Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:9431

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
24-10-2017
Zaaknummer
C/03/240044 / HA RK 17-210
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking – tolk – geen aanhouding gevraagd – niet gebleken van enig bezwaar tegen voorzetting behandeling – afwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Wrakingskamer

C/03/240044 / HA RK 17-210

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken

van 26 september 2017

op verzoek van

[verzoekster] ,

wonend te [woonplaats] ,

advocaat mr. M.E.Th. Hogervorst te Maastricht,

dat strekt tot wraking van mr. C.G.A. Wouters, rechter in deze rechtbank, hierna: de rechter.

1 De procedure

Op 24 augustus 2017 heeft de rechter ter zitting een verzoek tot echtscheiding en nevenvoorzieningen behandeld, van verzoekster tegen [belanghebbende] , voor wie mr. R.M.H.H. Tuinstra als advocaat optrad.

Mr. Hogervorst heeft bij brief van 28 augustus 2017 namens verzoekster de wraking verzocht van de rechter.

De rechter heeft op 4 september 2017 de wrakingskamer bericht niet te berusten en gehoord te willen worden. Tevens heeft zij een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ingediend.

De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 14 september 2017. Ter zitting zijn verschenen de advocaat van verzoekster en de rechter, alsmede mr. Tuinstra namens belanghebbende [belanghebbende] .

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het standpunt van verzoekster

Het wrakingsverzoek is enkele dagen na de behandeling van de zaak ter zitting ingediend. Dat is op tijd: verzoekster heeft gewacht op het proces-verbaal van de zitting en toen dat er na een week nog niet was, besloten tot indiening van het wrakingsverzoek. Verzoekster is van mening dat de houding en uitlatingen van de rechter hiertoe grond vormen.

Er was geen ruimte om een verzoek tot aanhouding van de zaak in te dienen doordat de rechter reeds bij aanvang van de behandeling te kennen gaf dat de zaak afgewikkeld diende te worden. Kennelijk wist de rechter al wat de uitspraak zou zijn, althans voor wat betreft het hoofdverblijf van de kinderen. Verzoekster wilde aanvullende stukken over de kinderen opvragen in Frankrijk.

Er is geen hoor en wederhoor geweest, mede doordat de rechter het (telefonisch) tolken heeft afgebroken Verzoekster heeft niet de gelegenheid gehad het woord te voeren en de rechter ging er op enig moment van uit dat verzoekster Nederlands zou spreken en verstaan. De rechter liet [belanghebbende] wel een heel verhaal houden.

Bij verzoekster ontstond de indruk dat de zaak afgehandeld móest worden en dat het oordeel van de rechter al klaar was.

3 De reactie van de rechter

De rechter stelt voorop dat het verzoek niet onverwijld is gedaan.

Voor zover het de behandeling van de zaak ter zitting betreft, stelt de rechter het volgende.

Haar ervaringen met telefonische tolken zijn niet goed. De communicatie verloopt vaak niet optimaal, hetgeen ook hier het geval was. Daarom is in de loop van de zitting besloten de verbinding met de tolk te verbreken en zonder tolk verder te gaan, een beslissing die door mr. Hogervorst met instemming werd ontvangen.

De rechter heeft niet gezegd dat de zaak op zitting afgewikkeld diende te worden, wel dat de zaak op een voorlopige voorzieningen zitting was geplaatst, omdat in verband met de vereiste duidelijkheid voor de kinderen omtrent hun hoofdverblijf een reguliere zitting niet afgewacht kon worden.

Mr. Hogervorst heeft op geen enkel moment een aanhoudingsverzoek gedaan, zodat zij niet kan concluderen dat zo’n verzoek zou worden afgewezen.

Beide partijen zijn in gelijke mate gehoord; nadat de heer [belanghebbende] aan het woord was geweest kreeg mr. Hogervorst telkens de gelegenheid om te reageren. Met de vraag “U verstaat mij wel hè?” bedoelde de rechter te verifiëren dat verzoekster haar verstond, toen er een vraag werd gesteld en verzoekster antwoordde voordat de tolk de vraag had vertaald.

4 De beoordeling

Ingevolge artikel 36 in relatie tot artikel 37 Rv dient het verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, aan verzoeker bekend zijn geworden.

Zoals de rechter heeft gesteld, mr. Tuinstra heeft bevestigd en mr. Hogervorst niet heeft betwist, wordt van familiezittingen als deze nooit proces-verbaal opgemaakt en aan partijen gezonden. De bewering van mr. Hogervorst dat zij daarop heeft gewacht alvorens het wrakingsverzoek in te dienen, kan dus niet juist zijn. Dit geldt ook voor de op zich al vérgaande verdenking dat de rechter het proces-verbaal zou hebben ingericht naar het wrakingsverzoek.

Niettemin zal de wrakingskamer verzoekster in haar verzoek ontvangen. Mr. Hogervorst heeft toegelicht dat zij na de zitting op donderdag 24 augustus 2017 tijd nodig had om met haar cliënte het verloop van de zitting te bespreken en haar gedachten over een mogelijk verzoek tot wraking voor te leggen. Daardoor wordt het tijdsverloop van een week verklaard en gerechtvaardigd. De wrakingskamer zal het verzoek dan ook inhoudelijk beoordelen.

Verzoekster bleek kort voor de mondelinge behandeling van de zaak geen advocaat meer te hebben. De rechtbank voelde zich daardoor, en mede omdat het een zaak was die op een voorlopige voorzieningen zitting was geplaatst, genoodzaakt - maar was niet verplicht - een tolk Frans te regelen. Vanwege de haast was alleen nog een telefonische tolk beschikbaar. Toen zich op het laatste moment weer een advocaat (mr. Hogervorst) stelde, die strikt genomen verantwoordelijk is voor het regelen van een tolk, heeft de rechter mede in het belang van verzoekster en haar advocaat besloten de telefonische tolk niet af te bellen. Van enig bezwaar van verzoekster tegen deze gang van zaken is niet gebleken.

Uit zowel het wrakingsverzoek als de reactie van de rechter als het proces-verbaal van de zitting blijkt dat het telefonisch tolken niet goed werkte. Daarom heeft de rechter de verbinding met de tolk verbroken en moest zo goed en zo en zo kwaad als dat ging ook met verzoekster in het Nederlands worden gecommuniceerd. De opmerking van de rechter tegen verzoekster “U verstaat mij wel hè?” kan in dit verband heel goed bedoeld zijn als vraag ter bevestiging van een indruk van de rechter. Er is althans geen aanwijzing om deze opmerking, zoals verzoekster achteraf heeft gedaan, op te vatten als cynisch of kritisch en (daardoor) blijk gevend van vooringenomenheid jegens haar.

Van enig bezwaar van verzoekster tegen voortzetting van de behandeling ter zitting zonder tolk is niet gebleken. In het vervolg van de zitting heeft mr. Hogervorst kennelijk zaken voor haar cliënte vertaald, het woord gevoerd en gereageerd op de andere partij. Mr. Hogervorst stelt dat zij meermalen heeft opgemerkt dat haar cliënte onvoldoende Nederlands spreekt en niet begrijpt wat er wordt gezegd, waardoor zij niet kan reageren op hetgeen de wederpartij naar voren brengt. Uit het proces verbaal blijkt daarvan niet, dit laat daarentegen zien dat verzoekster en haar advocaat telkens de gelegenheid krijgen om te reageren als de wederpartij aan het woord is geweest.

De advocaat had om aanhouding van de zaak kunnen vragen, bijvoorbeeld om een goede tolk te regelen, om nadere stukken op te vragen en over te leggen en/of om extra tijd te verkrijgen. Uit het proces-verbaal blijkt dat zij dit niet heeft gedaan, wat zij ter zitting van de wrakingskamer heeft bevestigd. (De advocaat van) verzoekster heeft kennelijk op grond van de houding en woordkeuze van de rechter verondersteld dat een verzoek om aanhouding toch zou worden afgewezen, maar heeft de juistheid van deze veronderstelling niet getoetst door enig verzoek tot of zelfs suggestie van aanhouding te doen. Dat de mondelinge behandeling vervolgens is voortgezet en is verlopen zoals zij verlopen is, kan verzoekster de rechter uiteraard niet verwijten. In elk geval blijkt daaruit niet van enige vooringenomenheid.

De veronderstelling van verzoekster dat de rechter haar oordeel bij aanvang van de behandeling al klaar had, vindt ook geen steun in de feitelijke gang van zaken. De zitting heeft anderhalf uur geduurd, waarin verzoeksters advocaat ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om haar standpunten toe te lichten en te reageren op die van [belanghebbende] en zijn advocaat. Na een korte schorsing zijn de partijen weer naar binnen geroepen met de woorden “we zijn klaar”. Dit is volstrekt gebruikelijk, en geeft geen enkele aanleiding om aan de onpartijdigheid van de rechter te twijfelen. Vervolgens werd namens [belanghebbende] op een spoedige beslissing aangedrongen in het belang van de kinderen en heeft verzoeksters advocaat bevestigd dat in elk geval over het hoofdverblijf een spoedige beslissing in het belang van de kinderen was, althans heeft zij zich daartegen niet verzet. Dit had kennelijk te maken met de naderende aanvang van het schooljaar. De vervolgens door de rechter gegeven beslissing dat zij het in het belang van de kinderen acht dat hun hoofdverblijf (voorlopig) bij de man is, is verzoekster kennelijk niet bevallen. Die beslissing is echter genomen na lezing van de stukken en uitvoerige mondelinge behandeling van de zaak, en vormt aldus geen vooroordeel maar een voorlopig oordeel.

5 De beslissing

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking van mr. Wouters af.

Deze beslissing is gegeven door mr. E.P. van Unen, voorzitter, en mr. P. Hoekstra en mr. A.M. Schutte, leden, en is in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.J.W.D. Janssen op 26 september 2017.1

1 type: coll: