De rechtbank is van oordeel dat eiser zich niet (opnieuw) schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Er is wel sprake van een verstoorde arbeidsverhouding, waarin partijen een gelijk aandeel hebben gehad.

(samenhang met AWB 16/1116 WW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 16/1057

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R. Boskma),

en

het dagelijks bestuur van Veiligheidsregio Zuid-Limburg, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P.W. Steuten).

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld de aan hem bij besluit van 11 december 2012 opgelegde disciplinaire straf van ontslag ten uitvoer te leggen, omdat eiser zich binnen de proeftijd van drie jaar schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Subsidiair heeft verweerder eiser ontslag verleend wegens duurzaam verstoorde verhoudingen.

Bij besluit van 26 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2017. Eiser en zijn partner zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, [naam 1] , [naam 2] en

mr. J.S.A.E. Hagelstein.

Overwegingen

1. De rechtbank verwijst voor wat betreft de voorgeschiedenis naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 5 november 2015, waarbij het hoger beroep van eiser gericht tegen de uitspraak van deze rechtbank van 13 oktober 2014, inzake de hem opgelegde disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag, ongegrond is verklaard.

2. Naar aanleiding van een voorval (gesprek) op 18 augustus 2015 tussen eiser en de kazerne-chef [naam chef] heeft verweerder eiser bij besluit van 17 september 2015 geschorst in het belang van de dienst (met behoud van bezoldiging). Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt -kort weergegeven- dat eiser op 18 augustus 2015 de heer [naam chef] denigrerend, onheus, gericht op conflict en respectloos heeft bejegend. Voorts stelt verweerder dat eiser zich door middel van een e-mailbericht van 26 juli 2015 op onbetamelijke toon heeft gewend tot het hoofd P&O [naam hoofd P&O] , met een verzoek om informatie/toelichting. Beide gedragingen worden door verweerder als plichtsverzuim aangemerkt, op grond waarvan moet worden overgegaan tot tenuitvoerlegging van het aan eiser opgelegde voorwaardelijke strafontslag. Subsidiair stelt verweerder dat eisers steeds weer conflictgerichte opstelling heeft geleid tot blijvend verstoorde werkverhoudingen.

4. Eiser voert in beroep aan -kort samengevat- dat hem inmiddels door het UWV een WW-uitkering is toegekend, waaruit mag worden afgeleid dat in elk geval het UWV van mening is dat eiser geen ernstige verwijten te maken zijn. Verder stelt eiser dat de commissie advisering bezwaarschriften (commissie) van oordeel is dat de e-mail aan [naam hoofd P&O] niet als plichtsverzuim kan worden aangemerkt. In dit verband stelt eiser dat de e-mail wel kritisch was, maar dat de grens van het betamelijke niet is overschreden. Over het gesprek op 18 augustus 2015 stelt eiser dat uit het gespreksverslag niet blijkt dat eiser zich agressief zou hebben gedragen richting [naam chef] . Na dit gesprek is niets voorgevallen en heeft hij zijn werkzaamheden op normale wijze verricht. Met betrekking tot de subsidiaire ontslaggrond stelt eiser dat niet is gebleken dat de verhoudingen ernstig zijn verstoord. Volgens eiser is er geen sprake van dat sommige collega’s niet meer met hem zouden willen samenwerken.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Over de primaire ontslaggrond (tenuitvoerlegging strafontslag) overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 16:1:2, derde lid, van de CAR/UWO, kan bij het opleggen van een straf worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.

Ingevolge artikel 16:1:1, van de CAR/UWO, omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

7. Vast staat dat verweerder bij besluit van 11 december 2012 aan eiser wegens ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag heeft opgelegd, met dien verstande dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd indien eiser zich gedurende drie jaar na verzending of uitreiking van dit besluit niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim of enig ander ernstig plichtsverzuim. Dit besluit is in rechte komen vast te staan.

8. Volgens vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld:ECLI:NL:CRVB:2016:4818) moet bij de toetsing van een besluit tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk strafontslag worden beoordeeld of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van het eerder opgelegde voorwaardelijk strafontslagontslag rechtvaardigt. Naast die beoordeling is geen plaats voor een evenredigheidstoetsing. Beoordeeld moet dus worden of de gestelde voorwaarde voor de tenuitvoerlegging is vervuld en, zo ja, of het bestuursorgaan de voor die tenuitvoerlegging in aanmerking te nemen belangen heeft afgewogen en in redelijkheid tot die tenuitvoerlegging heeft kunnen komen. Gezien het karakter van een besluit tot tenuitvoerlegging is deze belangenafweging van beperkte betekenis. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan van een bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van tenuitvoerlegging in een geval waarin de voorwaarde daarvoor is vervuld.

9. Over de vraag of eiser zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim overweegt de rechtbank het volgende.

Het aan eiser verweten plichtsverzuim bestaat volgens verweerder uit:

- het versturen van de e-mail van 26 juli 2015 aan [naam hoofd P&O] ;

- de bejegening van de heer [naam chef] op 18 augustus 2015.

10. Ter beoordeling ligt voor of deze gedragingen van eiser van dien aard zijn dat daaraan de kwalificatie plichtsverzuim kan worden gegeven.

11. Blijkens het gespreksverslag van [naam chef] van 19 augustus 2015 heeft eiser tegen hem onder meer gezegd dat: het MT en de KC zijn gezin bestelen; de afgelopen 4 tot 5 jaar de organisatie wordt afgebroken en welke goede zaak hij ( [naam chef] ) überhaupt heeft kunnen realiseren voor de post.

Blijkens het gespreksverslag van 20 augustus 2015 heeft eiser op de inhoud van voornoemd gesprek met [naam chef] niet willen reageren.

In een aanvulling van 6 september 2015 op zijn verslag van 19 augustus 2015 stelt [naam chef] dat eiser bij tijd en wijle geen leiding accepteert en zich op een zeer respectloze en denigrerende manier uit (naar hem en de organisatie).

Bij e-mail van 11 september 2015 heeft eiser zijn excuses gemaakt voor het ontstane ongemak. Achteraf gezien had hij zijn standpunten beter op een andere manier moeten overbrengen.

In de e-mail van 26 juli 2015 aan het hoofd P&O, [naam hoofd P&O] , heeft eiser (onder meer) gevraagd of hij “juridisch verplicht is deze eenzijdige, onnodige, ongecommuniceerde, belastende, in strijd met het ATB, en de na mijn maanden aangevraagd verlof gemaakte nieuwe werkafspraken uit te voeren?”

12. Blijkens het advies van de commissie van 8 januari 2016 is deze van oordeel dat het gesprek van eiser met [naam chef] op 18 augustus 2015 als plichtsverzuim moet worden aangemerkt, vanwege de inhoud van de uitlatingen van eiser jegens [naam chef] die als respectloos en denigrerend moeten worden aangemerkt.

De commissie is van oordeel dat verzending van de e-mail niet als plichtsverzuim kan worden aangemerkt, omdat hierin geen onwelvoeglijk taalgebruik is gebezigd, dan wel [naam hoofd P&O] anderszins onheus of respectloos is bejegend. Eiser heeft de grenzen van het betamelijke niet overschreden.

13. De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van plichtsverzuim niet enkel de inhoud en de toonzetting van de door eiser gedane, schriftelijke en mondelinge, mededelingen van belang zijn, maar ook de context waarin de verweten uitlatingen werden gedaan.

Ondanks het advies van de commissie, heeft verweerder in de e-mail van 26 juli 2015 met name als onbehoorlijk aangemerkt de vraag van eiser: ‘Ben ik juridisch verplicht deze eenzijdige, onnodige, ongecommuniceerde, belastende, in strijd met het ATB, en de na mijn maanden aangevraagd verlof gemaakte nieuwe werkafspraken uit te voeren?’ De rechtbank is van oordeel dat noch deze, op de nieuwe verlofregeling betrekking hebbende, vraag noch de overige inhoud van de e-mail, alhoewel stevig van toon, het predicaat onbetamelijk verdient, temeer nu deze aan [naam hoofd P&O] , hoofd P&O van verweerder, en daarmee logisch aanspreekpunt in deze, was gericht en ook alléén aan haar, en niet aan derden. Weliswaar stuurde eiser, voor het geval [naam hoofd P&O] met vakantie zou zijn, de email ook naar de afdeling P&O, maar dit betrof nog steeds een beperkte kring, die bovendien binnen de organisatie van verweerder de aangewezen afdeling vormt om rechtspositionele zaken te regelen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het versturen van de e-mail van 26 juli 2015 niet als plichtsverzuim worden aangemerkt.

14. Met betrekking tot het gesprek van 18 augustus 2015 tussen eiser en [naam chef] , kazerne chef en leidinggevende van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. [naam chef] heeft in zijn e-mail van 19 augustus 2015 dat gesprek als volgt weergegeven:

‘Gisterennamiddag d.d. 18 augustus 2015 bij het naar huis gaan rond 17.20 uur liep ik collega [eiser] tegen het lijf. Ik had [eiser] afgelopen week nog niet gezien op de kazerne en vroeg oprecht geïnteresseerd hoe zijn vakantie was geweest. Hij antwoordde dat deze goed was maar wel te kort en dat kwam door ons. Tevens was de vakantie altijd beter dan hier op de kazerne. Hij schakelde dus eigenlijk al direct om naar een negatieve houding jegens de organisatie en mijzelf. Het MT en de KC bestelen zijn gezin. Hij functioneert zijns inziens goed en toch wordt de 2,5% uitloop niet toegekend- onbegrijpbaar volgens hem. Ik heb hem nogmaals uitgelegd dat het MT expliciet disciplinaire trajecten heeft benoemd in het besluit rondom wel of niet toekenning van uitloop. Vervolgens geeft hij aan dat de afgelopen 4 tot 5 jaar de organisatie wordt afgebroken en vraagt mij welke goede zaak ik überhaupt heb kunnen realiseren voor de post? Ik heb aangegeven dat ik al een tijdje op een positieve manier met [eiser] in gesprek wil komen, maar dat deze manier van communiceren hier niet aan bijdraagt. Op de vraag wat ik c.q. de organisatie voor hem betekend heeft, heb ik geantwoord: 1. Jij hebt nog werk, 2. Jij hebt nog standplaats Maastricht. Zijn reactie: en daar moet ik dan ook nog blij mee zijn? Dit gesprek leidde tot niets en heb ik dan ook afgerond met de mededeling dat zodra [naam ploegchef] (ploeg chef van [eiser] ) terug is van vakantie wij gezamenlijk aan de tafel gaan zitten om e.e.a. te bespreken. Het gesprek heeft plus minus 10-15 minuten geduurd. Overigens is dit op correcte manier gegaan zonder stem verhef of ander uitingen’.

Eiser heeft deze weergave van de inhoud en het verloop van het gesprek niet weersproken, zodat de rechtbank hiervan uitgaat.

15. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen plichtsverzuim heeft gepleegd door zijn uitlatingen. Er is sprake van een gesprek tussen eiser en zijn leidinggevende, waarbij geen andere personen aanwezig waren. In dat gesprek heeft eiser het MT en de KC beschuldigd van “het bestelen van zijn gezin”, maar wel in relatie tot de beslissing van de leiding, dat hij vanwege het voorwaardelijk strafontslag geen recht heeft op de 2,5% uitloop. Eiser heeft zich stevig uitgedrukt richting zijn leidinggevende, maar daaraan ligt sterke onvrede over enkele besluiten van personele aard en van een reorganisatie ten grondslag. De reorganisatie is weliswaar al enkele jaren geleden, maar kennelijk zat dit eiser nog steeds hoog. Hoewel de vraag van [naam chef] niet ongebruikelijk is na een vakantie en de reactie van eiser op deze vraag [naam chef] kennelijk overviel, heeft eiser zich door zijn uitlatingen niet schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Als sprake is van ongenoegen over organisatorische of personele zaken is de leidinggevende juist de persoon bij uitstek om dit mee te bespreken, ook al kwam dit voor de heer [naam chef] onverwacht. De uitingen zijn gedaan in een één-op-één gesprek dat op rustige wijze is verlopen. Er is niet gedreigd, er zijn geen beledigingen geuit en er is niet geschreeuwd. Er is geen sprake van een persoonlijke beschuldiging, maar van het MT en de KC in hun hoedanigheid.

De uitlatingen van eiser zijn stevig, maar in dit verband acht de rechtbank het van belang dat van een leidinggevende een zeker incasseringsvermogen mag worden verwacht, zelfs als sprake is van onterecht geuite beschuldigingen. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijk gesprek, zonder bijkomende omstandigheden, geen plichtsverzuim oplevert.

16. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat eiser zich niet (opnieuw) schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Dit betekent dat de gestelde voorwaarde voor de tenuitvoerlegging van het eerder opgelegde strafontslag niet is vervuld.

17. Over de subsidiaire ontslaggrond (verstoorde verhoudingen) overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 8:8 van de CAR/UWO kan een ambtenaar die vast is aangesteld eervol worden ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (bijvoorbeeld: uitspraak van 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:137) kan een ontslaggrond als die van artikel 8:8 van de CAR/UWO worden toegepast als sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd. Het peilmoment voor de beoordeling van de verstoorde verhoudingen of de impasse ligt bij de datum van beëindiging van het dienstverband en niet bij de datum van de beslissing op bezwaar (uitspraak van 3 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8633). De vraag die dus beantwoord moet worden is of er op 23 mei 2014 (datum ontslagbesluit) sprake was van een impasse/verstoorde verhoudingen.

18. Aan de stelling van verweerder dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding is door verweerder het volgende ten grondslag gelegd:

- de steeds weer conflictgerichte opstelling van eiser. Eiser zoekt voortdurend de confrontatie en lokt conflicten uit met collega’s van wie hij vermoedt dat zij een andere mening hebben;

- zelfs de dreiging van strafontslag helpt niet;

- verweerder ziet niet in hoe eiser binnen de organisatie constructief kan samenwerken met leidinggevenden;

- er zijn drie leidinggevenden ( [naam 2] , [naam chef] en [naam 1] die niet meer met eiser kunnen/willen samenwerken;

- er zijn diverse collega’s die hebben aangegeven niet meer met eiser te kunnen samenwerken. Verweerder houdt deze namen anoniem ter bescherming van de medewerkers.

19. De rechtbank is van oordeel dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting het beeld naar voren komt van een medewerker die de reorganisatie niet los kan laten en die blijft terugkomen met kritiek. In het dossier bevinden zich voorts enkele voorbeelden van de manier waarop eiser communiceert, hetgeen ter zitting ook nog eens is bevestigd. Gelet op het vorenstaande en het feit dat door verweerder ter zitting is verklaard dat eisers leidinggevenden niet meer met hem willen samenwerken, is de rechtbank van oordeel dat de verhoudingen zodanig zijn verstoord dat een voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet van verweerder kan worden verlangd. Ook eiser heeft ter zitting erkend dat de verhoudingen inmiddels ernstig zijn verstoord.

20. Met betrekking tot de vraag of eiser recht heeft op een (aanvullende) vergoeding (uitkering) overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 10d:4, eerste en derde lid, van de CAR/UWO treft voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt, het college een passende regeling en betrekt het college bij de vaststelling van de regeling de inhoud van dit hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.

Verweerder stelt geen reden te zien om in dit geval een andere passende regeling te treffen dan toekenning van (de garantie op) WW.

Op grond van de uitspraken van 28 februari 2013 (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2043) kan verder aanleiding bestaan om bovenop de werkloosheidsuitkering, de aanvullende uitkering en de na-wettelijke uitkering een compensatie toe te kennen met toepassing van de in die uitspraken neergelegde formule. Voor een compensatie bovenop de aan appellant gegarandeerde werkloosheidsuitkering en aanvullende uitkering bestaat slechts aanleiding als verweerder een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid. Als sprake is van een overwegend aandeel van verweerder is vervolgens voor de berekening van de hoogte van die compensatie de mate van het overwegend aandeel van het college van belang. Voor die berekening gelden in dit geval de door de CRvB in de genoemde uitspraak vastgestelde uitgangspunten. Daarbij wordt naar de mate van het overwegend aandeel onderscheid gemaakt tussen de bandbreedten 51 tot 65% (factor 0,5), 65 tot 80% (factor 0,75) en 80 tot 100% (factor 1).

21. De rechtbank is van oordeel dat partijen een gelijk aandeel hebben gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag van eiser heeft geleid. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser kan worden verweten dat hij voormelde reorganisatie maar niet los kan laten en dat hij blijft terugkomen met kritiek. Ook zijn manier van communiceren met (met name) leidinggevenden verdient geen schoonheidsprijs. De ontstane situatie is echter niet volledig aan eiser te wijten. Blijkens het dossier is verweerder nooit op constructieve wijze in gesprek gegaan met eiser om te praten over zijn manier van communiceren, waarbij een vorm van coaching wel voor de hand had gelegen. Verweerder was immers op de hoogte van het feit (zie bijvoorbeeld de e-mail van 14 maart 2013 van [naam chef] ) dat eiser moeite heeft om op een juiste wijze te reageren als hij vindt dat hem onrecht wordt aangedaan.

22. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag van eiser heeft geleid. Dit betekent dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien voor het treffen van een nadere regeling.

23. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de primaire ontslaggrond. Nu de rechtbank het bestreden besluit slechts gedeeltelijk vernietigt, blijft de subsidiaire ontslaggrond in stand.

24. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

25. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de tenuitvoerlegging van het (voorwaardelijk) strafontslag;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs (voorzitter), en mr. M.M.T. Coenegracht en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 3 oktober 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.