Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:9316

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
04 4984879 CV EXPL 16-4044
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk.

Niet voldaan aan klachtplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 4984879 \ CV EXPL 16-4044

Vonnis van de kantonrechter van 27 september 2017

in de zaak van:

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] BOUW B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] BEHEER B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] ,

eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,

gemachtigde mr. D.E.M.P.J. Reijnart,

tegen:

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] ,

wonend [adres gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] ,

[woonplaats gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] ,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,

gemachtigde mr. W.J. Sleegers.

Partijen zullen hierna [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw, [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer en [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] worden genoemd.

1 De procedure in conventie en in reconventie

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 29 maart 2017

  • -

    de akte zijdens [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw en [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer

  • -

    de antwoordakte zijdens [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] .

1.2.

Ten slotte is de zaak op vonnis gesteld, waarvan de uitspraak nader is bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling in conventie en in reconventie

2.1.

De kantonrechter verwijst naar het vonnis in incident van 20 juli 2016 en het tussenvonnis van 29 maart 2017 en volhardt in hetgeen in die vonnissen is vastgesteld en beslist.

2.2.

Bij tussenvonnis van 29 maart 2017 heeft de kantonrechter [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] bevolen de in de akte van cessie bedoelde ‘aangehechte lijst’ van debiteuren over te leggen en op voorhand geoordeeld dat indien uit deze lijst mocht blijken dat daarop de vordering van [X] B.V. op [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] is vermeld, sprake is van een rechtsgeldige cessie. Bij akte van 26 april 2017 hebben [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw en [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer bedoelde lijst in het geding gebracht en op die lijst staat de vordering op [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] van € 19.276,44. Naar het oordeel van de kantonrechter staat daarmee vast dat de vordering waarvan [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer thans betaling vordert rechtsgeldig aan haar is gecedeerd. De stellingen die [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] daartegen bij antwoordakte van 7 juni 2017 nog heeft aangevoerd doen aan dat oordeel niet af.

2.3.

Anders dan [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] in zijn akte van 7 juni 2017 veronderstelt, heeft de kantonrechter niet twee verschillende rechtspersonen ( [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw en [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer) die een geschil hebben met [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] samengevoegd tot één partij. De kantonrechter heeft slechts bij tussenvonnis het meest verstrekkende verweer van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] in zijn geschil met [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer beoordeeld, zodat thans op alle vorderingen gelijktijdig kan worden beslist. Voor de leesbaarheid worden de vorderingen nogmaals kort weergegeven:

  1. [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw vordert van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] betaling van € 12.623,70 inclusief btw,

  2. [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer vordert van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] betaling van € 19.249,44 inclusief btw,

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] vordert in reconventie (voorwaardelijk), na vermeerdering van eis,

€ 15.616,00, ervan uitgaande dat oplevering alsnog dient plaats te vinden en een bedrag van € 20.608,00.

De kantonrechter zal de vorderingen hierna afzonderlijk beoordelen.

De vordering van [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw

2.4.

[eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw legt aan haar vordering de volgende facturen ten grondslag:

- factuurnummer 11.084 van 1 april 2011 ter hoogte van € 3.541,44 inclusief btw;

- factuurnummer 114.169 van 1 oktober 2014 ter hoogte van € 9.082,26 inclusief btw. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] heeft deze facturen niet betaald.

Factuur 11.084

2.5.

Factuur 11.084 d.d. 1 april 2011 ten bedrage van € 3.541,44 heeft betrekking op de 6e termijn van de tussen [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw en [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] overeengekomen aanneemsom. Deze factuur heeft [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] volgens [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw zonder protest behouden. De eindoplevering heeft op 22 april 2011 plaatsgevonden. Toen heeft [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] slechts enkele kleine opleveringspunten kenbaar gemaakt, te weten:

- het voegwerk was niet op kleur;

- het zinkwerk als muurafdekking liep verkeerd af;

- kleine lekkages in verband met afwerking dakrand;

- hardsteendorpels.

Deze punten zijn onverwijld opgelost, aldus [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw.

2.6.

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] betwist dat er ooit een oplevering heeft plaatsgevonden. Op 22 april 2011 heeft [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] een lijst van 15 opleveringspunten aan de heer [de heer A] van [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw overhandigd. Een overzicht van opleveringspunten per 22 april 2011 en een aanvulling hierop van 5 april 2015 heeft [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] overgelegd als productie 4 bij conclusie van antwoord. Naar aanleiding van deze lijst heeft [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw slechts een aantal herstelwerkzaamheden verricht. Nu niet is opgeleverd, is de laatste termijn niet opeisbaar, aldus [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] .

2.7.

De kantonrechter stelt voorop dat partijen het er beide over eens zijn dat op de aannemingsovereenkomst de algemene voorwaarden voor aannemingen in het bouwbedrijf 1992 (hierna: AVA 1992) van toepassing zijn.

De kantonrechter ziet zich voor de vraag gesteld of het werk is opgeleverd. In dat geval dient de 6e termijn van de aanneemsom (de opleveringstermijn) immers te worden voldaan.

[eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw stelt zich op het standpunt dat oplevering heeft plaatsgevonden op 22 april 2011. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] heeft toen een aantal opleveringspunten kenbaar gemaakt die direct zijn opgelost. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] betwist dat het werk is opgeleverd. Op 22 april 2011 heeft hij een overzicht met opleveringsgebreken aan [de heer A] van [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw overhandigd. Naar aanleiding van dit overzicht zijn slechts een aantal punten hersteld.

De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] in zijn overzicht (productie 4 bij antwoord) spreekt van ‘opleveringspunten’. Hierin is in ieder geval een aanknopingspunt te vinden voor het feit dat er rond 22 april 2011 een opneming van het werk heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 8 AVA 1992. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] een aantal opleveringspunten kenbaar heeft gemaakt en dat een aantal opleveringspunten zijn opgelost. Het is naar het oordeel van de kantonrechter onduidelijk of [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw destijds van alle opleveringspunten die in zijn overzicht staan, in kennis heeft gesteld. Dit wordt in ieder geval door [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw betwist.

2.8.

Uit de stukken leidt de kantonrechter af dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] voor het eerst opnieuw melding heeft gemaakt van opleveringspunten bij brief van 29 januari 2014. In deze brief vermeldt hij onder meer dat hij bereid is de restant aannemingssom van € 3.541,44 te betalen nadat alle gebreken en veroorzaakte schades door [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw zijn verholpen en afgewikkeld. Hij geeft verder aan dat hij op 22 april 2011 een eigen eerste overzicht met aandachtspunten aan [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw heeft overhandigd en dat hij ruim 2½ jaar tevergeefs wacht op de eindopname en oplevering van de aangenomen werkzaamheden.

Naar het oordeel van de kantonrechter wordt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] , nu niet gebleken is dat hij na het herstel van een aantal gebreken in april 2011, binnen een redelijke termijn heeft aangegeven het werk niet goed te keuren omdat niet alle opleveringspunten waren opgelost, geacht het werk stilzwijgend te hebben aanvaard. Dit leidt tot de conclusie dat het werk als opgeleverd is beschouwd. De laatste termijn ten bedrage van € 3.541,44 is derhalve opeisbaar en zal worden toegewezen.

Factuur 114.169

2.9.

Factuur 114.169 van 1 oktober 2014 ten bedrage van € 9.082,26 ziet op het meer-/minderwerk. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] heeft geprotesteerd tegen deze factuur en stelt zich op het standpunt dat de meerwerk nota € 1.878,00 excl. btw te hoog was. In productie 3 bij zijn antwoord geeft [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] aan wat er volgens hem aan de nota niet klopt. Verder stelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] zich op het standpunt dat er sprake is van rechtsverwerking.

[eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw erkent bij repliek dat in mindering op deze nota dienen te strekken de in genoemde productie 3 door [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] vermelde posten: monteren beluchting (€ 116,00), teveel uren punt 17 (€ 135,00), kolom kruipruimte (€ 180,00), Mufor (€ 90,00) en kabel kapot (€ 61,00). Zij stemt in met creditering van de factuur met € 582,00 excl. btw
(€ 704,22 incl. btw). [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw betwist dat de post Herstraten ten bedrage van € 1.296,00 op de nota in mindering moet worden gebracht. [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw is hiervoor nooit in gebreke gesteld en er is nimmer een redelijke termijn voor nakoming gesteld. Er is geen sprake van verzuim.

2.10.

De kantonrechter stelt ten aanzien van het beroep van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] op rechtsverwerking dat enkel tijdsverloop geen toereikende grond oplevert voor het aannemen van rechtsverwerking. Daartoe is vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Van deze bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken.

De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] de meerwerknota niet betwist tot een bedrag van

€ 5.628,00 excl. btw (€ 6.809,88 incl. btw). Op het totale factuurbedrag zal in mindering worden gebracht het door [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw erkende bedrag van € 582,00 excl. btw

(€ 704,22 incl. btw). [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] heeft het verweer van [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw dat zij ten aanzien van de post Herstraten niet in verzuim is, niet althans onvoldoende weerlegd. Voor aftrek van een bedrag van € 1.296,00 is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen grond aanwezig. De factuur meer-/minderwerk zal worden toegewezen tot een bedrag van

€ 8.378,04 inclusief btw.

Buitengerechtelijke kosten [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw

2.11.

[eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw vordert betaling van een bedrag van € 1.262,37 aan buitengerechtelijke incassokosten. Zij baseert deze vordering primair op artikel 17 lid 2 AVA 1992. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar, nu [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] diverse aanmaningen heeft verstuurd.

Zij zullen echter worden berekend over de toe te wijzen hoofdsom, te weten over een bedrag van € 11.919,48. Aan buitengerechtelijke incassokosten is derhalve toewijsbaar € 1.191,95.

De vordering van [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer

2.12.

[eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer legt aan haar vordering ten grondslag een drietal facturen van [X] BV ter zake bouwwerkzaamheden in en aan de woning van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] . Het betreft de facturen:

  • -

    20 juli 2010 factuurnr. 10.299 ten bedrage van € 4.591,31 inclusief btw;

  • -

    23 juli 2010 factuurnr. 10.314 ten bedrage van € 314,87 (creditfactuur);

  • -

    23 juli 2010 factuurnr. 10.318 ten bedrage van € 15.000,00 inclusief btw.

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] heeft deze facturen niet betaald.

Factuur 10.299 en 10.314

2.13.

Ten aanzien van factuur 10.299 stelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] zich op het standpunt dat deze werkzaamheden buiten de aannemingsovereenkomst vallen. Het betreft kozijnen en die zijn, zo stelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] , in zijn opdracht gemaakt door [voormalige chef timmerwerkplaats] , de voormalige chef van de timmerwerkplaats, en ook door hem betaald aan [voormalige chef timmerwerkplaats] . [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] biedt hiervan bewijs aan.

[eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer betwist niet dat de vervaardiging en plaatsing van de kozijnen buiten de originele aannemingsovereenkomst vallen. Uit haar factuur en de daarbij behorende specificatie blijkt dat de materialen aan [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] zijn geleverd en dat een werknemer van het bouwbedrijf, genaamd [B] , heeft geholpen bij het vervaardigen van de kozijnen. Daarnaast kan uit het overzicht van projectmutaties (productie 20 repliek) worden afgeleid dat na hervatting van de verbouwingswerkzaamheden per 31 augustus 2010 direct is gestart met het stellen van de kozijnen in het werk. Als de kozijnen daadwerkelijk niet waren vervaardigd door het bouwbedrijf, had [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer bovendien conform artikel 18 AVA 1992 schriftelijk moeten aanmanen, aldus [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer.

2.14.

De kantonrechter stelt vast dat [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer haar vordering heeft onderbouwd met diverse bescheiden, waaronder voornoemde specificatie van de factuur met daarop vermeld een gedetailleerd overzicht van de verschillende geleverde materialen en het aantal manuren gewerkt door werknemer [B] . Daarnaast heeft [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer een overzicht in het geding gebracht van projectmutaties waarin staat vermeld op welke dagen aan het stellen van de kozijnen is gewerkt.

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] daarentegen heeft zijn stelling dat hij voor het vervaardigen van de kozijnen zelf opdracht heeft gegeven aan een derde, en hiervoor ook heeft betaald, op geen enkele manier met bewijs gestaafd. Zijn bewijsaanbod zal de kantonrechter passeren als onvoldoende gespecificeerd.

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] betwist de creditfactuur met nummer 10.314 ten bedrage van € 314,87 pas voor het eerst bij conclusie van dupliek in conventie, terwijl hij deze betwisting niet dan wel onvoldoende onderbouwt. Aan dit verweer zal de kantonrechter dan ook voorbij gaan.

Een en ander leidt tot de conclusie dat het factuurbedrag van € 4.591,31 toewijsbaar is, onder aftrek van de creditering van € 314,87.

Factuur 10318

2.15.

Factuur 10.318 van 23 juli 2010 ten bedrage van € 15.000,00 incl. btw ziet op de eerste termijn van de aanneemsom, overeengekomen tussen [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] Bouwbedrijf en [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] . [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer stelt zich op het standpunt dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] niet heeft geprotesteerd tegen deze factuur. Daarnaast heeft [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] volgens [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer in de nieuwe aannemingsovereenkomst met [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw, tot stand gekomen op 31 augustus 2010, erkend dat hij op datum faillissement een bedrag van € 15.000,00 inclusief btw aan [X] verschuldigd was. De gefactureerde werkzaamheden zijn verricht door [X] BV, de gefailleerde aannemer, en niet opnieuw door [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw in rekening gebracht.

De kantonrechter stelt vast dat in de aannemingsovereenkomst van 31 augustus 2010 (productie 8 dagvaarding) staat vermeld dat op de (nieuwe) aanneemsom in mindering wordt gebracht het gedeelte dat door [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] aan de curator wordt betaald, vooralsnog vastgezet op € 15.000,00. Dit bedrag stemt overeen met het onderhavige factuurbedrag. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] heeft echter betwist dat hij met deze afspraak akkoord is gegaan.

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] stelt zich daarnaast op het standpunt dat er tot datum faillissement slechts gewerkt is voor € 5.924,35, en dat [X] bovendien schade heeft veroorzaakt tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, en wel voor een bedrag van € 6.187,00.

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] is van mening dat hij genoeg heeft geprotesteerd en wijst op zijn brieven aan de curator. [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer stelt vervolgens dat de schadeposten pas voor het eerst door [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] in zijn conclusie van antwoord van 11 mei 2016 zijn gepresenteerd. Deze schade is bovendien niet nader onderbouwd.

2.16.

De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] een drietal brieven heeft geschreven aan de curator van de failliete aannemer. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] heeft deze brieven overgelegd als productie 9 bij dupliek. De eerste brief dateert van 13 augustus 2010. In deze brief schrijft [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] :

“Onlangs ontvingen wij uw brief i.z. openstaande rekeningen van [X] b.v. Vooraleer wij tot betaling over zullen gaan dient eerst duidelijk gemaakt te worden hoe het verder gaat met onze verbouwing. Graag vernemen wij op korte termijn, liefst per omgaande, uw antwoord op die vraag.” Over de hoogte van de onderhavige factuur, gebreken dan wel schade, wordt niets vermeld. De volgende brief van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] dateert van
3 januari 2011. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] verwijst hierin naar zijn brief van 13 augustus 2010 en stelt dat hij hierop geen enkele reactie heeft mogen ontvangen. Verder schrijft [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] :
“Inmiddels heb ik naar eigen goeddunken de verdere afbouw door de opvolger van [X] b.v. laten uitvoeren. Het werk verkeert in een gevorderde staat doch zal eerst na afloop van de winter afgemaakt worden. In de onderhandelingen met [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw zijn een aantal zaken besproken die niet door [X] zijn afgemaakt en derhalve nog geregeld moeten worden evenals de verlaagde BTW regeling op arbeid voor het deel dat [X] b.v. heeft gefactureerd. Eveneens is vertraging opgelopen door het voorval.

Zoals ik in mijn brief van 13 augustus liet weten ben ik bereid de factuur te betalen zodra ik zekerheid heb op openstaande zaken en gevrijwaard ben van schade en kosten ten gevolgen van het faillissement.”

Ten slotte de brief van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] van 18 april 2011. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] schrijft: “Met verbazing lees ik dat u onwetend bent van mijn vorige brieven d.d. 13 augustus 2010 en 3 januari 2011.

Nimmer is door u met mij contact opgenomen hoe de zaken na het faillissement van [X] b.v. zouden worden vervolgd, hoe om te gaan met zekerheden, garanties en hiaten. Het heeft mij eveneens verbaast dat geen reacties kwamen op mijn brieven, die weer als antwoord op uw brieven zijn verzonden. Het is mij volstrekt onduidelijk waarom u wel met Failliet praat over cliënt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] en niet met gedupeerde [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] , die het blijkbaar maar uit moet zoeken. Om die reden wijs ik uw aanspraak op rente en buitengerechtelijke kosten volledig af. Ondanks het verloop ben ik bereid om in goed overleg met u, de openstaande zaken correct af te wikkelen.”

Een concreet bezwaar tegen de factuur van € 15.000,00 evenals een (concrete) melding van schadeposten ontbreekt in deze brieven. Bovendien ontkent [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer dat zij de brieven van 13 augustus 2010 en 3 januari 2011 ontvangen heeft.

Naar het oordeel van de kantonrechter is niet komen vast te staan dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer binnen een redelijke termijn na herstel van een aantal gebreken in april 2011 in kennis heeft gesteld van onopgeloste gebreken c.q. schade aan het werk. De kantonrechter verwijst hiervoor naar hetgeen zij in 2.7. en 2.8. heeft overwogen ten aanzien van de vordering van [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw. Evenmin is komen vast te staan dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] aan [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer dan wel [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw tijdig, te weten uiterlijk binnen een redelijke termijn na herstel van de gebreken in april 2011, kenbaar heeft gemaakt dat er tot datum faillissement slechts gewerkt is voor € 5.924,35. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat de onderhavige termijn van de aanneemsom ten bedrage van € 15.000,00 toewijsbaar is.

Buitengerechtelijke kosten [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer

2.17.

[eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer vordert betaling van een bedrag van € 1.924,94 aan buitengerechtelijke incassokosten. Zij baseert deze vordering primair op artikel 17 lid 2 AVA 1992. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar, nu [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer aan [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] diverse aanmaningen heeft verstuurd.

Reconventie

2.18.

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] vordert in zijn conclusie van eis in reconventie, voor zover zijn tegenvorderingen niet compensabel zijn, toewijzing van de schadepost van € 6.187,00, correctie van de meerwerkrekening en afwikkeling van de opleveringspunten.

In zijn conclusie van repliek in reconventie vermeerdert [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] zijn eis ten aanzien van de schadepost van € 6.187,00 tot € 15.616,00. Daarnaast dient bij het meerwerk een bedrag van € 5.106,10 in acht te worden genomen in plaats van € 5.924,23, een en ander ervan uitgaande dat oplevering alsnog dient plaats te vinden, aldus [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] .

Ten slotte vordert [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] vergoeding voor de te late oplevering conform artikel 7 van de AVA 1992 ten bedrage van € 20.608,00.

2.19.

De kantonrechter stelt voorop dat de correctie van de meerwerkrekening reeds is beoordeeld in overwegingen 2.14 en 2.15. De gevorderde afwikkeling van de opleveringspunten is niet toewijsbaar, nu de kantonrechter in overweging 2.13 heeft geoordeeld dat het werk reeds als opgeleverd is beschouwd. Om diezelfde reden zal ook de gevorderde vergoeding voor de te late oplevering niet worden toegewezen.

Proceskosten en nakosten

2.20.

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] zal, als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie en in reconventie. De kosten aan de zijde van [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer en [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 96,01

  • -

    griffierecht 941,00

  • -

    salaris gemachtigde 1.200,00 (2 x tarief € 400,00, 2 x ½ x € 400,00)

totaal € 2.237,01

2.21.

De in conventie gevorderde nakosten zullen worden toegewezen overeenkomstig de richtlijnen van het LOVCK en worden begroot op een half salarispunt conform het liquidatietarief proceskosten met een maximum van € 100,00 aan nakostensalaris.

3 De beslissing

De kantonrechter

In conventie

3.1.

veroordeelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw te betalen een bedrag van € 3.541,44 inclusief btw, zijnde de laatste termijn van de aanneemsom, te vermeerderen met de daarover verschuldigde contractuele rente vanaf de vervaldatum van de factuur tot aan de dag der algehele voldoening,

3.2.

veroordeelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw te betalen een bedrag van € 8.378,04 inclusief btw uit hoofde van meerwerk, te vermeerderen met de daarover verschuldigde contractuele rente vanaf de vervaldatum van de factuur tot aan de dag der algehele voldoening,

3.3.

veroordeelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer te betalen een bedrag van € 19.276,44 inclusief btw, te vermeerderen met de daarover verschuldigde contractuele rente vanaf de vervaldatum tot aan de dag der algehele voldoening,

3.4.

veroordeelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] om aan [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw te voldoen een bedrag van € 1.191,95 aan buitengerechtelijke incassokosten,

3.5.

veroordeelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] om aan [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer te voldoen een bedrag van

€ 1.924,94 aan buitengerechtelijke incassokosten,

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

In reconventie

3.7.

wijst de vorderingen af,

In conventie en in reconventie

3.8.

veroordeelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] in de proceskosten aan de zijde van [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer gevallen en tot op heden begroot op € 2.237,01, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening van het vonnis tot aan de voldoening,

3.9.

veroordeelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] onder de voorwaarde dat deze niet binnen 2 weken na aanschrijving door [eisende partij 2 in conventie, verwerende partij 2 in reconventie] Beheer en [eisende partij 1 in conventie, verwerende partij 1 in reconventie] Bouw volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening van het vonnis tot aan de voldoening,

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken.

type: em

coll: