Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:9403

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
5709096 CV EXPL 17-1304
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Energielevering. Door leverancier op grond van art. 95cb lid 1 Elektriciteitswet in rekening gebrachte netwerkkosten. Vervaltermijn van twee jaar (lid 4) overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
mr. I. Brinkman, mr. E.A. de Vries en mr. drs. C. van der Woude annotatie in NTE 2017/76, UDH:NTE/14682
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer: 5709096 CV EXPL 17-1304

Vonnis van de kantonrechter van 4 oktober 2017

in de zaak van

lindorff b.v. ,

gevestigd te Amersfoort,

eisende partij,

gemachtigde M.G. de Jong

tegen

[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam],

wonend te [woonplaats] aan [adres] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. C.M.G.M. Raafs.

Partijen zullen hierna Lindorff en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding d.d. 9 januari 2017

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op grond van een daartoe strekkende overeenkomst heeft Essent vanaf 24 januari 2013 energie (elektriciteit en gas) geleverd aan [gedaagde] . De overeenkomst (en de levering) is beëindigd per 2 augustus 2013 omdat [gedaagde] per die datum is ‘overgestapt’ naar een andere leverancier.

2.2.

Op 15 september 2013 heeft Essent aan [gedaagde] een eindafrekening gestuurd ten bedrage van in totaal € 1.780,93 inclusief btw. Van dat bedrag bestaat € 535,22 inclusief btw uit netwerkkosten die Essent op grond van art. 95cb lid 1 Elektriciteitswet ten behoeve van netwerkbeheerder Enexis dient te factureren en te innen.

2.3.

Ten aanzien van het verbruik staat in genoemde eindafrekening het navolgende:

9.658 Elektriciteit, verbruik in kWh Beginstand Eindstand

3.621 Nacht-/ weekendtelwerk 24-01-2013 t/m 01-08-2013 99.202 A) 102.823 B)

6.037 Dagtelwerk 24-01-2013 t/m 01-08-2013 174.946 A) 180.983 B)

3.119 Gas, gecorrigeerd verbruik in m3 Beginstand Eindstand

(2,166) 2.170 Verbruik 24-01-2013 t/m 17-03-2013 54.540 A) 56.710 A)

- 4 Calorische correctie 24-01-2013 t/m 17-03-2013 (-0.00164 x 2.170 m3 zie toelichting)

(953) 955 Verbruik 18-03-2013 t/m 01-08-2013 56.710 A) 57 .665 B)

- 2 Calorische correctie 18-03-2013 t/m 01-08-2013 (-0.00164 x 955 m' 1 zie toelichting)

A) Door u doorgegeven B) Door uw netbeheerder berekend

2.4.

Het bedrag van € 1.780.93 is op 29 september 2013 via een automatische incasso door Essent van de bankrekening van [gedaagde] afgeschreven. [gedaagde] heeft die betaling kort daarna laten storneren, naar zijn zeggen omdat hij het niet eens was met de meterstanden zoals die op de eindafrekening stonden.

3 De vordering

3.1.

Lindorff vordert de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.470,84, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 1.780,93 vanaf 4 januari 2017 tot aan de dag van voldoening, onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten.

De vordering is als volgt opgebouwd:

€ 1.780,93 hoofdsom (onbetaald gelaten factuur van Essent)

€ 236,65 van 5 februari 2014 tot 9 september 2015 vervallen wettelijke rente

€ 186,12 van 17 september 2015 tot 4 januari 2017 vervallen rente

€ 267,14 vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

3.2.

Volgens Lindorff heeft Essent haar vordering op grond van genoemde overeenkomst met [gedaagde] aan haar gecedeerd en heeft zij [gedaagde] van die cessie ook schriftelijk op de hoogte gebracht.

3.3.

[gedaagde] betwist de gestelde cessie en de omvang van het in rekening gebrachte verbruik. Ter zake van het deel van de factuur dat ziet op de netwerkkosten beroept hij zich bovendien op de specifieke wettelijke verjaringstermijn van twee jaar (art. 95cb lid 4 eerste volzin van de Elektriciteitswet).

4 De beoordeling

4.1.

Bij repliek heeft Lindorff een akte van cessie tussen haar en Essent Retail Energie B.V. overgelegd (productie 4) alsook een lijst van vorderingen (productie 5) waarop een vordering met nummer 0170586362 ter zake van [handelsnaam] ad € 2.048,07 staat. Tevens is een kopie overgelegd van een brief van Lindorff aan [gedaagde] d.d.

8 februari 2014, waarin Lindorff stelt dat zij ‘eigenaar’ is geworden van een vordering van Essent op [gedaagde] met de mededeling dat [gedaagde] de vordering ad € 2.048,07 aan Lindorff dient te betalen (en wel vóór 15 februari 2017). Daarmee is aangetoond dat de onderhavige vordering door Essent is gecedeerd aan Lindorff en dat [gedaagde] derhalve bevrijdend aan Lindorff kan en moet betalen. Dat [gedaagde] de brief van 8 februari 2014 naar zijn zeggen niet heeft ontvangen, doet niet ter zake nu hij in ieder geval door het exploot van dagvaarding van de cessie op de hoogte is gebracht. Het verweer op dit punt faalt derhalve.

4.2.

Het verweer aangaande de omvang van het verbruik kan evenmin slagen. Bij antwoord heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat de meterstanden zoals die door Essent zijn geschat “niet kunnen kloppen”. Ter onderbouwing verwijst hij naar de meterstanden zoals hij die op 20 juli 2015 aan zijn nieuwe leverancier Nuon heeft doorgegeven. In de eerste plaats valt zonder nadere toelichting - die [gedaagde] niet geeft - niet in te zien waarom het verbruik na de overstap naar Nuon gemidddeld exact hetzelfde zou moeten zijn. Belangrijker nog is dat Lindorff bij repliek (onder punt 19 tot en met 26) uitvoerig en specifiek onderbouwt waarom de geschatte meterstanden per einddatum

2 augustus 2013 wel degelijk in lijn liggen met de op andere momenten doorgegeven meterstanden. Dat het nodig was om de meterstanden van 2 augustus 2013 te schatten, kwam doordat [gedaagde] , ook nadat hij tot tweemaal toe door Essent erop was gewezen dat hij de meterstanden van die datum diende door te geven omdat die standen anders door Essent geschat zouden worden, die meterstanden niet heeft doorgegeven. Eerst op 4 november 2013 (derhalve drie maanden na einde overeenkomst) heeft [gedaagde] de meterstanden zoals die op dat moment waren zelf doorgegeven (hetgeen ook gold voor de gasmeterstand op 18 maart 2013) en op 19 maart 2014 zijn de standen opgenomen door de netbeheerder, aldus Lindorff. Daarna heeft [gedaagde] de standen op 12 juli 2014, 20 juli 2015, 18 juli 2016 en 2 februari 2017 zelf doorgegeven, hetgeen tot het volgende overzicht leidt:

Nachttelwerk (‘LVR L’ op productie 10, pagina 1)

Datum stand (kWh)

24 januari 2013 99.202

2 augustus 2013 102.823

4 november 2013 104.239

19 maart 2014 106.478

12 juli 2014 108.215

20 juli 2015 113.738

18 juli 2016 117.974

2 februari 2017 120.157

Dagtelwerk (‘LVR N’ op productie 10, pagina

Datum stand (kWh)

24 januari 2013 174.946

2 augustus 2013 180.983

4 november 2013 183.176

19 maart 2014 186.972

12 juli 2014 189.673

20 juli 2015 198.222

18 juli 2016 205.970

2 februari 2017 209.346

Gas (productie 10, pagina 2)

Datum stand (m3)

24 januari 2013 54.540

18 maart 2013 56.710

2 augustus 2013 57.665

19 maart 2014 58.976

12 juli 2014 58.991

20 juli 2015 61.505

18 juli 2016 63.931

2 februari 2017 65.876.

Het gasverbruik (tot 2 augustus 2013) is weliswaar wat aan de hoge kant, maar dit is te verklaren door de koude winter van 2012/2013, waarbij te gelden heeft dat [gedaagde] de gasmeterstand van 18 maart 2013 zelf heeft doorgegeven, aldus Lindorff.

4.3.

De standen zoals in bovengenoemd overzicht staan, zijn - uitgezonderd de geschatte standen van 2 augustus 2013 - niet betwist en staan daarmee vast. Bovendien staat vast dat [gedaagde] de meterstanden van 2 augustus 2013 niet heeft doorgegeven. De omstandigheid dat Essent bij het einde van de overeenkomst de meterstanden heeft geschat, ligt in de risicosfeer van [gedaagde] , omdat hij heeft nagelaten de werkelijke eindstanden door te geven. Essent mocht - conform bestendige jurisprudentie - bij gebrek aan actuele standen de hoeveelheid geleverd gas en de hoeveelheid geleverde elektriciteit daarom schatten (aan de hand van de bekende gegevens uit het meetregister en zo nodig een correctie toepassen). Bij (voldoende gemotiveerde) betwisting van de juistheid ervan, moet Essent aannemelijk maken dat de schattingen de realiteit zo goed mogelijk benaderen. Naar het oordeel van de kantonrechter is zij daarin geslaagd. Het deel van de factuur van 15 september 2013 dat ziet op de verbruikskosten zal derhalve worden toegewezen.

4.4.

Ten aanzien van het deel van de factuur dat Essent op grond van art. 95cb lid 1 Elektriciteitswet ten behoeve van netwerkbeheerder Enexis dient te factureren, te weten

€ 535,22 inclusief btw, wordt als volgt overwogen.

Het vierde lid van art. 95cb Elektriciteitswet luidt - voor zover hier relevant -:

Rechtsvorderingen tot betaling van de door de leverancier overeenkomstig het eerste (…) lid gefactureerde bedragen (…), verjaren door verloop van twee jaren. Indien de leverancier een vordering tot betaling van een schuld van een afnemer ter zake van de uitvoering van taken als bedoeld in het eerste lid, niet heeft gedaan binnen twee jaren nadat de vordering opeisbaar is geworden, vervalt het recht om betaling te vorderen.

Ten aanzien van vorderingen van netbeheerders die op grond van het eerste lid van art. 95cb Elektriciteitswet door de energieleverancier dienen te worden gefactureerd en geïnd, geldt dus zowel een verjaringstermijn van twee jaar als een vervaltermijn van twee jaar. [gedaagde] , die - zo lijkt het - na de eerste volzin van het artikellid is gestopt met lezen, beroept zich alleen op verjaring van de vordering. Dat beroep kan echter niet slagen nu dit eerst bij dupliek - en derhalve te laat want in strijd met een goede procesorde - is gedaan. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat dit beroep op verjaring ook inhoudelijk niet kan slagen, gelet op de veelvoud aan naar aard en inhoud onbetwist gebleven sommaties en betalingsherinneringen die bij repliek in het geding zijn gebracht en waarin het recht op nakoming steeds voldoende ondubbelzinnig is voorbehouden, waardoor die de verjaring hebben gestuit.

4.5.

De in de tweede volzin van art. 95cb Elektriciteitswet neergelegde vervaltermijn van twee jaar is een termijn van openbare orde, waaraan derhalve de vordering ambtshalve getoetst dient te worden, zo ook dus in dit geval.

Verwezen wordt naar de Memorie van Antwoord van de Minister van Economische Zaken aangaande een “Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt” in 2008 (pagina 6 en 7):

De leden van de CDA-fractie stelden diverse vragen over de in het wetsvoorstel

opgenomen vervaltermijn voor het factureren van door de afnemer verschuldigde

bedragen voor de uitvoering van de wettelijke netbeheerderstaken

(‘netbeheerderstarieven’). Ten algemene wordt in reactie op hetgeen de leden opmerken

over de gang van zaken in de parlementaire voorgeschiedenis allereerst aangegeven dat

het thans voorliggende wetsvoorstel tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en

Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt op het punt van

de verval- dan wel verjaringstermijn een lange voorgeschiedenis kent. In het

oorspronkelijke wetsvoorstel was een verjaringstermijn opgenomen in verband met de

aan de Eerste Kamer gedane toezegging om de vervaltermijn te vervangen door een

verjaringstermijn (Kamerstukken I 2006/07, 30 212, F, pag. 37). Deze toezegging is

nagekomen bij de indiening van het oorspronkelijke wetsvoorstel (Kamerstukken II

2007/08, 31 374, nr. 2, artikel I, onderdelen L en W en artikel II, onderdelen D en L).

Amendering (Kamerstukken II 2007/08, 31 374, nr. 33) heeft er toe geleid dat ten aanzien

van de netbeheerderstarieven behalve een verjaringstermijn ook een vervaltermijn in het

wetsvoorstel opgenomen. Dit is dezelfde vervaltermijn als die in het huidige artikel 31,

tiende lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 12b, derde lid, onderdeel e, van de

Gaswet reeds is opgenomen. De vervaltermijn ziet daarbij op een andere fase in de

facturering van de netbeheerderstarieven dan de verjaringstermijn.

De huidige bepalingen van artikel 31, tiende lid, van de Elektriciteitswet 1998 en

artikel 12b, derde lid, onderdeel e, van de Gaswet inzake de vervaltermijn strekken ertoe

de termijn waarbinnen voor verrichte netbeheerdersdiensten kan worden gefactureerd te

begrenzen tot twee jaar om te voorkomen dat afnemers na verloop van lange tijd nog

worden geconfronteerd met hoge facturen voor ooit verrichte diensten. De nieuwe tekst

die ten gevolge van het bovengenoemde amendement voor deze bepalingen in het

wetsvoorstel is opgenomen, beoogt geen inhoudelijke wijziging maar strekt slechts ter

verduidelijking van de huidige vervaltermijnbepalingen. In verband met het

leveranciersmodel komt de vervaltermijnbepaling in het wetsvoorstel bovendien terug in

de tweede volzin van het vierde lid van de voorgestelde artikelen 95cb, vierde lid, van de

Elektriciteitswet 1998 en 44b, vierde lid van de Gaswet, zodat gewaarborgd is dat de

vervaltermijn voor het factureren van netbeheerderstarieven ook geldt als de leverancier

deze voor de netbeheerder factureert.

4.6.

Met name uit de laatste zin van de hierboven aangehaalde Memorie van Antwoord, blijkt duidelijk dat het de keuze van de wetgever is geweest om de vervaltermijn voor netbeheerderstarieven te handhaven, ook (zelfs) als een derde (de leverancier) die tarieven voor de netbeheerder factureert en int.

4.7.

Nu de onderhavige factuur dateert van 15 september 2013, zijn het vorderingsrecht en de betalingsverplichting ten aanzien van de daarin opgenomen netwerkkosten op

15 september 2015 vervallen. Dit onderdeel zal derhalve worden afgewezen.

4.8.

Het bovenstaande betekent dat van de gevorderde hoofdsom € 1.245,71 toewijsbaar is. De wettelijke handelsrente daarover is toewijsbaar vanaf 5 februari 2014 tot aan de dag van voldoening.

4.9.

Een vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal eveneens worden toegewezen nu gebleken is dat Lindorff genoodzaakt was om kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte te maken en de gestelde daartoe verrichte werkzaamheden op zichzelf niet door [gedaagde] worden betwist. Het in dit kader toe te wijzen bedrag - berekend volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten - is € 186,85. Lindorff grondt dit onderdeel ook op art. 12.9 van de door Essent gebruikte algemene voorwaarden, maar dit artikellid verwijst ter zake van de omvang van de vergoeding naar een tarievenblad dat niet in het geding is gebracht zodat die grondslag dit onderdeel van de vordering qua omvang niet kan dragen. De tussen partijen ontstane discussie over de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden behoeft dan ook geen verdere bespreking, nog daargelaten dat Lindorff bij dit onderdeel - kennelijk - zelf ook al is uitgegaan van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten: het gevorderde bedrag van € 267,14 is 15% van de gevorderde hoofdsom van € 1.780,93.

4.10.

Terecht stelt [gedaagde] dat het exploot uitermate summier is en niet althans niet op alle punten voldoet aan de daaraan in art. 21, 85 en 111 Rv gestelde eisen. Geen van deze verzuimen wordt echter met nietigheid bedreigd. Lindorff heeft bij repliek haar vordering alsnog gesubstantieerd op een wijze die wel voldoet aan de wettelijke eisen. [gedaagde] is materieel niet in zijn procesbelang geschaad nu hij bij dupliek uiteindelijk het nodigeheeft kunnen aanvoeren tegen hetgeen Lindorff bij repliek alsnog heeft aangevoerd en de kantonrechter het geschil in volle omvang heeft kunnen beoordelen. De strijd met art. 21 en art. 111 lid 3 Rv zit hem er met name (maar niet uitsluitend) in dat Lindorff onder III van het exploot ten onrechte stelt dat [gedaagde] de vordering buiten rechte niet heeft betwist, hetgeen - zo blijkt later in de procedure - onjuist is. Lindorff erkent dit onder punt 30 van haar repliek ook en stelt dan dat er door een administratieve fout abusievelijk een ‘standaarddagvaarding’ is vervaardigd. Op grond hiervan alsmede op grond van het gegeven dat een substantieel deel van de vordering wordt afgewezen, zal de kantonrechter de proceskosten gedeeltelijk compenseren, aldus dat geen salaris gemachtigde wordt berekend.

4.11.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Lindorff tot de datum van dit vonnis begroot op € 576,12, bestaande uit € 470,00 aan griffierecht en € 106,12 aan explootkosten.

5 De beslissing


De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om tegen bewijs van kwijting aan Lindorff € 1.245,71 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 5 februari 2014 tot aan de dag van voldoening,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om tegen bewijs van kwijting aan Lindorff € 186,85 te betalen,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Lindorff tot de datum van dit vonnis begroot op € 576,12,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen en is in het openbaar uitgesproken.

RK