Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:9068

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
6030530 AZ VERZ 17-108
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst primair op de d-grond, subsidiair op de h-grond.

De kantonrechter is van oordeel dat werknemer niet, althans onvoldoende, gewezen is op de gestelde tekortkomingen in zijn functioneren. Bovendien is ook geen verbetertraject met werknemer gevoerd. Derhalve is er geen voldragen d-grond. Ter onderbouwing van de h-grond heeft de werkgever op dezelfde feiten en omstandigheden gewezen. De kantonrechter oordeelt dat de h-grond niet bedoeld is om andere, onvoldragen, gronden te repareren. Het ontbindingsverzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1165

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6030530 \ AZ VERZ 17-108

Beschikking van de kantonrechter van 19 september 2017

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BREDOX B.V.,

gevestigd te Weert,

verzoekende partij in het verzoek, verwerende partij in het (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek,

gemachtigde mr. A.L. van den Bergh,

tegen:

[verwerende partij] ,

wonend [adres verwerende partij] ,

[woonplaats verwerende partij] ,

verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek,

gemachtigde mr. M.C. Waterink.

Partijen zullen hierna Bredox en [verwerende partij] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 1 juni 2017 ter griffie ontvangen verzoekschrift

- het verweerschrift, tevens houdende een (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek

- de namens Bredox overgelegde aanvullende producties

- de namens [verwerende partij] overgelegde aanvullende producties

- de mondelinge behandeling d.d. 29 augustus 2017

- de pleitnota’s van de gemachtigden van partijen.

1.2.

Daarna is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verwerende partij] , geboren op [geboortedag verwerende partij] 1958 is op 1 juli 2006 bij (de rechtsvoorganger van) Bredox in dienst getreden. Voor zijn werkzaamheden ontving [verwerende partij] laatstelijk een loon van € 9.736,85 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten.

2.2.

Bredox is een onderneming die zich bezig houdt met het leveren, verpakken, verwerken en samenstellen van chemische producten.

2.3.

Tussen Bredox en [verwerende partij] is in medio januari 2017 gesproken over beëindiging van het dienstverband.

3 Het geschil

3.1.

Bredox verzoekt de tussen haar en [verwerende partij] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel d en h Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

3.2.

[verwerende partij] heeft verweer gevoerd. Bij wijze van tegenverzoek heeft [verwerende partij] verzocht om voorwaardelijk, indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden:
i. bij het bepalen van de datum waarop de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, rekening te houden met een opzegtermijn van drie maanden zonder aftrek van de periode die gelegen is tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de datum van dagtekening van de ontbindingsbeschikking;

ii. bij het bepalen van de datum waarop de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden rekening te houden met het vereiste dat uitsluitend tegen de laatste dag van de maand kan worden opgezegd;

iii. voor recht te verklaren dat Bredox de wettelijke transitievergoeding is verschuldigd, te weten € 112.724,61 bruto;

iv. Bredox te veroordelen om aan [verwerende partij] voornoemde transitievergoeding te betalen;

v. Bredox te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding aan [verwerende partij] op grond van artikel 7:671b lid 8 sub c BW ter hoogte van € 134,600,00 bruto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen billijke vergoeding.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt allereerst vast dat niet is gebleken dat het onderhavige verzoek verband houdt met een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670, leden 1 tot en met 4 en 10 van het BW, of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. Derhalve komt de kantonrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

4.2.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW in verbinding met artikel 7:671b lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [verwerende partij] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

4.3.

Bredox verzoekt primair ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel d BW. Met betrekking tot deze grond geldt:


a) dat sprake moet zijn van ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid, welke ongeschiktheid niet voortvloeit uit ziekte of gebreken van de werknemer en waarbij de werkgever de werknemer tijdig in kennis heeft gesteld van diens disfunctioneren; en
b) dat de werknemer in voldoende mate in de gelegenheid moet zijn gesteld zijn functioneren te verbeteren; en
c) dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie, niet mogelijk is of niet in de rede ligt.

4.4.

Bredox heeft het volgende aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd.

[verwerende partij] was als ‘Hoofd Technische dienst en Netwerkbeheerder’, verantwoordelijk voor onder andere gebouwbeheer, onderhoud van machines en het uitvoeren van nieuwbouwprojecten. Bovendien stuurde hij ook het team onderhoud aan. Tot slot was [verwerende partij] ook belast met netwerkbeheer. Uit een achttal incidenten – zoals beschreven in het verzoekschrift en nader toegelicht tijdens de mondelinge behandeling – trekt Bredox de conclusie dat [verwerende partij] niet (langer) geschikt is voor zijn functie als Hoofd Technische Dienst en Netwerkbeheerder. Deze incidenten hadden onder andere betrekking op het onderhoud van stellages in de fabriek, het beschrijven van de processen van de diverse machines, het adequaat voorbereiden van besprekingen met investeerders alsmede het vervaardigen van een afloopput. [verwerende partij] is door Bredox meermaals gewezen op zijn disfunctioneren en tevens is hem een begeleidingstraject aangeboden om zijn functioneren te verbeteren. Dit heeft niet tot het door Bredox gewenste resultaat geleid.

4.5.

[verwerende partij] heeft de stellingen van Bredox bestreden. In de eerste plaats was hij geen Hoofd Technische Dienst en Netwerkbeheerder maar Directeur Technische Dienst. Daarnaast heeft [verwerende partij] de door Bredox gestelde incidenten betwist althans zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van disfunctioneren aan zijn zijde. Tot slot heeft [verwerende partij] betwist dat met hem is gesproken over zijn vermeende disfunctioneren en heeft hij gesteld dat hem geen verbeteringstraject is aangeboden.

4.6.

De kantonrechter stelt bij de onderhavige beoordeling allereerst voorop dat in het midden kan blijven of [verwerende partij] in dienst was als Hoofd Technische Dienst en Netwerkbeheerder of als Directeur Technische Dienst. Vast staat immers dat hij onder meer verantwoordelijk was voor het onderhoud van de machines, de oudbouw en nieuwbouw.
Ook zal de kantonrechter in het midden laten of [verwerende partij] daadwerkelijk ongeschikt is voor de uitoefening van zijn functie. De kantonrechter is namelijk van oordeel dat Bredox niet heeft voldaan aan het vereiste om [verwerende partij] tijdig en op duidelijke wijze van het gestelde disfunctioneren in kennis te stellen en hem in voldoende mate de gelegenheid te bieden zijn functioneren te verbeteren. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

4.6.1.

Een werknemer dient, zoals gezegd, tijdig in kennis te worden gesteld van het feit dat een werkgever niet tevreden is over diens functioneren. In het onderhavige geval is de kantonrechter onvoldoende gebleken dat er op duidelijke wijze kritiek is geuit op het functioneren van [verwerende partij] . Door Bredox is in dit verband gesteld dat [verwerende partij] meermaals binnen het managementteam en het productieoverleg is gewezen op zijn functioneren, maar die stelling is slechts onderbouwd met achteraf opgestelde verklaringen. Dat er geen notulen zijn gemaakt van die besprekingen omdat Bredox een klein bedrijf betreft en men op informele wijze met elkaar omgaat, mag echter in dit verband niet voor rekening van [verwerende partij] komen. Ook van een klein bedrijf mag worden verwacht dat zij aan verslaglegging doet, zeker als het gaat om vermeend disfunctioneren van een medewerker.

4.6.2.

Bredox stelt dat haar directeur, [directeur Bredox] (hierna: [directeur Bredox] ), [verwerende partij] meermaals heeft gewezen op zijn functioneren. Bredox wordt hier slechts ten dele in gevolgd. Uit de door Bredox overgelegde verslagen, onder meer het verslag van het gesprek van 6 maart 2015, blijkt dat [verwerende partij] erop wordt gewezen dat hij het nieuwe werken, waar structuur en veiligheid basiscomponenten zijn, volgens [directeur Bredox] niet aankan. Dit is door [verwerende partij] betwist. Het door [directeur Bredox] gedane voorstel om een extra functionaris aan het team van [verwerende partij] toe te voegen, is door [verwerende partij] dan ook niet akkoord bevonden en hieraan zijn door Bredox geen verdere consequenties verbonden. Uit de overige namens Bredox overgelegde documenten, blijkt dat Bredox niet altijd tevreden is over het functioneren van [verwerende partij] maar daar blijkt nog niet uit dat Bredox [verwerende partij] ook daadwerkelijk aanspreekt op zijn functioneren en hem duidelijk kenbaar maakt welke aspecten van zijn functioneren verbetering behoeven.

4.6.3.

Bovendien geldt in het geval een werknemer naar het oordeel van zijn werkgever onvoldoende functioneert, dat de werknemer in de gelegenheid moet worden gesteld zijn gestelde functioneren te verbeteren. Aldus dient een verbetertraject te worden gestart, waarin tot uitdrukking wordt gebracht welk functioneren verbetering behoeft. Daarbij dienen realistische doelstellingen te worden beschreven alsmede een redelijke termijn aan de werknemer te worden gegund om die doelstellingen – en daarmee de verbetering in zijn functioneren – te kunnen bereiken. Daarbij dient een werkgever haar werknemer te begeleiden dan wel (externe) ondersteuning aan te bieden.

4.6.4.

In het onderhavige geval is de kantonrechter niet gebleken van enig verbetertraject in vorenbedoelde zin. Niet blijkt dat er een verbetertraject is opgestart waarin is aangegeven op welke punten [verwerende partij] zijn functioneren dient te verbeteren, doelen zijn opgesteld of aanwijzingen zijn gegeven hoe [verwerende partij] de door Bredox gewenste verbetering kan bereiken. De door [directeur Bredox] gedane suggestie tijdens een bespreking op 6 maart 2015 kan in ieder geval niet als zodanig worden opgevat. Aan [verwerende partij] wordt immers de optie aangeboden om een extra kracht aan zijn team toe te voegen ter ondersteuning. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter niet (direct) gericht op verbetering van het functioneren van [verwerende partij] . Voor zover Bredox erop heeft gewezen dat [de heer X] van de firma [firma A] is ingehuurd voor persoonlijke en technische begeleiding van projecten overweegt de kantonrechter dat tussen partijen vast staat dat dit bureau sinds 2006 tot en met 2016 voor projecten is ingehuurd. Weliswaar zagen die werkzaamheden op ondersteuning van [verwerende partij] in zijn werkzaamheden, maar dit had geen betrekking op zijn vermeende disfunctioneren. Derhalve kan dit ook niet worden aangemerkt als een maatregel ter verbetering van het functioneren van [verwerende partij] . Dit geldt eveneens voor het inhuren van dhr. [de heer Y] . Door zowel Bredox als [verwerende partij] is te kennen gegeven dat [de heer Y] was aangetrokken voor het uitvoeren van een Risico Inventarisatie & Evaluatie (RI&E). Dit heeft geen betrekking op het (verbeteren van het) functioneren van [verwerende partij] gehad, zodat ook dit niet kan worden aangemerkt als deel uitmakende van een verbeteringstraject. Ook ten aanzien van het bedrijf [bedrijf B] heeft [verwerende partij] gesteld dat die inhuur niets van doen had met zijn functioneren, maar dat vaker gebruik werkt gemaakt van hun expertise met betrekking tot (detail)engineering. Dit is door Bredox niet betwist. Bovendien geldt ten aanzien van al deze door Bredox gestelde verbeteringsacties dat niet is aangegeven op welke wijze dit [verwerende partij] dient te ondersteunen om zijn functioneren structureel te verbeteren alsmede binnen welk tijdsbestek dit gerealiseerd dient te worden.

4.6.5.

Kort en goed kan de kantonrechter niet anders dan de conclusie trekken dat, zo er al sprake is van disfunctioneren van [verwerende partij] , Bredox heeft nagelaten om [verwerende partij] in voldoende mate in de gelegenheid te stellen zijn functioneren te verbeteren.

Dit betekent dat van een voldragen d-grond geen sprake is.

4.7.

Subsidiair heeft Bredox aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er sprake is van andere omstandigheden die zodanig zijn dat van haar niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, zoals bedoeld in artikel 7:699 lid 3 onderdeel h, BW. Bredox heeft aan dit verzoek eveneens ten grondslag gelegd het vermeende disfunctioneren van [verwerende partij] en stelt dat daar een verschil van inzicht in is gelegen als gevolg waarvan een voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet van haar kan worden gevergd. De kantonrechter volgt Bredox hier niet in. De kantonrechter is met Bredox weliswaar van oordeel dat er sprake is van verschil van inzicht, maar dit verschil heeft betrekking op het gegeven dat [verwerende partij] meent dat hij wél geschikt is voor de bedongen arbeid, terwijl Bredox meent dat dit niet zo is. De ‘h-grond’ waar Bredox zich op beroept dient blijkens de parlementaire geschiedenis niet als ‘reparatiegrond’, in die zin dat deze niet dient te worden gebruikt voor het repareren van het op de (bovengenoemde) overige gronden onvoldoende onderbouwde ontslag. Onder deze h-grond kunnen niet verschillende andere gronden worden ondergebracht, die op zich onvoldoende ‘redelijke grond’ opleveren, maar dat samengeteld wel kunnen (Handelingen I 2013/14, 33818, 32, p. 10).
Derhalve kan ook deze grondslag niet tot toewijzing van het verzoek leiden.

4.8.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de door Bredox naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen redelijke grond opleveren voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het verzoek van Bredox zal dan ook worden afgewezen.

4.9.

Nu niet is voldaan aan de voorwaarde waaronder [verwerende partij] zijn zelfstandig verzoek heeft ingediend, behoeft dit verzoek geen nadere bespreking meer.

4.10.

Bredox zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [verwerende partij] worden tot op heden begroot op
€ 400,00 (2,0 punt x € 200,00 tarief) voor salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst het verzoek af,

5.2.

veroordeelt Bredox in de proceskosten, aan de zijde van [verwerende partij] tot op heden begroot op € 400,00,

5.3.

verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenvergoeding uitvoerbaar bij voorraad,

Deze beschikking is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken door mr. A.H.M.J.F. Piëtte.

type: SM

coll: