Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:9371

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
03/721497-14 + 03/702524-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meerdere brandstichtingen gepleegd als lid van de vrijwillige brandweer. Bekennende verdachte. Strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummers: 03/721497-14 + 03/702524-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 september 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.J. Patelski, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 13 september 2017. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

03/721497-14 + 03/702524-15

primair

samen met een ander of anderen brand heeft gesticht in/aan twee panden, twee auto’s, strobalen en een coniferenhaag, waardoor onder meer gemeen gevaar voor die panden en auto’s en de zich in de panden en in de auto’s bevindende goederen is ontstaan, dan wel gemeen gevaar is ontstaan voor een oplegger en voor de zich in de omgeving van de coniferenhaag bevindende goederen;

subsidiair

samen met een ander of anderen voormelde goederen opzettelijk heeft vernield.

De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de primair tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie verwijst naar de volgende bewijsmiddelen.

03/721497-14

Feit 1 (BMW 320d): de aangifte van brandstichting, de bekennende verklaring van de verdachte, de uitrukgegevens van de brandweer, de verklaring van de getuige [getuige 1] die een persoon met schoenen aan en een persoon op zijn sokken ziet wegrennen. Ook maakt deze getuige melding van een wit busje, hetgeen strookt met de verklaring van verdachte dat ze met het witte busje van de medeverdachte [medeverdachte 1] waren.

Feit 2 (Strobalen): de aangifte van brandstichting, de bekennende verklaring van de verdachte. Verdachte verklaart dat hij deze brand heeft gesticht samen met [medeverdachte 1] en dat de medeverdachte [medeverdachte 2] op de hoogte was van hun plannen en hen heeft gereden naar de plek van bestemming. Verder zijn er nog de uitrukgegevens van de brandweer en de verklaring van de getuige [getuige 2] .

Feit 3 (Coniferenhaag): de aangifte van brandstichting, de bekennende verklaring van de verdachte, de uitrukgegevens van de brandweer en de verklaring van de getuige [getuige 3] .

03/702524-15

Feit 1 (VW Caddy): de aangifte van brandstichting, de uitrukgegevens van de brandweer, de bekennende verklaring van de verdachte, die ondersteund wordt door de verklaring van de getuige [getuige 4] . [getuige 4] verklaarde dat hij tegelijkertijd met de P2000 brandmelding op zijn telefoon een whatsapp-bericht van de medeverdachte [medeverdachte 1] ontving over de brand, hetgeen daderkennis bij [medeverdachte 1] betekent.

Feit 2 ( [naam café] ): de aangifte van brandstichting, de bekennende verklaring van de verdachte, de uitrukgegevens van de brandweer en de bevindingen naar aanleiding van het telecomonderzoek. Daarnaast ondersteunt het onderzoek naar de 112-melding de verklaring van verdachte. De telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 1] is gebruikt voor de 112-melding. Voorts heeft de verdachte zich inderdaad tijdens de melding uitgegeven als [naam] en blijkt uit de melding dat er evident een tweede persoon aanwezig was toen de verdachte deze melding deed.

Feit 3 (verenigingsgebouw hondenvereniging): de aangifte van brandstichting, de uitrukgegevens van de brandweer, de bekennende verklaring van de verdachte en de verklaring van de getuige [getuige 5] . De verklaring van [getuige 5] is betrouwbaar te achten omdat de verklaringen tot stand zijn gekomen toen de verdachte in beperkingen zat.

Het standpunt van de verdediging

De primair tenlastegelegde feiten kunnen wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, met uitzondering van de brandstichtingen van de personenauto (een BMW 320d) en de strobalen. Volgens de verdediging ontbreekt ten aanzien van deze feiten de vereiste pluraliteit van goederen, waarvoor gemeen gevaar te duchten is.

Het oordeel van de rechtbank 1

Inleiding

In de periode juli en augustus 2014 vinden in en rond de omgeving van de gemeente Onderbanken diverse (grote) branden plaats, waar normaal zelden branden zijn. Op 11 augustus 2014 komt via één informant de volgende TCI (Team Criminele Inlichtingen) melding binnen:

“Ene [medeverdachte 1] en ene [verdachte] zijn beiden lid van de vrijwillige brandweer Onderbanken. [verdachte] en [medeverdachte 1] stichten opzettelijk branden in het gebied van de gemeente Onderbanken. [medeverdachte 1] is in het bezit van een witte bestelbus.”

Onderzoek wijst uit dat het gaat om de verdachte [verdachte] en de medeverdachte [medeverdachte 1] en dat [medeverdachte 1] een wit bestelbusje bezit. In de nacht van zaterdag 23 op zondag 24 augustus 2014 worden beide verdachten geobserveerd, getapt, gevolgd en aangehouden. Op maandag 25 augustus 2014 volgt een TCI melding voor de medeverdachte [medeverdachte 2] , waarop ook hij wordt aangehouden.

Feit 1 primair (03/721497-14)

Op 21 juli 2014 heeft er een brand gewoed in een BMW 320d, staande op de Dorpsstraat te Bingelrade, in de gemeente Onderbanken. De auto stond geparkeerd op een parkeerplaats nabij een ontmoetingscentrum. Namens de eigenaar, genaamd [benadeelde partij 1] , heeft [naam aangever 1] aangifte gedaan van brandstichting van diens BMW 320d. [naam aangever 1] werd omstreeks 2:15 uur wakker van een knal en een sissend geluid. Toen hij naar buiten ging, rook hij een heftige penetrante geur en zag hij dat de auto van zijn vriend in brand stond.2

De verdachte heeft verklaard dat hij de BMW samen met [medeverdachte 1] heeft aangestoken. Zij waren met de bus van [medeverdachte 1] , een witte Opel Vivaro, in de buurt aan het rondrijden toen zij de auto zagen staan. [medeverdachte 1] zei dat de auto daar al zeker twee maanden stond en dat het wel een gestolen auto zou zijn. Zij dachten toen dat dit een leuke uitruk zou kunnen opleveren. [medeverdachte 1] heeft vervolgens de aanmaakblokjes aangestoken en op de auto gelegd, terwijl de verdachte op de uitkijk stond. Uit zichzelf heeft de verdachte verklaard dat hij op zijn sokken heeft gelopen en dat [medeverdachte 1] gewoon op zijn schoenen is weggerend.3

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij die nacht, voordat hij de brandende auto ontdekte, twee personen langs zijn woning zag rennen. Eén persoon rende op zijn sokken en de ander op zijn schoenen. Hij zag dat ze in een wit bestelbusje stapten en wegreden, de bestuurder was degene met de schoenen nog aan.4

De rechtbank acht, gelet op de aangifte van [naam aangever 1] , de bekennende verklaring van de verdachte en de verklaring van de getuige [getuige 1] – in onderlinge samenhang beschouwd – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, samen met de medeverdachte [medeverdachte 1] , door middel van aanmaakblokjes de BMW 320d in brand heeft gestoken. Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat er geen gemeen gevaar voor goederen (pluraliteit) te duchten was, gaat de rechtbank daar niet in mee nu het de aanmaakblokjes (en niet de auto) zijn die in brand zijn gestoken, waardoor zowel de auto als de in de auto bevindende goederen, gevaar liep.

Feit 2 primair (03/721497-14)

Op 4 augustus 2014 omstreeks 4:00 uur heeft er een brand gewoed in een weiland in de gemeente Onderbanken, waarbij diverse strobalen, gelegen op een aanhanger, in rook zijn opgegaan en waarbij de aanhanger aanzienlijk is beschadigd. De eigenaar [benadeelde partij 2] heeft aangifte gedaan van brandstichting.5

De verdachte heeft over deze brand verklaard dat hij samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een aantal strobalen op een aanhanger, staande in het veld aan de Clouserweg te Bingelrade in brand heeft gestoken. De verdachte heeft verklaard dat er drie rijen van grote strobalen waren. Hij en [medeverdachte 1] stonden elk bij een rij toen ze de aanmaakblokjes aanstaken en vervolgens in de strobalen duwden.6

De rechtbank acht, gelet op de aangifte van [benadeelde partij 2] en de verklaring van de verdachte – in onderlinge samenhang beschouwd – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met een ander door middel van aanmaakblokjes de strobalen in brand heeft gestoken. Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat er geen gemeen gevaar voor goederen (pluraliteit) te duchten was, gaat de rechtbank daar niet in mee, nu het de aanmaakblokjes zijn die in brand zijn gestoken, waardoor (i) de daarmee aangestoken strobalen, (ii) de nabij liggende strobalen en (iii) de aanhangwagen gevaar liepen.

Feit 3 primair (03/721497-14)

Op 19 augustus 2014 omstreeks 01:40 uur vatte een coniferenhaag vlam op het perceel aan [adres 1] te Schinveld, in de gemeente Onderbanken. Door deze brand had de coniferenhaag over een lengte van ongeveer vier meter brandschade. Door het tijdig blussen door de brandweer werd voorkomen dat de brand oversloeg naar het naast de coniferenhaag gelegen tuinhuis. De eigenaar [benadeelde partij 3] heeft aangifte gedaan van brandstichting.7

De verdachte heeft over deze brand verklaard dat hij samen met [medeverdachte 1] rondreed en dat zij niets interessants konden vinden om in brand te steken. Toen zeiden zij tegen elkaar ‘of zullen we dat conifeertje nog meepakken?’ De verdachte heeft daarop de conifeer, met aan weerszijden een tuinhuis en een woning op 40 meter afstand, aangestoken met een aansteker8, terwijl [medeverdachte 1] achter hem stond.9 De verdachte noemde de brand in zijn politieverhoor ‘echt een vuurzee’. Toen hij thuis kwam kon hij de gloed al zien en dacht hij ‘oh, oh’.10

De rechtbank acht, gelet op de aangifte van [benadeelde partij 3] en de verklaring van de verdachte – in onderlinge samenhang beschouwd – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de conifeer samen met een ander in brand heeft gestoken, waardoor gemeen gevaar voor de overige coniferen en het aangrenzende tuinhuis te duchten was.

Feit 1 primair (03/702524-15)

Op 7 augustus 2014 heeft er omstreeks 01.00 uur een brand gewoed in een Volkswagen Caddy, voorzien van kenteken [kenteken] , staande aan de Klingbemden te Brunssum. Deze Volkswagen stond geparkeerd aan de openbare weg, voor het perceel nr. 180. [naam aangever 2] heeft namens de leasemaatschappij Terberg Leasing BV aangifte gedaan van brandstichting. De auto is niet volledig uitgebrand, maar de materialen in de auto hebben wel schade opgelopen, met name de spullen die voorin in de auto lagen. De gemeente is nog langsgekomen om het beschadigde wegdek schoon te maken.11

De verdachte heeft over deze brand verklaard dat hij deze auto samen met [medeverdachte 1] in brand heeft gestoken. Dit hebben ze samen gedaan met een fles bio-ethanol, waaraan ze met duct tape een aanmaakblokje hadden vastgebonden. De verdachte heeft dit pakketje op het linker voorwiel van de Volkswagen Caddy gelegd. Het ontplofte direct waardoor de Volkswagen Caddy volgens verdachte direct ‘in lichterlaaie’ stond. Het flesje bio-ethanol hadden ze in de loods van [medeverdachte 1] geprepareerd met een aanmaakblokje. [medeverdachte 1] gaf het pakketje aan, de verdachte stak het aan.12

De rechtbank acht, gelet op de aangifte en de verklaring van de verdachte – in onderlinge samenhang beschouwd – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, samen met een ander, door middel van een fles bio-ethanol en een aanmaakblokje de Volkswagen Caddy in brand heeft gestoken, waardoor gemeen gevaar voor deze Volkswagen en de zich daarin bevindende goederen te duchten was.

Feit 2 primair (03/702524-15)

Op 1 juli 2014 omstreeks 02:24 uur heeft er een brand gewoed in het pand aan de [adres 2] te Schinveld, in de gemeente Onderbanken. Dit pand is ook wel bekend als “ [naam café] ”. Het gehele pand is door de brand verwoest. De eigenaar van het pand, genaamd [benadeelde partij 4] , heeft aangifte gedaan van brandstichting.13

De verdachte heeft over deze brand verklaard dat hij deze samen met [medeverdachte 1] heeft gesticht. Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1] had gezegd dat het pand afgebroken zou worden. [medeverdachte 1] en verdachte zijn het pand binnengegaan, waarop [medeverdachte 1] aanmaakblokjes bij het keukenblok en op een aantal vuilniszakken heeft neergelegd. Verdachte is zelf naar de meterkast gelopen en heeft daar wat hout, een houten mandje en wat andere rotzooi tegenaan gezet. Daar heeft verdachte aanmaakblokjes bij gelegd. De verdachte en [medeverdachte 1] hebben dit aangestoken en zijn weggegaan. Ze zijn richting Duitsland gereden, teruggekomen, nog een keer Duitsland ingereden, teruggekomen en toen naar verdachtes huis gereden.14 In zijn vijfde verhoor heeft de verdachte verklaard dat hij daarna zelf 112 heeft gebeld, omdat ze bang waren dat het een Duitse uitruk zou worden. Dit zou betekenen dat zij zelf geen melding zouden krijgen van de brandweer om de brand te blussen. Verdachte heeft de melding gedaan met de mobiele telefoon van [medeverdachte 1] . Hij heeft gebeld onder de naam [naam] .15 Deze 112-melding is nader onderzocht. Uit dit onderzoek volgt dat er inderdaad om 02:24 uur een melding is gedaan onder de naam [naam] .16Volgens rechercheurs is tijdens deze melding op de achtergrond te horen dat iemand zegt dat er een redvoertuig wordt ingezet. De verdachte heeft hierover verklaard dat dit [medeverdachte 1] is.17

Uit de historische gegevens van de 112 alarmcentrale te Driebergen blijkt dat er met een Iphone voorzien van het Imei-nummer [imei nummer] gebeld was.18 Uit onderzoek blijkt dat hierin de simkaart met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] van [getuige 6] had gezeten van begin 2014 tot 8 juni 2014. [getuige 6] heeft hierover verklaard dat zij de telefoon van [medeverdachte 1] had gekregen, omdat het hare defect was. Na het verbreken van de relatie heeft zij deze telefoon aan [medeverdachte 1] teruggegeven.19 Vanaf 7 juli 2014 blijkt in de telefoon een simkaart met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] van [getuige 7] te zitten. Dit blijkt [meisjesnaam getuige 7] , gescheiden van [naam ex-echtgenoot getuige 7] , te zijn. Ook zij werd als getuige in dit onderzoek gehoord. Zij verklaarde met [medeverdachte 1] een relatie te hebben gehad en dat zij deze telefoon in juni of juli 2014 van hem heeft gekregen, omdat haar telefoon defect was. Zij had de telefoon nog in haar bezit.20 Het Imei-nummer van deze telefoon kwam overeen met het nummer uit de historische gegevens.21

De rechtbank acht, gelet op de aangifte van [benadeelde partij 4] , de verklaring van de verdachte, het onderzoek naar de 112-melding en het onderzoek naar de historische gegevens van het toestel waarmee de melding is gedaan – in onderlinge samenhang beschouwd – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, samen met de medeverdachte [medeverdachte 1] , door middel van aanmaakblokjes de brand in [naam café] heeft aangestoken, waardoor gemeen gevaar voor deze [naam café] en de zich daarin bevindende goederen te duchten was.

Feit 3 primair (03/702524-15)

Op 11 augustus 2014 heeft er een brand gewoed in het verenigingsgebouw van de hondenvereniging ’De Doorbijters’, gelegen aan de [adres 3] te Brunssum. [naam aangever 3] heeft namens de vereniging aangifte gedaan van brandstichting. De politie heeft, zo volgt uit een opmerking op deze aangifte, achteraf van de bevelvoerder van de brandweer te horen gekregen dat het vuur voornamelijk aan de buitenzijde van de blokhut had gewoed en dat het hier ook is ontstaan.22

De verdachte heeft over deze brand verklaard dat hij de brand samen met [medeverdachte 1] heeft aangestoken. Het initiatief kwam van hen samen. Zij reden met verdachtes auto de berg op en zagen de blokhut. Vervolgens heeft de verdachte [medeverdachte 1] daar afgezet. De verdachte heeft verklaard dat hij niet precies weet hoe het pand in brand is gestoken, omdat hij zelf met zijn auto op en neer heeft gereden terwijl [medeverdachte 1] de brand stichtte. Volgens de verdachte heeft [medeverdachte 1] gezegd dat hij een heel pak aanmaakblokjes in een hoek had gelegd en had aangestoken.23

Op 29 augustus 2014 heeft de getuige [getuige 5] verklaard dat [medeverdachte 1] en de verdachte gezamenlijk hebben verteld dat ze dit samen hebben gedaan.24

De rechtbank acht, gelet op de aangifte van [naam aangever 3] , de verklaring van de verdachte en de verklaring van de getuige [getuige 5] – in onderlinge samenhang beschouwd – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, samen met de medeverdachte [medeverdachte 1] , het verenigingsgebouw door middel van aanmaakblokjes in brand heeft gestoken, waardoor gemeen gevaar voor dit verenigingsgebouw en de zich daarin bevindende goederen te duchten was.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1. primair (03/721497-14)

op 21 juli 2014 in de gemeente Onderbanken, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met aanmaakblokjes en vervolgens deze aanmaakblokjes in/onder een personenauto (te weten een BMW 320d) (geparkeerd op de Dorpsstraat te Bingelrade) te plaatsen, ten gevolge waarvan genoemde auto gedeeltelijk is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor genoemde auto en gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

2 primair (03/721497-14)

op 4 augustus 2014 in de gemeente Onderbanken, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met aanmaakblokjes en vervolgens die aanmaakblokjes in strobalen heeft geplaatst, ten gevolge waarvan voornoemde strobalen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor omringende strobalen en een aanhangwagen te duchten was;

3 primair (03/721497-14)

op 19 augustus 2014 in de gemeente Onderbanken, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een coniferenhaag, ten gevolge waarvan die coniferenhaag gedeeltelijk is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor het aangrenzende tuinhuisje, gelegen aan [adres 1] te Schinveld, te duchten was.

De rechtbank acht verder bewezen dat de verdachte

1. primair (03/702524-15)

op 7 augustus 2014 in de gemeente Brunssum, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof en vervolgens deze in/onder een personenauto, te weten een Volkswagen Caddy, gekentekend [kenteken] , te plaatsen, ten gevolge waarvan genoemde auto gedeeltelijk is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor genoemde auto en zich in de auto bevindende goederen te duchten was;

2 primair (03/702524-15)

op 1 juli 2014 in de gemeente Onderbanken, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met aanmaakblokjes en vervolgens deze aanmaakblokjes in een pand, gelegen aan de [adres 2] te Schinveld, te deponeren, ten gevolge waarvan genoemd pand geheel is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor genoemd pand en in het pand aanwezige goederen te duchten was;

3 primair (03/702524-15)

op 11 augustus 2014 in de gemeente Brunssum, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met aanmaakblokjes en vervolgens deze aanmaakblokjes tegen een pand, gelegen aan de [adres 3] te gooien en/of te deponeren, ten gevolge waarvan voornoemd pand gedeeltelijk is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor genoemd pand en in het pand aanwezige goederen te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feiten 1 primair, 2 primair en 3 primair (03/721497-14) en feiten 1 primair, 2 primair en 3 primair (03/702524-15):

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte

De klinisch psycholoog C. Clarijs heeft over de geestvermogens van de verdachte op 4 november 2014 een rapport uitgebracht. De rechtbank komt op basis van de in dat rapport vervatte bevindingen en het daarin vervatte advies tot de conclusie dat bij de verdachte geen sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De straf en de maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van het voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt oplegging van de maximale taakstraf, met een eventuele vrijheidsstraf te beperken tot de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast verzoekt hij in positieve zin rekening te houden met: de opstelling van de verdachte bij de politie en ter terechtzitting, het oprechte berouw van de verdachte die het laakbare van zijn handelen inziet, het feit dat de verdachte first offender is en er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Verder schat de reclassering het recidiverisico in als laag en heeft de verdachte uit eigen beweging reeds geld gespaard om de schade van de slachtoffers te vergoeden. De raadsman verzoekt voorts rekening te houden met de persoon van de verdachte en de overige omstandigheden van het geval.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich in een periode van twee maanden schuldig gemaakt aan het samen met een ander in de nachtelijke uren opzettelijk in brand steken van twee panden, twee auto’s en strobalen en een coniferenhaag. Brandstichting behoort tot één van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent, omdat als gevolg van dit delict onbeheersbare, zeer gevaarzettende situaties voor personen of goederen kunnen ontstaan. In casu was er zeker sprake van gemeen gevaar voor goederen: de ‘ [naam café] ’ is volledig afgebrand, de brand in de coniferenhaag werd door verdachte een vlammenzee genoemd en de Volkswagen Caddy stond direct ‘in lichterlaaie’ door het gebruik van bio-ethanol, aldus de verdachte. Dergelijke branden, en zeker deze hoeveelheid branden in een periode van twee maanden, veroorzaken grote angst en onrust in de samenleving, met name in de gemeenten Onderbanken en Brunssum en bij de slachtoffers in het bijzonder. Te meer, nu de branden telkens in de nachtelijke uren zijn gesticht en meerdere slachtoffers de brand pas ontdekten nadat zij wakker zijn gemaakt door buren of hun eigen kinderen.

In het bijzonder vindt de rechtbank strafverzwarend dat de verdachte als lid van de vrijwillige brandweer zelf de branden heeft aangestoken. De verdachte heeft verklaard dit enkel te hebben gedaan voor de ‘kick van het uitrukken.’ Brandweerlieden hebben een voorbeeldfunctie en zijn bij uitstek de personen die onder meer bij (uitslaande) branden ervoor zorgen dat, met gevaar voor eigen leven, de veiligheid van personen en goederen wordt beschermd door met de geëigende middelen de branden tegemoet te gaan. De maatschappij moet en mag kunnen vertrouwen op brandweerlieden wanneer hun belangrijke inzet benodigd is. Dat vertrouwen wordt door de handelwijze van de verdachte ernstig aangetast. Verder heeft de verdachte misbruik gemaakt van de publieke middelen die de brandweer ten dienste staan om mensen of goederen te beschermen tegen een brand. Deze middelen hadden immers niet ingezet hoeven te worden als verdachte geen branden had gesticht. Bovendien heeft verdachte er niet bij stilgestaan dat ook elders branden hadden kunnen uitbreken, met mogelijk desastreuze gevolgen omdat de middelen daar niet (of niet tijdig) konden worden ingezet.

De ernst van de feiten, in combinatie met het gevaar en de angst die de branden hebben veroorzaakt, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een andere strafsoort is niet aan de orde. De rechtbank wil met het oog op de generale preventie een duidelijk en krachtig signaal afgeven aan de samenleving dat brandstichtingen, zeker door brandweerlieden, niet licht worden opgevat. Het feit dat de verdachte bij de politie en ter terechtzitting open kaart heeft gespeeld en oprecht spijt lijkt te hebben van zijn daden, is reden voor de rechtbank om aan de verdachte een lichtere straf op te leggen dan wanneer zijn opstelling anders was geweest. Ook het ontbreken van eerdere veroordelingen en het feit dat de reclassering het recidiverisico laag inschat, werken in het voordeel van de verdachte.

De rechtbank heeft verder bij de straftoemeting rekening gehouden met het feit dat verdachtes recht op een behandeling van zijn proces binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is geschonden, nu de zaak pas ruim drie jaren na de aanhouding van verdachte leidt tot een eindvonnis in eerste aanleg. De rechtbank vindt in deze termijnoverschrijding aanleiding een lagere straf op te leggen dan zij zonder deze verdragsschending zou hebben opgelegd.

Gelet op met name de proceshouding van verdachte en de persoon van de verdachte, acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 24 maanden met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank ziet geen reden voor het opleggen van een voorwaardelijk gedeelte van de straf omdat verdachte de laakbaarheid van zijn handelen inziet, niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit en ook sinds 2014, toen de onderhavige feiten hebben plaatsgevonden, niet meer met justitie in aanraking is gekomen.

De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De vorderingen van de benadeelde partijen

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (feit 1 primair (03/721497-14))

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een schadevergoeding van € 4.280,03. De schade bestaat uit de dagwaarde van de BMW 320dA (bouwjaar 2004) en de stallings- en bergingskosten. Zij vordert geen wettelijke rente of oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij [naam vof benadeelde partij 2] v.o.f. (feit 2 primair (03/721497-14))

De benadeelde partij [naam vof benadeelde partij 2] v.o.f. vordert een schadevergoeding van € 5.267,20, geheel bestaande uit materiële schade. De schade bestaat uit de schadekosten die niet zijn vergoed door de schadeverzekeraar. Daarnaast vordert zij de wettelijke rente en verzoekt zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] (feit 3 primair (03/721497-14))

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert een schadevergoeding van € 1.860,00. De schade bestaat uit het vervangen en aanplanten van coniferen en het vervangen van een tuinhuisje. Zij vordert geen wettelijke rente of oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] (feit 2 primair (03/702524-15))

De benadeelde partij [benadeelde partij 4] vordert een schadevergoeding van € 188.250,00. De schade bestaat uit vermogensverlies door de vernietiging van het pand (de opstalwaarde) en uit sloop- en saneringskosten. Daarnaast vordert zij de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (feit 1 primair (03/721497-14))

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering voldoende is onderbouwd en voor toewijzing gereed ligt, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Hij verzoekt de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk op te leggen, aangezien deze vordering tevens is ingediend in de strafzaak van de medeverdachte.

De vordering van de benadeelde partij [naam vof benadeelde partij 2] v.o.f. (feit 2 primair (03/721497-14))

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering voldoende is onderbouwd en voor toewijzing gereed ligt. Hij verzoekt de rechtbank om de verdachte tevens te veroordelen tot het betalen van de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Daarnaast verzoekt hij de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk op te leggen, aangezien deze vordering tevens is ingediend in de strafzaak van de medeverdachte.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] (feit 3 primair (03/721497-14))

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering, wat betreft de aanschafkosten voor nieuwe coniferen, voldoende is onderbouwd en voor toewijzing gereed ligt. Hij verzoekt de rechtbank om de verdachte tevens te veroordelen tot het betalen van de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Daarnaast verzoekt hij de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk op te leggen, aangezien deze vordering tevens is ingediend in de strafzaak van de medeverdachte. De kosten voor het nieuwe tuinhuis moeten volgens de officier van justitie nog nader worden onderzocht, omdat de vermeende schade nog niet concreet is, reden waarom hij meent dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] (feit 2 primair (03/702524-15))

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering ten aanzien van de opstalwaarde te complex is en een onevenredige belasting oplevert van het strafgeding. De officier van justitie vordert de benadeelde partij voor dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De sloop- en saneringskosten acht hij wel voor toewijzing vatbaar. Hij verzoekt de rechtbank om de verdachte tevens te veroordelen tot het betalen van de wettelijke rente. Daarnaast verzoekt hij de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk op te leggen, aangezien deze vordering tevens is ingediend in de strafzaak van de medeverdachte.

Het standpunt van de verdediging

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (feit 1 primair (03/721497-14))

De raadsman voert aan dat de auto gerepareerd diende te worden voorafgaand aan de brand. Als gevolg van de brand hoeft deze reparatie niet meer uitgevoerd te worden. Dit voordeel is een direct gevolg van het concrete schadevoorval, waarmee is voldaan aan het vereiste dat het voordeel voortvloeit uit ‘eenzelfde gebeurtenis’, waardoor voordeeltoerekening dient plaats te vinden. De raadsman acht de vervangingswaarde van de auto van € 4.000,00 redelijk. Hij stelt echter dat er geen opgave is gedaan van de reparatiekosten en verzoekt de rechtbank daarom het voordeel te schatten op 10% van de vervangingswaarde zijnde

€ 400,00, waardoor een schadebedrag van € 3.600,- resteert. Tegen toewijzing van de stallings- en bergingskosten heeft de raadsman geen bezwaar.

De vordering van de benadeelde partij [naam vof benadeelde partij 2] v.o.f. (feit 2 primair (03/721497-14))

De raadsman bepleit afwijzing van de vordering van de benadeelde partij. Hij stelt dat de schade van de benadeelde partij volledig is vergoed door de schadeverzekeraar. Op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad is er na uitkering geen ruimte om nog andere kosten van herstel te claimen, tenzij deze helder onderbouwd worden. De raadsman acht dit in casu niet het geval.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] (feit 3 primair (03/721497-14))

De raadsman heeft geen bezwaar tegen het toewijzen van de vordering met betrekking tot de vervanging van de coniferenhaag. Ten aanzien van de vervanging van het tuinhuis bepleit de raadsman om de benadeelde partij voor dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De benadeelde partij heeft de vordering namelijk gestaafd op een onzekere gebeurtenis in de toekomst waarvan niet zeker is of deze zal intreden en hoe hoog de schade dan zal zijn.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] (feit 2 primair (03/702524-15))

De raadsman bepleit primair afwijzing van de vordering van de benadeelde partij vanwege misleiding van de rechtbank. Subsidiair verzoekt hij de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsman stelt op basis van de principeaanvraag, dat de benadeelde partij reeds voorafgaand aan de brand voornemens was het pand te slopen in plaats van te renoveren. Dat zij hierover – slopen of renoveren – nog niet had beslist, noemt de raadsman in strijd met de waarheid. Daarnaast stelt de raadsman dat het taxatierapport van Vermeulen valselijk is opgemaakt, met de kennelijke bedoeling het als echt en onvervalst te gebruiken in de onderhavige voegingsprocedure. Immers prijkt een gedateerde foto van de Heidestübel op de voorkant van het rapport, ontbreekt de handtekening van de taxateur door het genoemde bedrag, zou [benadeelde partij 4] het pand hebben gekocht voor een bedrag van € 183.250,00 - maar liefst 25% onder de beweerdelijke taxatiewaarde van tien dagen eerder - en ontbreken datumaanduidingen in het rapport of zijn deze valselijk opgenomen.

Ten aanzien van de factuur voor de asbestverwijdering merkt de raadsman op, dat dit werk dient te gebeuren door een bedrijf dat in het bezit is van een procescertificaat asbestverwijdering, hetgeen in casu niet het geval was. De raadsman twijfelt dan ook aan de authenticiteit van de factuur. Mocht de rechtbank dit passeren, dan merkt de raadsman nog op dat bij een grondige verbouwing van het pand asbestsanering hoe dan ook had moeten plaatsvinden. Deze kosten zijn zodoende niet het gevolg van de onrechtmatige daad. Daarnaast dient de waarde van het pand gewaardeerd te worden op basis van het casco en niet op de waarde ‘in het economisch verkeer in vrij opleverbare staat’.

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (feit 1 primair (03/721497-14))

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] schade heeft geleden die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

De raadsman verzoekt de rechtbank, gelet op de bespaarde reparatiekosten die hij schat op € 400,-, de vervangingswaarde van de auto te schatten op € 3.600,-. De rechtbank stelt echter dat de auto, voorafgaand aan de brand, niet dusdanig was beschadigd dat deze niet meer gebruikt kon worden zonder een reparatie. De aangever heeft immers in de aangifte verklaard dat hij de auto zou repareren en dat de auto daarom bij hem voor de deur was gezet, hetgeen erop duidt dat deze nog kon rijden. Dat er een reparatie van € 400,- nog moest plaatsvinden, is overigens niet gebleken, reden waarom de rechtbank met deze eventuele reparatiekosten geen rekening zal houden. De rechtbank acht voorts de gevorderde vervangingswaarde redelijk, mede gelet op de bijgevoegde aanbiedingen van eenzelfde soort auto. De stallings- en bergingskosten zijn niet betwist door de verdediging.

De rechtbank zal de vordering van € 4.280,03 in zijn geheel toewijzen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen, aangezien deze vordering tevens is ingediend in de strafzaak van de medeverdachte. Verdachte wordt aldus veroordeeld tot betaling aan de benadeelde partij van het toegewezen bedrag, te voldoen voor zover deze vordering niet reeds door of namens de medeverdachte is betaald.

De vordering van de benadeelde partij [naam vof benadeelde partij 2] v.o.f. (feit 2 primair (03/721497-14))

De rechtbank is van oordeel dat in de vordering van [naam vof benadeelde partij 2] v.o.f. thans onvoldoende is onderbouwd wat de resterende kosten inhouden en waarom deze niet zijn gedekt en uitgekeerd door de schadeverzekeraar. Die kosten zijn ook gemotiveerd betwist door de verdediging. Zo is nu, zonder expertise rapport, niet duidelijk hoe de schade-expert de schade heeft vastgesteld en hoe de verzekeraar de hoogte van de uitkering heeft vastgesteld. Het vormt echter een onevenredige belasting van het strafgeding om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen om de vordering te voorzien van een nadere onderbouwing alvorens te beslissen op de strafzaak. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en dat de zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] (feit 3 primair (03/721497-14))

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [benadeelde partij 3] schade heeft geleden die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. De rechtbank zal het gedeelte van de vordering ten aanzien van het verwijderen en vervangen van de coniferenhaag toewijzen.

De rechtbank merkt op dat er ten aanzien van het tuinhuisje blijkens de stukken geen schade is ontstaan, anders dan een gebroken ruitje. De benadeelde partij is van mening dat zij mogelijk een nieuw tuinhuis moet aanschaffen, wanneer door waterschade alsnog verzakking of rotting zal ontstaan van het tuinhuisje. Deze situatie is nu nog onzeker. De schade kan op dit moment dan ook nog niet worden vastgesteld. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij voor dit gedeelte van de vordering van € 985,00 niet-ontvankelijk is en dat de zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank wijst de vordering voor een bedrag van € 875,00 toe.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] (feit 2 primair (03/702524-15))

De gevorderde schade wordt door de verdediging betwist. De rechtbank stelt voorop dat zij thans niet kan vaststellen of het taxatierapport en de factuur voor de asbestverwijdering valselijk zijn opgemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank dient hiervoor nader onderzoek te worden verricht. Ook hier vormt het een onevenredige belasting van het strafgeding om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen om de vordering te voorzien van een nadere onderbouwing alvorens te beslissen op de strafzaak. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en dat zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel

De raadsman heeft verzocht de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen op maximaal een (1) dag te stellen. De verdachte zal immers niet alle schade onmiddellijk kunnen vergoeden, hetgeen zal leiden tot een bijkomende gevangenisstraf. Volgens de raadsman komt uit de jurisprudentie naar voren dat dit niet het doel van de vervangende hechtenis is. De verdachte is namelijk wel degelijk bereid te betalen.

De rechtbank overweegt het volgende. Bij de aard van de schadevergoedingsmaatregel past niet dat met de draagkracht van de verdachte rekening wordt gehouden (vgl. Hoge Raad 20 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6246). Betalingsonmacht staat dus niet aan de tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel en (in het verlengde daarvan) de toepassing van de vervangende hechtenis in de weg. De rechtbank mag bij gebrek aan draagkracht van verdachte onder omstandigheden afzien van de schadevergoedingsmaatregel, vanwege de tevens te bepalen vervangende hechtenis (vgl. Hoge Raad 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8788). Nu niet aannemelijk is geworden dat de verdachte in de toekomst (naar redelijke verwachting) geen draagkracht zal hebben om voornoemd bedrag te betalen, ziet de rechtbank geen aanleiding om van de hiervoor genoemde jurisprudentie af te wijken.

Het beslag

De rechtbank zal de aansteker verbeurdverklaren nu er tussen de aansteker en de gepleegde strafbare feiten een zekere relatie bestaat.

De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 33, 33a, 36f, 47, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf van 24 maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

feit 2 primair (03/721497-14) en feit 2 primair (03/702524-15)

  • -

    verklaart de benadeelde partijen [naam vof benadeelde partij 2] v.o.f. en [benadeelde partij 4] , niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, begroot tot heden op nihil;

feit 1 primair (03/721497-14)

  • -

    veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , wonende te [woonplaats 1] , te betalen € 4280,03;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] , van € 4280,03, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 52 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de staat te betalen;

feit 3 primair (03/721497-14)

  • -

    veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3] , wonende te [woonplaats 2] , te betalen € 875,00;

  • -

    verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering ten aanzien van de post ‘vervanging tuinhuisje’, groot € 985,00, en bepaalt dat zij dit gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3] , van € 875,00, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 17 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de staat te betalen;

Beslag

- verklaart verbeurd het volgende inbeslaggenomen voorwerp:

1 aansteker (2371704).

Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.A. Wilschut, voorzitter, M.J.A.G. van Baal en mr. M.E. Notermans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Klompe, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 september 2017.

Buiten staat

Mr. M.E. Notermans is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan de verdachte is onder parketnummer 03/721498-14 ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 21 juli 2014 in de gemeente Onderbanken, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een of meer aanmaakblokjes, althans met een brandbare stof, en/of (vervolgens) deze aanmaakblokjes in een (personen)auto (te weten een BMW 320d) (geparkeerd op de Dorpstraat te Bingelrade) te plaatsen, ten gevolge waarvan genoemde auto geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor genoemde auto en omringende, geparkeerd staande, auto's en het daar bevindende ontmoetingscentrum, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 21 juli 2014 in de gemeente Onderbanken, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto, te weten een BMW 320d, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2.

hij op of omstreeks 4 augustus 2014 in de gemeente Onderbanken, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een of meer aanmaakblokjes, althans met een brandbare stof, en/of (vervolgens) die aanmaakblokjes in een of meer strobalen heeft geplaatst, ten gevolge waarvan voornoemde strobalen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor omringende strobalen en/of een aanhangwagen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 4 augustus 2014 in de gemeente Onderbanken, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk meerdere strobalen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.

hij op of omstreeks 19 augustus 2014 in de gemeente Onderbanken, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een of meer aanmaakblokjes, althans met een brandbare stof, en/of (vervolgens) die aanmaakblokjes in een coniferenhaag heeft geplaatst,

ten gevolge waarvan die coniferenhaag geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor die coniferenhaag en/of omliggende beplanting en/of aangrenzend tuinhuisje en/of bijbehorende woning, gelegen aan [adres 1]

te Schinveld, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 19 augustus 2014 in degemeente Onderbanken, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een coniferenhaag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

Aan de verdachte is onder parketnummer 03/702524-15 ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 7 augustus 2014 in de gemeente Brunssum ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een of meer aanmaakblokjes, althans met een brandbare stof, en/of (vervolgens) deze aanmaakblokjes in/onder een (personen)auto, te weten een Volkswagen Caddy, gekentekend [kenteken] , te plaatsen, ten gevolge waarvan genoemde auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor genoemde auto en/of zich in de auto bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 7 augustus 2014 in de gemeente Brunssum tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto, te weten een Volkswagen Caddy, gekentekend [kenteken] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Terberg Leasing BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2.

hij op of omstreeks 1 juli 2014 in de gemeente Onderbanken, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een of meer aanmaakblokjes, althans met een brandbare stof, en/of (vervolgens) deze aanmaakblokjes in een pand, gelegen aan de [adres 2] te Schinveld, te gooien en/of te deponeren, ten gevolge waarvan genoemd pand geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor genoemd panden en/of de bij het pand behorende stal en/of in het pand aanwezige goederen, in

elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 1 juli 2014 in de gemeente Onderbanken, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een pand, gelegen aan de [adres 2] te Schinveld, en/of goederen welke in genoemd pand aanwezig waren, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 4] en/of [benadeelde partij 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft

vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.

hij op of omstreeks 11 augustus 2014 in de gemeente Brunssum tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een of meer aanmaakblokjes, althans met een brandbare stof, en/of (vervolgens) deze aanmaakblokjes in een pand, gelegen aan de [adres 3] te gooien en of deponeren, ten gevolge waarvan voornoemd pand geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor genoemd pand en

in het pand aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 11 augustus 2014 in de gemeente Brunssum tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een pand, gelegen aan de [adres 3] , en/of goederen, geplaatst in genoemd pand, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Hondenvereniging De Doorbijters, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, Districtsrecherche Parkstad, proces-verbaalnummer 2014078861, gesloten d.d. 3 februari 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 653.

2 Proces-verbaal van aangifte namens [benadeelde partij 1] , doorgenummerde dossierpagina’s 75-76.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde dossierpagina’s 237-239.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , doorgenummerde dossierpagina 79.

5 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 2] , doorgenummerde dossierpagina 81.

6 Processen-verbaal van verhoor van de verdachte, doorgenummerde dossierpagina’s 228, 231, 252 en 270.

7 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 3] , doorgenummerde dossierpagina 144.

8 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, doorgenummerde dossierpagina’s 241-242.

9 De verklaring van verdachte ter terechtzitting op 13 september 2017.

10 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, doorgenummerde dossierpagina’s 241-242.

11 Proces-verbaal van aangifte namens Terberg Leasing BV, doorgenummerde dossierpagina 85-86.

12 Processen-verbaal van verhoor van de verdachte, doorgenummerde dossierpagina’s 236 en 274.

13 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 4] , doorgenummerde dossierpagina’s 149 en 150.

14 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, doorgenummerde dossierpagina 258.

15 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, doorgenummerde dossierpagina 265.

16 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina 28, waar per abuis 01:24 uur in plaats van 02:24 uur is vermeld. Dit betreft, gelet op de historische gegevens (doorgenummerde pagina 392) waarop de melding zelf om 2:24:11 is waar te nemen, een kennelijke verschrijving.

17 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, doorgenummerde dossierpagina 297.

18 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina’s 28-29.

19 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 6] , doorgenummerde dossierpagina 632.

20 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 7] , doorgenummerde dossierpagina 639.

21 Geschrift, zijnde een foto van de Iphone, doorgenummerde dossierpagina 641.

22 Proces-verbaal van aangifte namens ‘De Doorbijters’, doorgenummerde dossierpagina’s 188 en 189.

23 Processen-verbaal van verhoor van de verdachte, doorgenummerde dossierpagina’s 249, 250, 275, 276.

24 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 5] , doorgenummerde dossierpagina 489.