Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:9434

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4093 en AWB - 16 _ 4178
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Aanslag zuiveringsheffing, verbindendheid van de Verordening zuiveringsheffing Waterschap Peel en Maasvallei 2009 (de Verordening). De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 122f, eerste lid, van de Waterschapswet (Wsw) voor de heffing als heffingsmaatstaf geldt de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd, waarbij de vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden. Wat een vervuilingseenheid is, volgt rechtstreeks uit de Wsw en is herhaald in artikel 6 van de Verordening. Hiermee is derhalve de maatstaf waarnaar de zuiveringsheffing wordt geheven kenbaar. Aan de hand hiervan in combinatie met de in de Verordening vermelde tarieven is derhalve op voorhand duidelijk wat de hoogte van de heffing per vervuilingseenheid is. Dat het voor de bepaling van de hoogte van het uiteindelijk te betalen bedrag van belang is om ook het aantal vervuilingseenheden te bepalen, waarvoor meting, bemonstering en analyse noodzakelijk zijn, en dat die meting, bemonstering en analyse moet plaatsvinden aan de hand van

NEN-normbladen, maakt niet dat de heffingsmaatstaf als zodanig niet duidelijk is uit de Verordening. Dat deze NEN-normbladen niet gepubliceerd zijn leidt derhalve niet tot onverbindendheid van de Verordening of een deel daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 13-10-2017
FutD 2017-2659

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16 / 4093 en AWB 16 / 4178

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2017 in de zaak tussen

Lutèce BV, eiseres

(gemachtigde: mr. P.F. van der Muur),

en

de heffingsambtenaar van het waterschap Limburg, verweerder

(gemachtigde: J. Slijpen en mr. P. van den Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2015 (primair besluit 1) heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2015 een voorlopige aanslag ( [aanslagnummer 1] zuiveringsheffing bedrijven opgelegd ten bedrage van € 1.255.305,00.

Bij besluit van 31 maart 2016 (primair besluit 2) heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2015 een definitieve aanslag ( [aanslagnummer 2] ) zuiveringsheffing bedrijven opgelegd ten bedrage van € 1.265.934,83.

Bij afzonderlijke besluiten van 23 november 2016 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2017. Eiseres is verschenen bij gemachtigde en zijn kantoorgenoot de heer [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres is producent van houdbare champignons. Bij het produceren van deze

champignons worden grote hoeveelheden water gebruikt. Dit water wordt na gebruik

(deels) geloosd via de gemeentelijke riolering en wordt door middel van een afvalwaterzuiveringsinstallatie (awzi) gezuiverd door het waterschap Limburg.

2. In artikel 122d, eerste lid, van de Waterschapswet (hierna: de Wsw) is bepaald dat ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, onder de naam zuiveringsheffing een heffing wordt ingesteld ter zake van het afvoeren van afvalwater. Op grond van dit artikel, in samenhang met artikel 110 van de Wsw, is door de rechtsvoorganger van het algemeen bestuur van het Waterschap Limburg (voorheen onder andere het Waterschap Peel en Maasvallei) de Verordening zuiveringsheffing Waterschap Peel en Maasvallei 2009 (hierna: de Verordening) vastgesteld.

3. Artikel 122f, eerste lid, van de Wsw bepaalt dat voor de heffing als heffingsmaatstaf geldt de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd, waarbij de vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.

4. Artikel 122g, eerste lid, van de Wsw bepaalt dat het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. Op grond van het tweede lid kan bij de maatregel worden bepaald dat ter uitvoering van die maatregel nadere regels worden gesteld bij verordening van het algemeen bestuur.

5. Op grond van artikel 6, tweede lid, van de Verordening geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.

6. Artikel 7, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere stoffen wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. De meting, bemonstering en analyse en berekening geschieden met in achtneming van de in Bijlage 1 opgenomen voorschriften voor meting, bemonstering en analyse en berekening. In die bijlage wordt in diverse artikelen en tabellen verwezen naar zogenoemde NEN-normbladen van het Nederlands Normalisatie Instituut.

7. In artikel 75, eerste lid, van de Waterschapswet is bepaald dat besluiten van het waterschapsbestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, niet verbinden dan wanneer zij zijn bekend gemaakt in het waterschapsblad. In afwijking van deze hoofdregel kan ingevolge het tweede lid van artikel 75 in een besluit ook worden bepaald dat een bij het besluit horende bijlage wordt bekend gemaakt door terinzagelegging.

8. De rechtbank overweegt allereerst dat de juistheid van de aan de aanslag ten grondslag liggende hoeveelheden en tarieven als zodanig niet in geschil is. Ook is niet in geschil dat zowel de Verordening als de daarbij behorende bijlage is gepubliceerd, maar de NEN-normbladen waarnaar wordt verwezen zijn dat niet. Partijen verschillen enkel van mening over de vraag of de zogenoemde NEN-normbladen volgens welke meting, bemonstering en analyse moeten plaatsvinden, ook gepubliceerd hadden moeten worden.

9. Eiseres stelt dat de verplichting tot bekendmaking van de Verordening meebrengt dat

de NEN normbladen, die essentieel zijn ter bepaling van de hoogte van de zuiveringsheffing, tegelijkertijd met de Verordening dienen te worden gepubliceerd en ter inzage dienen te worden gelegd. Eiseres verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1669). Nu de NEN-normbladen niet zijn gepubliceerd of ter inzage zijn gelegd, is de Verordening volgens eiseres op dit punt onverbindend dan wel moet deze op dit

punt onverbindend worden verklaard. Verweerder betwist dat de NEN normbladen dienen te

worden gepubliceerd of ter inzage dienen te worden gelegd. Verweerder verwijst in dit verband naar de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 mei 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:2218) waarin het gerechtshof – kort gezegd – heeft geoordeeld dat de uitspraak van de Hoge Raad van 19 juni 2015 niet tot de conclusie leidt dat alle normbladen waarnaar in een tarieventabel wordt verwezen ter inzage gelegd dienen te worden.

Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat aan de bekendmakingsvereisten is voldaan nu de NEN-normen tegen redelijke betaling aangeschaft kunnen worden en van de NEN-normen tevens in de bibliotheek van het Nederlands Normalisatie Instituut kennis genomen kan worden.

10. De rechtbank stelt vast dat eiseres zich ter onderbouwing van haar standpunt met name baseert op het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1669). In deze uitspraak heeft de Hoge Raad onder rechtsoverweging 2.4.3. het volgende overwogen:

“2.3.3.

Onderdeel 8.1.7.1 van de tarieventabel behorende bij de Legesverordening 2007 van de gemeente Amsterdam (hierna: de Tarieventabel respectievelijk de Legesverordening) gaat voor de bepaling van de heffingsmaatstaf in beginsel uit van de aannemingssom als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme administratieve voorwaarden voor uitvoering van werken 1989 voor het uit te voeren werk. Indien deze aannemingssom ontbreekt, wordt bij wijze van uitzondering gebruik gemaakt van een raming van de bouwkosten, de omzetbelasting daarin niet begrepen, als bedoeld in het normblad NEN 2631.

2.3.4.

Met deze regeling is klaarblijkelijk beoogd voor de bepaling van de heffingsmaatstaf zo veel mogelijk aan te sluiten bij hetgeen omtrent de aannemingssom is komen vast te staan. De uitzonderingsbepaling omtrent de raming van de bouwkosten moet derhalve beperkt worden toegepast. Bij de beslissing over de hoogte van de verschuldigde leges dient in het licht daarvan te worden uitgegaan van de werkelijke aanneemsom, ook indien deze eerst is vastgesteld nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan.

2.3.5.

In het onderhavige geval was de hoogte van de aannemingssom bekend op het tijdstip van de heroverweging. Dit brengt mee dat de heffingsambtenaar bij de uitspraak op bezwaar voor de bepaling van de heffingsmaatstaf overeenkomstig de Legesverordening diende uit te gaan van de aannemingssom. Het derde middel kan derhalve niet slagen.

2.4.1.

Het tweede middel faalt eveneens, aangezien het berust op de hiervoor in 2.3.4 verworpen opvatting dat de heffingsambtenaar bij de uitspraak op bezwaar voor de bepaling van de heffingsmaatstaf diende uit te gaan van een raming van de bouwkosten.

2.4.2.

De Hoge Raad merkt hierbij het volgende op. Het middel betoogt dat het voorwerp van de belasting niet overeenkomstig artikel 217 van de Gemeentewet in de Verordening is vermeld, aangezien voor de maatstaven die gelden bij de raming van de bouwkosten in de Tarieventabel wordt verwezen naar normblad NEN 2631. Belanghebbende heeft een afschrift van dit normblad in de bezwaarfase van de Gemeente ontvangen. Een afschrift van dit normblad behoort tot de stukken van het geding en in onderdeel 4.5.3 van de uitspraak van het Hof is dit normblad weergegeven.

2.4.3.

De artikelen 139 en 217 van de Gemeentewet stellen eisen aan de kenbaarheid van de maatstaven waarnaar gemeentebelastingen worden geheven. In een geval waarin de gemeentelijke regelgeving in het kader van de omschrijving van de heffingsmaatstaf verwijst naar NEN‑normen, is aan voormelde eisen, mede naar hun strekking, voldaan indien de gemeente die normen bekendmaakt door terinzagelegging op de wijze die in artikel 139, lid 3, van de Gemeentewet is voorzien voor bijlagen, en desgevraagd papieren afschriften van die normen verstrekt tegen betaling van bedragen die niet hoger zijn dan de tarieven die de gemeente hanteert voor het verstrekken van papieren afschriften van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden. Of in het onderhavige geval aan deze voorwaarden is voldaan kan onbesproken blijven gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.1 is overwogen.”

11. De rechtbank overweegt dat, zoals hiervoor reeds is aangehaald, ingevolge artikel 122f, eerste lid, van de Wsw voor de heffing als heffingsmaatstaf geldt de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd, waarbij de vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.

Ingevolge het tweede lid van artikel 122f van de Wsw vertegenwoordigt één vervuilingseenheid met betrekking tot:

a. het zuurstofverbruik het jaarlijks verbruik van 54,8 kilogram zuurstof;

b. de gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink 1,00 kilogram;

c. de gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen arseen, kwik en cadmium 0,100 kilogram;

d. de gewichtshoeveelheden van de stof chloride 650 kilogram;

e. de gewichtshoeveelheden van de stof sulfaat 650 kilogram;

f. de gewichtshoeveelheden van de stof fosfor 20,0 kilogram.

Artikel 6, tweede lid, van de Verordening bepaalt zoals hiervoor is verwoord dat als heffingsmaatstaf geldt de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in nauwkeurig omschreven vervuilingseenheden. Wat een vervuilingseenheid is, volgt rechtstreeks uit de Wsw en is herhaald in artikel 6 van de Verordening. Hiermee is derhalve de maatstaf waarnaar de zuiveringsheffing wordt geheven kenbaar. Aan de hand hiervan in combinatie met de in de Verordening vermelde tarieven is derhalve op voorhand duidelijk wat de hoogte van de heffing per vervuilingseenheid is. Dat het voor de bepaling van de hoogte van het uiteindelijk te betalen bedrag van belang is om ook het aantal vervuilingseenheden te bepalen, waarvoor meting, bemonstering en analyse noodzakelijk zijn, leidt niet tot een ander oordeel nu op voorhand kenbaar is welk tarief per vervuilingseenheid wordt geheven. Dat die meting, bemonstering en analyse volgens bepaalde expliciet benoemde normen dient plaats te vinden, maakt niet dat de heffingsmaatstaf als zodanig niet duidelijk is uit de Verordening. De rechtbank volgt derhalve de gemachtigden van eiseres niet in hun opvatting dat tot de heffingsmaatstaf ook de hoeveelheden vervuilingseenheden behoren met inbegrip van de voorschriften omtrent het bepalen van die hoeveelheden. In het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2015, waar eiseres naar heeft verwezen, is sprake van een verwijzing naar een NEN-norm voor de bepaling van de bouwkosten voor het geval er geen aannemingssom bekend is. Dat is echter een andere situatie omdat de NEN-norm in die situatie van toepassing is om te kunnen bepalen wat de bouwkosten zijn. Die bouwkosten bepalen vervolgens via een tarieventabel weer het te betalen legesbedrag.

De onderhavige situatie verschilt daarvan dus principieel omdat, zoals al is overwogen de heffingsmaatstaf is omschreven per soort stof en enkel de hoeveelheid daarvan nog bepaald moet worden volgens de meergenoemde bijlage. Nu het oordeel van de rechtbank aansluit bij de door de Hoge Raad in het arrest van 19 juni 2015 gevolgde lijn, ziet de rechtbank voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, zoals door eiseres is verzocht, geen aanleiding. Laat onverlet dat het de duidelijkheid wel ten goede komt als die normbladen gepubliceerd zouden worden in het geval van een verwijzing, maar naar het oordeel van de rechtbank leidt het niet publiceren derhalve in de onderhavige zaken niet tot onverbindendheid van de Verordening of een deel daarvan.

12. De beroepen zijn op grond van het hiervoor overwogen ongegrond. Aan een beoordeling van het subsidiaire standpunt van verweerder komt de rechtbank derhalve niet toe. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.H. Machiels, rechter, in aanwezigheid van

mr. R.A. Debets, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

28 september 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 28 september 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.