Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:9152

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-09-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1913 en AWB - 17 _ 413
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk. Onderscheid moet worden gemaakt tussen termijnen van orde, zoals een hersteltermijn, en termijnen van openbare orde, zoals de bezwaartermijn. Bij het stellen van een hersteltermijn kan niet worden afgedaan aan de bij de wet voor het maken van bezwaar gestelde termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 16/1913 en AWB 17/413

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 september 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats], eiser

[eiseres] , te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, verweerder

(gemachtigden: [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4]).

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eisers uitkering ingevolge de Participatiewet (Pw) met ingang van 10 november 2015 opgeschort.

Bij besluit van 2 december 2015 (het primaire besluit 2) heeft verweerder het recht op uitkering ingevolge de Pw ingetrokken met ingang van 10 november 2015.

Bij besluit van 18 september 2016 (het primaire besluit 3) heeft verweerder de aanvraag van eisers om een uitkering ingevolge de Pw afgewezen.

Bij besluit van 18 mei 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard en tegen het primaire besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 20 januari 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit 3 ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de beroepen met zaaknummers 16/1593, 16/3137, 17/569, 17/652, 16/1845, 17/673, 16/2097, 16/2139, 16/2107 en 16/2353 plaatsgevonden op 4 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na de zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in iedere zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1 De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

2. Eisers ontvangen vanaf 9 januari 2001 een bijstandsuitkering naar de norm van gehuwden. Tussentijds heeft eiseres tijdelijk in Turkije verbleven en is de norm van eiser gewijzigd naar de norm voor een alleenstaande. Laatstelijk vanaf 1 augustus 2013 hebben eisers uitkering naar de norm van gehuwden. Eisers staan vanaf 22 november 2013 onder bewind. Per 1 juli 2015 is de woningdelersnorm van toepassing.

3. In het kader van een Themacontrole Onroerend Goed is geconstateerd dat vanaf

3 oktober 2002 op naam van eiser in Turkije onroerend goed is geregistreerd waarvan de waarde hoger is dan de vrij te laten vermogensgrens. Het betreft een tweetal woningen met een totale waarde van € 86.833,-.

4 Bij brief van 21 oktober 2015 zijn eisers uitgenodigd voor een gesprek op

10 november 2015. Daarbij is verzocht een groot aantal gegevens mee te brengen, met name over het onroerend goed in Turkije. Het recht op bijstand is tevens geblokkeerd per 1 oktober 2015 in afwachting van de resultaten van het gesprek. Het gesprek heeft plaatsgehad op

10 november 2015.

5. Naar aanleiding van dit gesprek is het primaire besluit 1 genomen en is het recht op uitkering ingevolge de Pw opgeschort vanaf 10 november 2015. Verzocht is de ontbrekende stukken uiterlijk op 25 november 2015 in te leveren op straffe van intrekking van de bijstandsuitkering. Eisers hebben op 19 november 2015 pro forma bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit 1. Tevens hebben eisers een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend op 10 november 2015. De gronden van bezwaar zijn kenbaar gemaakt op 25 november 2015.

6. Nu eisers niet alle inlichtingen (tijdig) hebben verstrekt heeft verweerder met het primaire besluit 2 de uitkering met ingang van 10 november 2015 ingetrokken. Eisers hebben op 3 december 2015 pro forma bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit 2. Bij brief van 10 december 2015 heeft verweerder eisers verzocht binnen vier weken, uiterlijk op 7 januari 2016, de gronden van bezwaar kenbaar te maken. Tevens zijn eisers erop gewezen dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien de gronden niet (tijdig) ontvangen zijn. De gronden van dit bezwaar zijn op 13 januari 2016 ingeleverd tijdens de hoorzitting inzake de opschorting. Op 18 april 2016 heeft de hoorzitting plaatsgehad inzake de intrekking van de bijstandsuitkering. Tijdens de hoorzitting van 18 april 2016 heeft eisers gemachtigde aangegeven dat hij van mening was dat hij zijn gronden kon aanvoeren tot aan de hoorzitting.

7. Eisers hebben op 3 december 2015 het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen het primaire besluit 1 ingetrokken vanwege de intrekking van het recht op bijstand. Verzocht is om een proceskostenveroordeling. Dit verzoek is op 8 januari 2016 afgewezen (AWB 15/3360).

8. Met het bestreden besluit 1 is het bezwaar tegen de het primaire besluit 1 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het primaire besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard.

9 Eisers hebben op 29 december 2015 bijstand aangevraagd. Deze aanvraag is op

26 februari 2016 buiten behandeling gesteld. Hiertegen is geen bezwaar gemaakt. Eisers hebben op 30 maart 2016 opnieuw bijstand aangevraagd. Deze aanvraag is op 23 mei 2016 afgewezen. Hiertegen is geen bezwaar gemaakt. Eisers hebben zich op 31 mei 2016 opnieuw gemeld; de aanvraag is vervolgens niet ingeleverd.

10. Op 25 juli 2016 hebben eisers zich (opnieuw) gemeld voor het aanvragen van een algemene bijstandsuitkering. De aanvraag is ontvangen op 15 augustus 2016. Eisers overleggen een Turks bankafschrift waaruit zou moeten blijken dat een of beide woningen in Turkije zijn verkocht. Op 21 juli 2016 is een bedrag van 50.000 Turkse Lira (TL)

(€ 14.000,-). bijgeschreven op de rekening van eisers.

11. Met het primaire besluit 3 heeft verweerder de aanvraag afgewezen op grond van artikel 34, derde lid, onder c van de Pw. Eisers hebben met terugwerkende kracht tot

1 oktober 2015 uitkering aangevraagd. De aanvraag per 25 juli 2016 is afgewezen omdat eisers de vermogensgrens voor gehuwden (€ 11.840,-) overschreden hebben. Op de dag van de melding op 25 juli 2016 bedroeg het vermogen € 14.842,75. Daarvan wordt € 2.093,75 niet meegeteld in verband met lopende uitgaven. Het vermogen wordt gesteld op

€ 12.749,18. Het bestaan van schulden is niet voldoende aannemelijk gemaakt. Evenmin blijkt van de schulden een verplichting tot terugbetaling. Zodoende worden de schulden niet meegenomen bij de vaststelling van het vermogen. Voorts zijn er nog onduidelijkheden:

  • -

    Het onroerend goed bekend als [woning 1] is verkocht voor 82.000 TL terwijl op het bankafschrift 50.000 TL is ontvangen. Onduidelijk is op welke wijze het resterend bedrag van 32.000 TL is ontvangen.

  • -

    Voornoemde woning is getaxeerd op € 53.500,-. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de woning ten tijde van de verkoop minder waard zou zijn.

  • -

    De andere woning is verkocht voor 13.000 TL (€ 4.635,80). Er is geen bewijs hoe dit bedrag is betaald en/of besteed.

  • -

    Voorts is de waarde van laatstgenoemde woning eerder vastgesteld op € 33.333,-. Niet aangetoond is dat dit onroerend goed een lagere taxatiewaarde heeft. Eiser heeft nog altijd het vruchtgebruik van deze woning. Hiervan zijn evenmin gegevens overgelegd.

Over de periode van 1 oktober 2015 tot en met 23 mei 2016 zijn al besluiten genomen. Eiser heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden genoemd dus de aanvraag die betrekking heeft op laatstgenoemde periode wordt eveneens afgewezen onder verwijzing naar het besluit van 23 mei 2016.

Nu er verder geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd wordt de aanvraag over de periode van 24 mei 2016 tot en met 25 juli 2016 eveneens afgewezen.

12. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Het primaire besluit wordt gehandhaafd onder aanpassing van de motivering. Nu eisers met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2015 bijstand hebben aangevraagd heeft verweerder de periode opgesplitst in een vijftal tijdvakken.

  • -

    1 oktober 2015 tot en met 2 december 2015; hierover heeft al besluitvorming plaatsgevonden. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd waarom hiervan zou moeten worden teruggekomen.

  • -

    3 december 2015 tot en met 3 maart 2016 en 24 mei 2016 tot en met 24 juli 2016; volgens vaste rechtspraak wordt in beginsel geen bijstand verleend met terugwerkende kracht. Van bijzondere omstandigheden om van dit uitgangspunt af te wijken is niet gebleken.

  • -

    4 maart 2016 tot en met 23 mei 2016; over deze periode heeft al besluitvorming plaatsgevonden. Er zijn geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd op grond waarvan op het eerdere besluit van 23 mei 2016 zou moeten worden teruggekomen.

  • -

    Ten aanzien van het tijdvak van 25 juli 2016 (datum melding) tot en met 8 september 2016 dienen eisers aannemelijk te maken dat er gewijzigde omstandigheden zijn. Volgens vaste rechtspraak geldt dat na intrekking van een bijstandsuitkering het op de weg van de aanvrager ligt om aan te tonen dat zich na de intrekking een relevante wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan, in die zin dat inmiddels wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. De overdracht van het onroerend goed in Izmir is weliswaar een gewijzigde omstandigheid maar deze wijziging leidt er niet toe dat er nu wel is voldaan aan de vereisten om in aanmerking te komen voor bijstand. Primair wordt de aanvraag afgewezen wegens de aanwezigheid van vermogen boven de vermogensgrens. Subsidiair wordt de afwijzing gebaseerd op de overweging dat het recht op bijstand niet is vast te stellen omdat onvoldoende informatie is verstrekt.

13. De rechtbank stelt allereerst vast dat eisers hun beroep voor zover dat betrekking heeft op de opschorting van de uitkering per 10 november 2015 ter zitting hebben ingetrokken. De rechtbank zal op de ten aanzien van deze beslissing ingediende gronden verder niet meer ingaan.

De intrekking (het primaire besluit 2)

14. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, moet een bezwaarschrift de gronden van het bezwaar bevatten.

15. Ingevolge artikel 6:6 van de Awb, voor zover hier van belang, kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 Awb en de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

16. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers niet ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet de gronden van het bezwaar bevat en eisers dit verzuim niet binnen de door verweerder gestelde termijn hebben hersteld. De gronden van het bezwaar zijn op 13 januari 2016 ontvangen.

17. In geschil is of het bezwaar van eisers terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

18. Eisers stellen in beroep dat de door verweerder gestelde termijn geen termijn betreft van openbare orde. Het bezwaarschrift dient ontvankelijk te zijn.

19. In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat er een termijn is gegeven om het verzuim te herstellen. Dat de gemachtigde van eisers niet tijdig heeft gereageerd moet voor rekening en risico van eisers worden gelaten. Verweerder is in beginsel bevoegd om het bezwaar met toepassing van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk te verklaren en verweerder meent in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik te hebben gemaakt.

20. De rechtbank overweegt dat verweerder conform het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb aan eisers bij brief van 10 december 2015 de gelegenheid heeft gegeven om uiterlijk op 7 januari 2016 de gronden van het bezwaarschrift in te dienen. Daarbij is erop gewezen dat verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk kan verklaren indien dit verzuim niet tijdig wordt hersteld. Niet betwist wordt dat de gronden na afloop van deze termijn, doch binnen de bezwaartermijn zijn ingediend. Nu eisers in hun beroepschrift het rechtskarakter van de hersteltermijn aan de orde stellen, dient de rechtbank deze beroepsgrond in dat licht te beoordelen.

21. De rechtbank stelt voorop dat artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorop stelt dat een bezwaarschrift de gronden van het bezwaar dient te bevatten. In de rechtspraktijk is het gebruik ontstaan bezwaar te maken door middel van een zogenaamd pro forma-bezwaarschrift, waarna het bestuursorgaan met toepassing van artikel 6:6 van de Awb een hersteltermijn biedt. Artikel 6:6 van de Awb bepaalt daartoe dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet voldaan is aan (onder andere) artikel 6:5, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. In de parlementaire geschiedenis bij de artikelen 6:5 en 6:6 is hierover opgemerkt dat het gebruik maken van de bevoegdheid een bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren moet passen binnen de sleutel van een goede procesorde. Daartoe stelt de wetgever dat het bestuursorgaan enerzijds een hersteltermijn dient te bieden die redelijk is, waarbinnen de bezwaarmaker het verzuim kan herstellen, en anderzijds dat het slechts tot niet-ontvankelijkheid mag beslissen indien een termijn voor het herstel van het verzuim is gesteld en deze termijn ongebruikt is verstreken.

In een vergelijkbare zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 20 juni 2006 geoordeeld dat bij het stellen van een hersteltermijn niet kan worden afgedaan aan de bij wet voor het instellen van - in die zaak - beroep gestelde termijn (ECLI:NL:RVS:2006:AX9552). In die zaak had de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover de rechtbank kan overzien, is er geen verdere jurisprudentie over deze problematiek. De rechtbank zal de door de Afdeling bestuursrecht aangegeven lijn volgen. De rechtbank overweegt daartoe dat de in de Awb gestelde termijnen bedoeld zijn te waarborgen dat binnen een redelijke termijn een bestuursrechtelijk geschil kan worden beslecht. Daartoe kan onderscheid worden gemaakt tussen termijnen van orde, zoals de hersteltermijn, en termijnen van openbare orde, zoals de bezwaartermijn. Deze laatste categorie voorziet erin dat in beginsel na afloop van die termijn het geschil van rechtswege eindigt; een na die termijn ingediend bezwaarschrift is daarom in beginsel niet-ontvankelijk. Een hersteltermijn heeft niet deze verstrekkende consequentie. Reden waarom het bestreden besluit op dit onderdeel geen stand kan houden.

Nu het geschil in bezwaar zich uitsluitend heeft beperkt tot de beoordeling van de ontvankelijkheid, zal verweerder alsnog een besluit op het ingediende bezwaarschrift dienen te nemen (vgl. CRvB van 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2721).

22. Gelet op de omstandigheid dat het maken van bezwaar geen schorsende werking heeft ten aanzien van het primaire besluit waartegen het bezwaar is gericht, in dit geval de intrekking van de aan eisers toekomende uitkering, ziet de rechtbank geen beletsel het geschil ten aanzien van de in de tijd gezien op de intrekking volgende aanvraag te beoordelen.

De nieuwe aanvraag van 15 augustus 2016 (17/413)

23. Eisers voeren in beroep aan dat de te beoordelen periode loopt van 24 mei 2016 tot en met 8 september 2016. Eisers stellen dat zij de woning, bekend als [woning 1] verkocht hebben voor 82.000 TL. Zij hebben 50.000 TL giraal ontvangen en het restant contant ontvangen. Eisers hebben deze woning zo snel mogelijk te gelde gemaakt omdat zij al vanaf 1 oktober 2015 zonder inkomen zitten zodat zij in hun primaire levensbehoeften kunnen voorzien. Verder hebben eisers hun schulden terugbetaald. Zij menen dat zij hun schulden voldoende kenbaar hebben gemaakt. Voorts hebben eisers de andere woning eveneens verkocht. Zij hebben deze woning laten taxeren op 39.000 TL op

28 september 2016. Een afschrift van de taxatie wordt overgelegd. Beide woningen behoorden toe aan de vader van eiser die zonder medeweten van eiser de woning op zijn naam heeft gezet. De vader heeft een vrijwaring overgelegd. Het verschil in vermogen komt neer op € 909,18. Verweerder dient daarbij in ogenschouw te nemen dat eisers per oktober 2015 verstoten zijn van inkomsten. Het bedrag dat boven het vrij te laten vermogen valt is door eisers opgesoupeerd.

24. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder bij het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag van eisers op goede gronden heeft gehandhaafd. Volgens vaste rechtspraak bestrijkt de door de rechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om algemene bijstand in beginsel de periode vanaf de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd tot en met de datum van het primaire besluit. In dit geval loopt de te beoordelen periode dus van 1 oktober 2015 tot en met 8 september 2016. Van belang is dat, omdat het geschil ziet op een beslissing op een aanvraag om bijstand, de bewijslast rust op de aanvrager. Deze moet aannemelijk maken dat hij in de beoordelingsperiode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en dat hij aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan.

25. De rechtbank stelt vast dat, gelet op de gronden van beroep, enkel in geding is of de aanvraag per datum melding 25 juli 2016 terecht afgewezen is.

26. Artikel 31, eerste lid, eerste zin, van de Participatiewet bepaalt dat tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

Artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a van de Participatiewet bepaalt dat onder vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering.

Het tweede lid, aanhef en onder b, bepaalt dat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid.

Op grond van het derde lid, aanhef en onder c bedroeg de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens voor gehuwden per 1 januari 2016 € 11.840,-.

27. De rechtbank stelt vast dat de overdracht van het onroerend goed in Izmir een gewijzigde omstandigheid is. Zodoende wordt de aanvraag inhoudelijk door verweerder beoordeeld. De rechtbank stelt voorts vast dat onbetwist is dat eisers beschikten over een vermogen van € 12.749,18 inclusief de vrijstellingsnorm. Hiermee is de vermogensgrens overschreden. Op een aan eisers toebehorende bankrekening is op 21 juli 2016 een bedrag van 50.000 TL ontvangen met als toelichting “NIL EREN KÖMEK [perceelnr.]”. Tevens is er een verkoopbewijs van voornoemde woning van 82.000 TL waarop staat dat het onroerend goed stond op naam van de dochter van eisers en is overgedragen op de dochter van [S.]. Voorts is onbestreden dat eisers 32.0000 TL contant hebben ontvangen. Onduidelijk blijft wanneer het onroerend goed op naam van eiser is gekomen.

28. Met betrekking tot de door eisers gestelde schulden wordt als volgt overwogen. Eisers hebben bij hun aanvraag om bijstand aangegeven dat er een schuld is van € 38.000,- en € 1.500,- aan een zus en € 1.000,- aan een dochter en schoonvader en voor eten € 300,-. Het ligt dan op de weg van eisers om aannemelijk te maken dat verweerder destijds bij de vermogensvaststelling ten onrechte geen rekening heeft gehouden met bepaalde schulden. Eisers zijn hierin niet geslaagd. Van een bij de aanvraag al bestaande schuld is uit de overgelegde stukken niet gebleken. Ook de overige genoemde schulden hebben eisers niet aannemelijk gemaakt. De overgelegde verklaring van [C.] waarin staat dat € 1.000,- geleend is aan eisers, de verklaring van [E.] (eisers zus) die hem € 1.000,- heeft geleend en de verklaring van [K.] (schoonbroer van eiser) dat hij € 25.000,- heeft geleend aan eiser is onvoldoende nu onduidelijk is wanneer dit geld geleend is en of er een terugbetalingsverplichting is. Deze schulden hoeven dan ook niet in aanmerking te worden genomen bij de vraag of sprake is van overschrijding van de vermogensgrens in de te beoordelen periode.

29. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eisers konden beschikken over een vermogen boven het voor hun geldende vrij te laten vermogen en is de aanvraag terecht afgewezen. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet meer toe aan toetsing van het subsidiaire standpunt van verweerder.

30. Nu het beroep ten aanzien van het bestreden besluit 1, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de Pw-uitkering, gegrond wordt verklaard, dient verweerder het griffierecht te vergoeden.

31. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op € 990,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 495,- met wegingsfactor 1). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de Pw-uitkering, gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit 1, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de Pw-uitkering;

- draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 990,- (wegens kosten van rechtsbijstand), te betalen aan eisers;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen (voorzitter), en mr. E.P.J. Rutten en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr.mr. T.M. Horsten-Kuijpers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 22 september 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.