Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:9497

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
03-10-2017
Zaaknummer
6192393 AZ VERZ 17-100
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzochte transitievergoeding niet toewijsbaar nu geen van de wettelijke grondslagen daarvoor aan de orde zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1199

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer 6192393 AZ VERZ 17-100

Beschikking van 28 september 2017

in het verzoek van

[verzoeker] ,

wonend te [woonplaats] aan de [adres] ,

verzoekende partij,

gemachtigde R.T.G.M. Heijnen

tegen

de besloten vennootschap EMR ENGINEERING MANAGEMENT RECOURCES B.V.,

gevestigd te Hoensbroek,

verwerende partij,

gemachtigde mr. J.W. Janssens.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en EMR genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 26 juli 2017 ter griffie ontvangen verzoekschrift

  • -

    het verweerschrift

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting d.d. 26 september 2017, waar beide partijen hun standpunten nader hebben toegelicht, de gemachtigde van [verzoeker] aan de hand van een pleitnota.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

EMR is een multidisciplinair ingenieursbureau dat onder andere technische specialisten detacheert.

2.2.

[verzoeker] is sinds 8 augustus 2011 krachtens arbeidsovereenkomst (op projectbasis) in dienst getreden van EMR in de functie van “Piping tekenaar / PID checker”, welke overeenkomst op enig moment (zo niet vóór dan wel na de wetswijziging van 1 juli 2015) op grond van art. 668a lid 1 BW voor onbepaalde tijd is gaan gelden.

2.3.

Het laatste project waar [verzoeker] voor werd ingezet, eindigde op 28 april 2017, doordat de opdrachtgever, Ecophos Industrial Services, die opdracht op 29 maart 2017 had opgezegd met een opzegtermijn van vier weken (productie 2 bij verweerschrift).

2.4.

EMR heeft vervolgens gezocht naar een nieuwe opdracht voor [verzoeker] en heeft op 19 april 2017 een opdracht (van het bedrijf Fluor in Antwerpen) aan [verzoeker] (telefonisch) aangeboden, op welk aanbod [verzoeker] niet is ingegaan.

Daarop heeft EMR diezelfde dag nog een e-mail aan [verzoeker] gestuurd met de volgende inhoud:

“Beste [verzoeker] ,

Vandaag 19 april 2017 om ca. 11.00 uur hebben wij telefonisch contact gehad met jou inzake een

kennismakingsgesprek bij onze klant in Antwerpen, dat deze week wellicht zou plaats vinden.

We wilden je alvast informeren zodat je m.b.t. je agenda hier rekening mee kon houden.

Hierop was jou antwoord: ik ga niet op gesprek in Antwerpen en ik ga ook niet werken in Antwerpen.

Deze uitspraak zullen wij dan interpreteren als werkweigering en in ons P-dossier vastleggen.

Daarnaast gaf jij ook aan dat jij na 28 april 2017 geen verplichtingen meer hebt jegens EMR BV, wij zullen dit ter kennis aannemen.

Ik heb jou erop gewezen dat EMR BV jou uitspraken graag schriftelijk wil ontvangen.”

2.5.

[verzoeker] heeft daarop dezelfde dag gereageerd met het volgende e-mailbericht.

“Beste [naam] en [naam directeur] ,

Na aanleiding wat er vandaag speelde en in verband met onduidelijkheid over mijn contract en werkovereenkomsten voorwaarden, zou ik graag willen weten wat nu mijn arbeidsovereenkomst is.

Ben ik nog steeds aan het project bezig wat wij op 8 juli 2011 hebben getekend (04519.01 ) of ben ik in deze periode met andere projecten bezig geweest, volgens jou?

Ik ben hiervan uit gegaan omdat er geen verdere overeenkomsten zijn gesloten.

Kun je me spoedig uitleg geven en evt. overeenkomsten doorsturen zodat ik me hierin kan verdiepen.”

2.6.

Twee dagen later, op 21 april 2017, heeft [verzoeker] een WW-uitkering aangevraagd.

2.7.

Op 24 april 2017 heeft [verzoeker] het navolgende e-mailbericht aan EMR verzonden:

“Geachte heer [naam directeur] , beste [naam directeur] ,

Vanochtend gaf ik u aan dat ik vanavond niet in de gelegenheid ben om het gesprek aan te gaan, omdat mijn vrouw verhinderd is en ik niet alleen wil komen. Omdat ik wegens ziekte helaas ook verhinderd ben om in te gaan op de uitnodiging van [naam] om morgenmiddag om tafel te gaan, bericht ik u alvast per e-mail.

Recent heeft, zoals u weet, Ecophos (voorheen: Temco) de opdracht waarop ik werkzaam ben met ingang van 29 april a.s. beëindigd. Bijgevolg is 28 april as. de laaste dag van de opdracht. Aangezien ik in dienst ben bij EMR op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van deze opdracht, eindigt op grond van artikel 1 lid 2 mijn arbeidsovereenkomst van rechtswege. Dat betekent dus dat 28 april a.s. mijn laatste werkdag is. Voor de goede orde: ik zeg mijn arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk niet zelf op, maar het dienstverband eindigt van rechtswege.

(…)

Tot slot wil ik u bedanken voor de prettige samenwerking en wens ik u en uw onderneming veel succes toe.”

2.8.

Op 1 mei heeft EMR het volgende e-mailbericht aan [verzoeker] verzonden:

“ [verzoeker] ,

Bij deze bevestig ik dat je mij in kennis gesteld hebt, dat jou ww uitkering is vanaf 1 mei 2017 door het UWV is

toegekend.

Voor de goede orde verzoek ik je alsnog voor een reactie op de overhandigde concept vaststellings overeenkomst.”

2.9.

Diezelfde dag heeft [verzoeker] als volgt aan EMR gereageerd:

“Geachte heer [naam directeur] , beste [naam directeur] ,

Zoals ik je reeds eerder berichtte, is mijn arbeidsovereenkomst met het stoppen van het project afgelopen vrijdag van rechtswege geëindigd. Volgens mij heeft het dan ook geen toegevoegde waarde meer om een vaststellingsovereenkomst te tekenen aangezien ik op dit moment geen dienstverband meer heb. Bovendien is er reeds een WW-uitkering toegekend.”

2.10.

Eind april 2017 heeft EMR een ante-gedateerde brief aan [verzoeker] verzonden met de volgende inhoud:

“Hoensbroek, 29 maart 2017

Betreft: Beëindiging Dienstverband

Geachte heer [verzoeker] ,

Tot onze spijt moeten wij u meedelen dat onze klant Ecophos (Temco) ons vandaag geïnformeerd heeft dat het project met ingang van 28-04-2017 eindigt.

Hierdoor eindigt het dienstverband met EMR B.V. eveneens met ingang van voorheen genoemde datum.”

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] verzoekt om EMR te veroordelen tot het betalen van de transitievergoeding ad € 4.530,24 bruto met rente, alsmede een schriftelijke specificatie daarvan op verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00 voor iedere dag dat hij niet aan de veroordeling in deze beschikking voldoet. Daarnaast verzoekt [verzoeker] om te bepalen dat EMR zich op straffe van een dwangsom onthoudt van het doen van uitlatingen over zijn functioneren en over de reden van de beëindiging van het dienstverband.

Ten slotte verzoekt hij om te EMR te veroordelen tot het vergoeden van door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten en tot het betalen van de proceskosten.

3.2.

EMR heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4 De beoordeling

4.1.

Art. 673 lid 1 sub a BW luidt:

“De werkgever is aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en:

a. de arbeidsovereenkomst:

door de werkgever is opgezegd;

op verzoek van de werkgever is ontbonden; of

na een einde van rechtswege op initiatief van de werkgever niet aansluitend is voortgezet en voor het eindigen van de arbeidsovereenkomst geen opvolgende arbeidsovereenkomst is aangegaan, die tussentijds kan worden opgezegd en ingaat na een tussenpoos van ten hoogste zes maanden”

4.2.

[verzoeker] stelde zich buiten rechte op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege was geëindigd, zoals bijvoorbeeld blijkt uit zijn email van 1 mei 2017. Daarin weigert hij mee te werken aan vaststellingsovereenkomst, want de arbeidsovereenkomst is van rechtswege geëindigd, aldus [verzoeker] . Ter zitting stelt [verzoeker] zich echter op het standpunt dat op basis van de wet inderdaad (toch) niet anders geconcludeerd kan worden dan dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gold, zodat dit ook in deze procedure vaststaat.

4.3.

Dit betekent dat een einde van rechtswege niet aan de orde is. Nu de arbeidsovereenkomst ook niet is ontbonden, resteert slechts de opzegging door de werkgever als grondslag voor het recht op een transitievergoeding.

4.4.

De door [verzoeker] in het geding gebrachte brief met als dagtekening 29 maart 2017 kan niet als een opzegging worden aangemerkt. Vaststaat immers dat die brief eerst eind april 2017 aan [verzoeker] is verzonden en dat het juist [verzoeker] was die zich in de tussentijd herhaaldelijk op het (achteraf onjuist gebleken) standpunt stelde dat de arbeidsovereenkomst was beëindigd.

EMR heeft, nadat het aanbod om een project in Antwerpen te doen door [verzoeker] werd afgewezen, gepoogd de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in overleg te beëindigen via een vaststellingsovereenkomst, doch zonder succes, omdat [verzoeker] bij zijn standpunt bleef dat er geen arbeidsovereenkomst meer was. Van een opzegging door EMR is dus niet gebleken.

4.5.

Voor zover het al toerekenbaar zou zijn aan EMR dat [verzoeker] niet wist dat de arbeidsovereenkomst inmiddels voor onbepaalde tijd gold - volgens directeur [naam directeur] van EMR heeft hij dat wél verteld aan [verzoeker] en kon [verzoeker] dat weten, maar [verzoeker] betwist dat - dan heeft EMR zich wellicht niet als een goed werkgever gedragen en heeft [verzoeker] daardoor wellicht schade geleden, maar dat maakt niet dat [verzoeker] dan toch recht heeft op een transitievergoeding. Dan bestaat er hoogstens een recht op schadevergoeding. Maar zo’n verzoek, op zo’n grondslag, is niet gedaan.

4.6.

Op grond van het bovenstaande zal het verzoek aangaande de transitievergoeding worden afgewezen, inclusief de nevenvorderingen.

4.7.

Het verzoek om te bepalen dat EMR zich op straffe van een dwangsom onthoudt van het doen van uitlatingen over zijn functioneren en over de reden van de beëindiging van het dienstverband is evenmin toewijsbaar, nu [verzoeker] dit onderdeel volstrekt niet nader heeft onderbouwd en dit onderdeel in het petitum uit de lucht lijkt te komen vallen. Ook overigens is niet gebleken van enige aanleiding tot dit verzoek, zodat een belang bij toewijzing ervan ontbreekt.

4.8.

[verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van EMR tot de datum van dit vonnis begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde, inclusief rente zoals gevorderd.

4.9.

De door EMR gevorderde nakosten zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst het verzoek af,

5.2.

veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van EMR tot de datum van dit vonnis begroot op € 400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van deze beschikking,

5.3.

veroordeelt [verzoeker] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen twee weken na aanschrijving door EMR volledig aan de veroordeling onder 5.2. voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van die betekening,

5.4.

verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling en de veroordeling in de nakosten uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Hoekstra en is in het openbaar uitgesproken.

RK