Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:9270

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
04 5666966 cv expl 17-709
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een geldbedrag wordt van een rekening toebehorende aan de boedel onttrokken en op een externe rekening gezet. Het bedrag wordt vervolgens teruggestort onder aftrekking van de nota van de echtscheidingsadvocaat. Dit is akkoord, nu anderszins deze nota ook ten laste van de boedel zou zijn gekomen. Onvoldoende gesteld is dat de nota van de advocaat ziet op andere werkzaamheden dan die ten behoeve van de echtscheiding. Vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5666966 \ CV EXPL 17-709

Vonnis van de kantonrechter van 27 september 2017

in de zaak van:

[eisende partij] ,

wonend te [woonplaats eisende partij] ,

eisende partij,

verder te noemen [eisende partij]

gemachtigde mr. M.H.A. van Gils (ARAG SE),

tegen:

[gedaagde partij] ,

wonend [adres gedaagde partij] ,

[woonplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

verder te noemen [gedaagde partij] ,

procederende in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de beslissing waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    nadere stukken door [gedaagde partij] in het geding gebracht d.d. 23 april 2017;

  • -

    nadere stukken door [gedaagde partij] in het geding gebracht d.d. 21 augustus 2017

  • -

    de comparitie van 5 september 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij] is op 7 oktober 1961 in gemeenschap van goederen gehuwd met [X] . Bij beschikking van 22 maart 2017 is door de rechtbank Oost-Brabant de echtscheiding uitgesproken.

2.2.

[gedaagde partij] is de dochter van [eisende partij] en [X] .

2.3.

[X] is enkele jaren geleden gediagnostiseerd met de ziekte van Alzheimer.

2.4.

In het voorjaar van 2015 heeft [eisende partij] [gedaagde partij] onterfd.

2.5.

[gedaagde partij] heeft, tezamen met [X] , op 21 oktober 2016 een bezoek gebracht aan de ABN-AMRO bank in Valkenswaard en heeft een nieuwe bankrekening geopend op naam van [X] . Op verschillende data zijn bedragen van de gezamenlijke bankrekeningen van [X] en [eisende partij] op deze nieuwe rekening overgemaakt.

2.6.

Op 9 november 2016 is [X] gedwongen opgenomen in een gesloten inrichting in Eindhoven.

2.7.

Op 26 november 2016 is door [X] , onder vermelding van ‘schenking’ een bedrag van € 16.236,30 overgemaakt naar de rekening van [gedaagde partij] .

2.8.

Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 29 november 2016 is [eisende partij] benoemd tot provisioneel bewindvoerder.

2.9

[eisende partij] en [X] zijn in een echtscheiding verwikkeld geraakt.

2.10.

Op 5 december 2016 heeft [gedaagde partij] een nota van de echtscheidingsadvocaat van [X] , ad € 1.839,20 betaald.

2.11.

Bij beschikking van 24 januari 2017 heeft de rechtbank Oost-Brabant een bewind ingesteld over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [X] . Tevens heeft de rechtbank bij diezelfde beschikking een mentorschap ingesteld over [X] . Tot bewindvoerder en mentor is benoemd E.D.M. Faasen, h.o.d.n. Faasen Coaching en Bewindvoering. [eisende partij] is per deze datum ontheven van zijn taak als bewindvoerder.

2.12.

Op 19 februari 2017 heeft [gedaagde partij] een bedrag van € 14.397,10 aan de nieuwe bewindvoerder van [X] overgemaakt/teruggeboekt, zijnde voornoemd bedrag ad € 16.236,30 minus de betaling aan de advocaat van [X] .

2.13.

Op 13 april 2017 is de echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de Gemeente Renkum.

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 16.236,30, vermeerderd met rente en (na)kosten.

Ter terechtzitting van 5 september 2017 bevestigt [eisende partij] dat inmiddels enkel het bedrag gelijk aan de nota van de advocaat van [X] , € 1.839,20, niet is terugbetaald aan de boedel.

Aan zijn vordering legt [eisende partij] een onverschuldigde betaling ten grondslag. Voor de door [gedaagde partij] ontvangen betaling van € 16.236,30 bestaat geen rechtsgrond; [gedaagde partij] was niet beschikkingsbevoegd om betalingen te verrichten, noch heeft [eisende partij] ingestemd met een schenking aan [gedaagde partij] .

3.2.

[gedaagde partij] voert verweer en stelt zich op het standpunt dat zij, gelet op de verwikkelingen tussen [eisende partij] en [X] , enkel het geld van [X] veilig heeft willen stellen. Het thans nog niet terugbetaalde bedrag heeft [gedaagde partij] aangewend voor de betaling van de nota van de (echtscheidings)advocaat van [X] . Het bedrag is ten behoeve van [X] gebruikt.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen houdt verdeeld de vraag of [gedaagde partij] gehouden is het (restant) bedrag van € 1.839,20 terug te betalen aan [eisende partij] /de gezamenlijke boedel van [eisende partij] en [X] .

4.2.

Hoewel de omschrijving bij de overmaking ad € 16.236,30 van de rekening van [X] naar [gedaagde partij] luidt “schenking” heeft [gedaagde partij] verklaard dat het enkel haar bedoeling was het geldbedrag veilig te stellen ten behoeve van [gedaagde partij] . De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat het geldbedrag, ook toen het op de rekening van [gedaagde partij] stond, gewoon deel uitmaakte van de huwelijksgoederengemeenschap van [eisende partij] en [X] .

Feit is dat op het moment dat de betaling aan de advocaat van [X] verricht werd, de gelden en goederen van [X] onder provisioneel bewind stonden. Enkel [eisende partij] , als provisioneel bewindvoerder, was op dat moment gerechtigd om te beschikken over het aandeel van [X] in de gemeenschap van goederen (en uiteraard uit eigen hoofde over zijn eigen aandeel) en dus ook over het geldbedrag dat bij [gedaagde partij] was geparkeerd. De betaling door [gedaagde partij] aan de advocaat van [X] is dan ook onbevoegd gebeurd.

4.3

De vraag komt echter op of [eisende partij] wel bevoegd is te procederen over het bedrag ad € 1.839,20. Feit is immers dat het deel uitmaakte van het grotere bedrag ad € 16.236,30 dat onder het beheer van [X] was gekomen. Bovendien staat [X] onder bewind (nu met een andere bewindvoerder) en is de huwelijksgoederengemeenschap ontbonden door het inschrijven van de echtscheiding. Gelet daarop is het zeer wel voorstelbaar dat enkel de huidige bewindvoerder een dergelijke procedure tegen [gedaagde partij] zou hebben kunnen voeren. Van overname van de procedure door de bewindvoerder is echter geen sprake. Evenmin is gebleken dat de bewindvoerder achter deze procedure staat.

Uit praktische overwegingen zal de kantonrechter deze vraag echter in het midden later. Zelfs als [eisende partij] gerechtigd is tot het voeren van deze procedure geldt immers nog het volgende.

4.4.

Vast staat dat het bedrag ad € 1.839,20 aan de advocaat van [X] is betaald. [eisende partij] en [X] bevonden zich in een (aanstaande) echtscheidingsprocedure, waarmee [X] , als onweersproken gesteld, gebaat was bij juridische voorlichting/bijstand. Door betaling van de nota heeft [gedaagde partij] bovendien de voortzetting van de werkzaamheden ten behoeve van [X] in het kader van de echtscheidingsprocedure zeker gesteld.

[eisende partij] stelt weliswaar te betwijfelen of alle door de advocaat bij die bewuste nota in rekening gebrachte werkzaamheden ten behoeve van [X] , en niet (ook) ten gunste van [gedaagde partij] , zijn verricht, doch onderbouwt zijn stelling op geen enkele wijze. Dit is slechts een verder niet gemotiveerd vermoeden.

De nota van de advocaat zou dus normaliter ook ten laste van de boedel zijn gekomen en met geld uit de boedel zijn voldaan. Zou de vordering van [eisende partij] worden toegewezen, dan zou dat betekenen dat een boedelschuld ten bedrage van € 1.839,20 bij [gedaagde partij] wordt neergelegd. Daar bestaat geen reden voor. Naar het oordeel van de kantonrechter dient de vordering van [eisende partij] dan ook te worden afgewezen.

4.5.

Nu de hoofdsom wordt afgewezen is en geen plaats voor toewijzing van nevenvorderingen.

4.6.

Voor het geval [gedaagde partij] bij de overlegging van haar nadere stukken heeft bedoeld een eis in reconventie in te stellen (gemaakte kosten, geneeskundige, buitengerechtelijke en griffiekosten), overweegt de kantonrechter dat een eis in reconventie dadelijk bij het antwoord dient te worden ingesteld. Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde partij] geen eis in reconventie ingesteld, zodat deze geen nadere bespreking behoeft.

4.7.

De kantonrechter acht geen termen aanwezig [eisende partij] toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.8.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure worden de proceskosten gecompenseerd.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken.

type: ksf

coll: