Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:8809

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-09-2017
Datum publicatie
12-09-2017
Zaaknummer
03/700582-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling, belaging, mishandeling en het negeren van een gedragsaanwijzing. Discussie over toerekenbaarheid. Bijzondere overwegingen ten aanzien van de op te leggen straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700582-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 september 2017

in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

thans gedetineerd in het penitentiair psychiatrisch centrum te Vught.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. F.W. Oehlen, advocaat kantoorhoudende te Beek.

Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de openbare terechtzitting van 28 augustus 2017. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn ter terechtzitting verschenen. De officier van justitie en

de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: zijn vader ( [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, dan wel heeft geprobeerd om zijn vader zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel zijn vader heeft mishandeld.

Feit 2: zijn vader heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling.

Feit 3: zijn vader heeft mishandeld.

Feit 4: meermalen heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing van de officier van justitie.

Feit 5: stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn vader en/of zijn moeder ( [slachtoffer 2] ).

Feit 6: zijn vader heeft mishandeld.

Feit 7: een schutting heeft vernield.

De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle aan de verdachte ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden.

Met betrekking tot feit 1 heeft de officier van justitie geconcludeerd dat het handelen van de verdachte, gelet op de aard en ernst van het letsel van aangever, kan worden gekwalificeerd als zware mishandeling.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van de onder 1, 2, 3, 4 en 7 ten laste gelegde feiten. Wat betreft de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank 1

Feit 1

Op 9 december 2016 heeft [slachtoffer 1] , de vader van de verdachte en woonachtig aan de [adres 1] te Kerkrade, verklaard dat de verdachte op 9 december 2016, omstreeks 11.10 uur, bij hem voor de deur stond. Vader was op dat moment alleen thuis. Hij wilde voorkomen dat de verdachte de woning binnen kwam en liep naar de voordeur, met de bedoeling deze op slot te doen. Vader duwde echter per ongeluk de klink van de deur naar beneden, waardoor de deur een beetje open ging. Hij voelde dat de deur direct daarop met kracht werd opengeduwd. Hij probeerde nog om de deur weer dicht te duwen, maar dat lukte niet. De verdachte liep de hal van de woning binnen en zei tegen vader: “Zo, en nu ga ik de regels maken en nu wil ik praten met jullie”. Vader probeerde te vluchten, maar de verdachte hield hem tegen. Hij pakte vader met kracht vast en trok hem door de hal van de woning. Vader raakte daarbij meerdere keren met zijn lichaam de muren van de hal, waardoor diverse rekken met spullen op de grond vielen. Vader heeft verklaard dat de verdachte vervolgens zijn bril afpakte en deze op een rek in de hal legde. Hierna stak de verdachte met kracht zijn wijsvinger en zijn middelvinger in de ogen van vader. De verdachte hield zijn vingers daarbij in een soort V-vorm. Vader kon een vinger van de verdachte afweren. De andere vinger duwde de verdachte met kracht in het linkeroog van zijn vader. Dit deed enorm veel pijn, volgens vader. Hij voelde dat zijn oog naar binnen werd gedrukt en dat de verdachte met zijn vinger heen en weer bewoog in zijn oog. Op enig moment voelde vader dat de huid onder zijn linkeroog scheurde. Hij voelde een ondraaglijke pijn aan zijn oog en zag dat zijn oog begon te bloeden.2

Het lukte aangever uiteindelijk om de woning te verlaten. Aangever is vervolgens gevlucht naar de woning van een van zijn buren en heeft daar de politie gebeld.

Uit het dossier blijkt dat de politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , omstreeks 11.05 uur, arriveerden bij de woning van aangever. De verbalisanten zagen dat vader uit de woning

van een van de buren kwam en naar hen toe liep. Hij was geëmotioneerd en zei tegen

de verbalisanten dat de verdachte zijn woning was binnengedrongen en hem vervolgens had mishandeld. De verdachte zou hem onder meer met twee vingers in het oog hebben geduwd.

De verbalisanten zagen dat vader een bloedende wond onder zijn linkeroog had.

Vader heeft de twee verbalisanten vervolgens de sleutels van zijn woning gegeven en hen verzocht om de verdachte uit zijn woning te verwijderen. De verbalisanten waren daarop de woning van aangever binnen gegaan. Zij zagen dat in de hal kapotte huisraad op

de vloer lag. De verdachte bevond zich in de keuken van de woning en werd aangehouden.

Op 9 december 2016 is vader op de polikliniek van het UMC Maastricht onderzocht door

M.F. Cornelissen (AIOS oogheelkunde) en dr. W.D. Ramdas (oogarts). De bevindingen van dit onderzoek zijn weergegeven in een verslag van 9 december 2016. Uit dit verslag blijkt dat hij een huidlaceratie had onder zijn linkeroog, welke was gehecht met acht hechtingen. Ook werd bij hem een hoornvliesbeschadiging geconstateerd.3

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaart dat hij op 9 december 2016 naar de woning van zijn vader is gegaan, omdat hij met hem wilde praten. In de hal van de woning was een worsteling ontstaan. Tijdens deze worsteling had verdachte de bril van het hoofd van zijn vader gepakt en deze weggelegd.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij opzettelijk een vinger in het oog van zijn vader heeft gedrukt. Verdachte heeft verklaard dat in de hal van de woning een worsteling

is ontstaan. Deze worsteling heeft zich verplaatst naar de woonkamer. Toen de verdachte in de woonkamer stond wilde vader een glas naar hem gooien. De verdachte heeft naar zijn zeggen deze klap afgeweerd door vader bij zijn hoofd te pakken en weg te duwen. Daarbij was volgens de verdachte waarschijnlijk het letsel aan het oog ontstaan.

De rechtbank hecht geen geloof aan de hiervoor weergegeven verklaring die de verdachte voor het eerst ter terechtzitting heeft afgelegd. De rechtbank overweegt daartoe op de eerste plaats dat het niet aannemelijk is dat het letsel dat vader heeft opgelopen tijdens het gevecht met verdachte, is veroorzaakt door een enkele duw in het gezicht. Daarvoor is het letsel te specifiek en valt het – zonder nadere toelichting die ontbreekt – niet te rijmen met een duw.

Voorts is het opmerkelijk dat in de woonkamer geen sporen zijn aangetroffen die duiden op

een gevecht tussen aangever en de verdachte. Wel in de hal van de woning. Dit bevestigt de verklaring van vader dat het gevecht, waarbij het letsel is veroorzaakt, in de hal heeft plaatsgevonden.

Ten slotte valt op dat de verklaring van vader over de geweldshandelingen die de verdachte heeft verricht zeer gedetailleerd zijn. Het letsel dat bij vader is vastgesteld past bovendien bij deze handelingen. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van vader. Op grond van deze verklaring – in samenhang bezien met de overige gebezigde bewijsmiddelen – kan worden bewezen dat de verdachte op

9 december 2016 opzettelijk en met kracht een vinger in het oog van zijn vader heeft gestoken, waardoor hij pijn heeft ondervonden en letsel heeft opgelopen.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe het handelen van de verdachte

moet worden gekwalificeerd.

De rechtbank is van oordeel dat het (oog)letsel dat vader heeft opgelopen als gevolg van

de mishandeling door de verdachte, niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank merkt daarbij op dat niet is gebleken – zoals de officier van justitie ter zitting

heeft aangevoerd – dat aangever een blijvend en ontsierend litteken heeft overgehouden of zal overhouden aan de mishandeling dan wel blijvend letsel aan het oog. Het dossier bevat op dit punt geen informatie. Daarom zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.

De rechtbank acht wel bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder

1 subsidiair ten laste gelegde feit (te weten: poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel). Door met kracht een vinger in een oog van vader te steken, op de wijze zoals door vader is beschreven, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat vader zwaar lichamelijk letsel (blijvende oogschade) zou oplopen. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte kan voorts worden afgeleid dat de verdachte deze aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.

De feiten 2 en 3

De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder

2 en 3 ten laste gelegde bedreiging en mishandeling van aangever [slachtoffer 1] .

De rechtbank stelt vast dat in het dossier geen ander bewijs voorhanden is naast de verklaring van vader. De verhorende politieambtenaar heeft weliswaar gezien dat vader lichte schaafwonden had op zijn arm, maar uit het dossier blijkt niet dat dit letsel is veroorzaakt door de verdachte, ook al omdat op diezelfde dag in de hal van de woning van vader een gevecht heeft plaatsgevonden tussen vader en de verdachte. Het letsel aan de linkerarm van vader kan ook tijdens dat gevecht zijn ontstaan.

Nu de verdachte ontkent dat hij de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en naast de verklaring van vader geen ander bewijs voorhanden is, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Feit 4

De bewijsmiddelen

Op 1 november 2016 is aan de verdachte, krachtens het bepaalde in artikel 509hh van het Wetboek van Strafvordering, een gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast

in persoon uitgereikt.4

Deze gedragsaanwijzing – gegeven door de officier van justitie te Maastricht – was geldig van 1 november 2016 tot en met 1 februari 2017 en hield in dat de verdachte:

- zich op geen enkele wijze mocht ophouden op de [adres 1] , de [adres 2] ,

de [adres 3] , de [adres 4] en de [adres 5] te Kerkrade;

- zich diende te onthouden van contact met [slachtoffer 2] , geboren op

[geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] en [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] te

[geboorteplaats 1] .5

Op 7 november 2016 heeft [slachtoffer 1] (vader) – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:6

Op 1 november 2016 werd aan mijn zoon [verdachte] (de verdachte) een straat- en contactverbod uitgereikt. Helaas overtreedt mijn zoon [verdachte] de verboden.

Op 2 november 2016 was mijn vrouw thuis. Omstreeks 11.34 uur verscheen [verdachte] aan de

poort van onze woning.

Op 3 november 2016 was mijn vrouw thuis. Omstreeks 11.03 uur verscheen [verdachte] wederom aan de poort van onze woning.

Op 4 november 2016, omstreeks 11.45 uur, parkeerde ik mijn auto voor onze woning. Mijn vrouw was op dat moment in de woning. Toen ik naar de voordeur liep, hoorde ik iemand roepen: “Je bent een loser, jij gaat voor alles naar de politie.” Ik herkende de stem. [verdachte] had dat geroepen. Ik zag [verdachte] ongeveer 25 meter verderop staan bij de splitsing van de [adres 3] . Omstreeks 12.15 uur werd op ons vast toestel thuis gebeld. Mijn vrouw heeft toen opgepakt. Ik was ook thuis, maar ik heb het telefoontje niet meegekregen. Mijn vrouw heeft mij nadien verteld dat [verdachte] aan de telefoon was.

Op 6 november 2016, omstreeks 13.25 uur, was onze dochter [naam dochter] thuis. [naam dochter] heeft ons nadien verteld dat [verdachte] drie keer aan de deur was geweest. Twee keer had hij achter bij de tuinpoort aangebeld en een keer bij de voordeur. [naam dochter] had de deur niet geopend. Omstreeks 18.15 uur waren mijn vrouw en ik weer thuis. [naam dochter] was ook thuis. Op een gegeven ogenblik werd er bij de tuinpoort twee keer aangebeld. Kort daarna werd er bij de voordeur twee keer aangebeld. Wij zagen dat [verdachte] voor de woning stond. Wij hebben de deur niet geopend. Omstreeks 21.50 uur werd weer bij de tuinpoort aangebeld. Mijn vrouw, [naam dochter] en ik waren toen thuis. Wij hebben wederom niet gereageerd. Vervolgens werd er aan de voordeur aangebeld. Wij zagen dat [verdachte] weer bij de voordeur stond. Mijn vrouw is toen naar boven gegaan en heeft een raam aan de voorzijde van de woning geopend. Mijn vrouw heeft tegen [verdachte] gezegd: “ [verdachte] jij doet ons terroriseren”. Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Dan moet ik dat zeven dagen 24 uur jullie lastigvallen”. Ik heb het gesprek overgenomen en tegen [verdachte] gezegd dat hij naar huis moest gaan en dat hij een straatverbod had. [verdachte] is even later weggegaan. Omstreeks 22.55 uur werd er op ons thuisnummer gebeld. Mijn vrouw en ik waren thuis. Mijn vrouw heeft opgepakt en toen bleek [verdachte] aan de lijn te zijn;

Op 7 november 2016, omstreeks 11.10 uur, was ik samen met mijn vrouw thuis. Ik was net binnen. Er werd vervolgens drie keer achter elkaar bij de voordeur aangebeld. Wij zagen dat [verdachte] voor de deur stond.

[verdachte] houdt zich niet aan de afspraken die met hem zijn gemaakt. Hij zou ons met rust laten. Wij hebben [verdachte] niet opgezocht noch op een andere wijze contact met hem gezocht.

Op 7 november 2016 is ook [slachtoffer 2] (moeder van verdachte [verdachte] en de vrouw van [slachtoffer 1] ) door de politie gehoord. Zij heeft tijdens dit verhoor – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:7

[verdachte] heeft sinds 1 november 2016 een straat- en contactverbod. Hij mag geen contact opnemen met mij en de rest van de familie. Ik woon samen met mijn man en dochter op het adres [adres 1] te Kerkrade.

Op 2 november 2016, omstreeks 11.34 uur, stond [verdachte] aan de tuindeur/poort gelegen aan de [adres 2] en belde aan. Ik ben de tuin ingelopen en vroeg aan [verdachte] wat hij wilde. Hij wilde met mij praten. Ik heb dit afgewimpeld. Hij is toen direct weer weggelopen.

Op 3 november 2016, omstreeks 11.03 uur, verscheen [verdachte] wederom aan de tuinpoort en hij belde weer aan. Ik liep de tuin in en zag hem staan. Hij zei tegen mij: “Ik heb niet meer, maar jullie moeten verhuizen”. Vervolgens liep hij weer weg.

Op 3 november 2016, omstreeks 1.35 uur, verscheen [verdachte] weer aan dezelfde poort en hij wilde weer met mij praten. Ik heb hem laten staan. Na een tijdje is hij weggelopen.

Op 4 november 2016, omstreeks 11.45 uur, was ik thuis. Ik hoorde dat [verdachte] voorbij de woning liep. Hij liep op dat moment op de [adres 3] , in de buurt van onze woning. Ik hoorde dat hij schreeuwde: “We moesten steeds vreemde geloven en vooral de politie”.

Op 4 november 2016, omstreeks 12.15 uur, werd er gebeld op de huistelefoon. Ik nam de telefoon op en hoorde dat [verdachte] aan de lijn was. Hij wilde wederom met mij praten. Ik heb hem duidelijk gemaakt dat ik dat niet wilde.

Op 6 november 2016, omstreeks 13.25 uur, verscheen [verdachte] weer aan de tuinpoort en belde hij enkele keren. Ik was zelf niet thuis, maar mijn dochter [naam dochter] was wel thuis. Zij ging niet naar buiten. Vervolgens is [verdachte] naar de voorkant van onze woning gelopen en heeft hij aangebeld bij de voordeur.

Op 6 november 2016, omstreeks 18.15 uur, verscheen [verdachte] wederom aan de tuinpoort en belde aan. Mijn man en ik waren op dat moment thuis. Ik reageerde niet. [verdachte] is toen naar de voordeur van onze woning gelopen en heeft daar aangebeld.

Op 6 november 2016, omstreeks 21.50 uur, verscheen [verdachte] wederom aan de tuinpoort en belde aan. Daarna liep hij weer naar de voordeur en belde aan. Ik opende het slaapkamerraam aan de voorzijde van onze woning en sprak [verdachte] aan. Ik zei tegen hem dat hij een straatverbod en een contactverbod had. Ik zei tevens tegen hem dat hij ons met rust moest laten.

Op 6 november 2016, omstreeks 22.55 uur, werd er op de huistelefoon gebeld. Ik nam op en ik hoorde dat [verdachte] aan de lijn was. Hij wilde met mij praten.

Op 7 november 2016, omstreeks 11.10 uur, stond [verdachte] aan de voordeur en belde aan. Mijn man en ik waren thuis. We hebben de deur niet geopend. Omstreeks 16.30 uur belde [verdachte] weer op de huistelefoon. Mijn man nam de telefoon op en sprak [verdachte] toe. Omstreeks 16.50 uur belde [verdachte] wederom op de huistelefoon. Hij wilde mij spreken.

Overwegingen van de rechtbank

De verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij niet op de hoogte was van de gedragsaanwijzing. De raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat die verklaring van de verdachte geloofwaardig is, aangezien uit het dossier niet blijkt dat de gedragsaanwijzing aan de verdachte is uitgereikt.

De rechtbank overweegt op de eerste plaats dat het verweer van de raadsvrouw feitelijke grondslag mist. In het dossier bevindt zich immers een akte van uitreiking waaruit blijkt dat

de gedragsaanwijzing op 1 november 2016 te Heerlen door een politieagent aan de verdachte is uitgereikt. De rechtbank hecht dan ook geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij niet op de hoogte was van de gedragsaanwijzing. Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] blijkt bovendien dat ook zij de verdachte er nogmaals op gewezen hebben dat hij een contactverbod en een locatieverbod had. Ook na die mededeling heeft de verdachte nog contact gezocht met zijn ouders. De rechtbank leidt daaruit af dat de verdachte zich niets heeft aangetrokken van de gedragsaanwijzing en dus het contact- en locatieverbod opzettelijk heeft overtreden. Het onder 4 ten laste gelegde feit kan dan ook worden bewezen.

De feiten 5 en 6

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten, op de wijze zoals hierna onder punt 3.4 is omschreven. De rechtbank baseert haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 5:

- het proces-verbaal van klacht van [slachtoffer 1] ,8

- het proces-verbaal van klacht van [slachtoffer 2] ,9

- het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 1] ,10

- het proces-verbaal van verhoor van de getuige [slachtoffer 2] ,11

- het proces-verbaal van bevindingen,12 en

- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

Ten aanzien van feit 6:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] ,13 en

- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

Feit 7

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het onder 7 ten laste gelegde feit, omdat het dossier geen steunbewijs bevat voor de verklaring van aangever [slachtoffer 1] , inhoudende dat de verdachte opzettelijk tegen de schutting heeft getrapt en deze daardoor onbruikbaar heeft gemaakt.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1. subsidiair)

op 9 december 2016 in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] , zijnde zijn, verdachtes, vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met

dat opzet genoemde [slachtoffer 1] met een vinger in een oog heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

in de periode van 2 november 2016 tot en met 7 november 2016 in de gemeente Kerkrade opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 1 november 2016 gegeven door de officier van justitie te Maastricht, immers heeft verdachte opzettelijk in strijd met die gedragsaanwijzing

- zich meermalen bevonden in onder meer het gebied [adres 1] te Kerkrade, [adres 2] te Kerkrade en [adres 3] te Kerkrade en

- meermalen contact gehad met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] en [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] te [geboorteplaats 2] ;

5.

in de periode van 5 tot en met 30 oktober 2016 in de gemeente Kerkrade, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , met het oogmerk die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, door

- meerdere keren aan de voordeur en achterdeur en poort van de woning gelegen aan de [adres 1] te staan en

- meerdere keren bij de woning gelegen aan de [adres 1] aan te bellen en

- meerdere keren bij de woning gelegen aan de [adres 1] te schreeuwen en

- meerdere keren genoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te bellen;

6.

op 5 oktober 2016 in de gemeente Kerkrade [slachtoffer 1] , zijnde zijn, verdachtes, vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, heeft mishandeld door genoemde [slachtoffer 1] te slaan en te duwen;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling ten aanzien van zijn vader tot wie de schuldige in een familierechtelijke betrekking staat;

Feit 4: opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering, meermalen gepleegd.

Feit 5: belaging.

Feit 6: mishandeling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte

Psychiater drs. P.C.A. van der Graaff en GZ-psycholoog N. van der Weegen hebben elk een rapport uitgebracht over de geestvermogens van de verdachte.

In het rapport van de psychiater, gedateerd 17 maart 2017, leest de rechtbank onder andere het volgende.

Bij de verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van een autisme spectrum stoornis en van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een lichte verstandelijke beperking. Daarnaast is de verdachte psychotisch kwetsbaar en kan hij onder druk paranoïde wanen ontwikkelen. Tijdens het tenlastegelegde was eveneens sprake van de hiervoor benoemde stoornissen en deze hebben invloed gehad op de gedragskeuzes van de verdachte.

De verdachte was boos op zijn ouders en verontwaardigd over het contactverbod, wat hij als onrechtvaardig beschouwde. De verdachte was het er niet mee eens en vanuit die mening had hij er geen moeite mee om ondanks het verbod toch naar het huis van zijn ouders te gaan. Hij had niets meer, zat naar eigen zeggen “aan de grond” en wilde een gesprek afdwingen. Hierbij werd zijn handelen volledig bepaald vanuit zijn rigide denkpatronen en eveneens vanuit zijn verstandelijke beperking met een gebrekkige impulscontrole.

De psychiater heeft, gelet op het vorenstaande, geadviseerd om het tenlastegelegde – indien bewezen – in het geheel niet aan de betrokkene toe te rekenen.

In het rapport van de psycholoog, gedateerd 20 maart 2017, leest de rechtbank onder andere het volgende.

De verdachte lijdt aan een verstandelijke ontwikkelingsstoornis en een schizofreniespectrum stoornis of een andere psychotische stoornis. Of sprake is van een persoonlijkheidsstoornis kan, gezien de aanwezigheid van de psychotische stoornis en de verstandelijke beperking

niet met voldoende zekerheid uitgesloten of bevestigd worden.

Ten tijde van het ten laste gelegde was eveneens sprake van de psychotische stoornis en de verstandelijke ontwikkelingsstoornis en deze twee stoornissen hebben invloed gehad op de gedragskeuzes van de verdachte.

Een aantal van de tenlastegelegde feiten lijken te zijn veroorzaakt door waanideeën. De verdachte geeft herhaaldelijk aan zijn ouders vaak opgezocht te hebben en gebeld te hebben “om ze iets duidelijk te maken” ofwel om met hen te praten. De verdachte kan of wil echter, ondanks veel doorvragen, niet vertellen wat hij duidelijk wilde maken. Dit zou erop kunnen wijzen dat hetgeen de verdachte met zijn ouders wil bespreken, samenhangt met een waan.

Dit kan echter niet met zekerheid gezegd worden.

Omdat geen goed zicht is verkregen op hetgeen de verdachte bewoog tot het plegen van de

ten laste gelegde feiten, kan de psycholoog geen uitspraak doen over de mate waarin het ten laste gelegde aan de verdachte toegerekend zou kunnen worden. De psycholoog schat in dat het handelen van verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten in sterke mate door zijn stoornissen bepaald werd. Mogelijk was zelfs sprake van volledige ontoerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting de psycholoog en de psychiater

als deskundige gehoord.

De psychiater handhaaft zijn bevindingen en conclusies, zoals hij in zijn rapport heeft verwoord.

Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat het rigide denkpatroon van de verdachte veroorzaakt wordt door de autisme spectrum stoornis. Bij de verdachte is, vanwege zijn verstandelijke beperking, sprake van een gebrekkige impulscontrole. Als de druk te hoog wordt, dan neemt de achterdocht bij de verdachte toe en kan hij (paranoïde) wanen ontwikkelen. De verdachte vertoont niet continue psychotische belevingen, maar hij blijft vanwege zijn stoornissen wel kwetsbaar daarvoor.

De psycholoog heeft ter terechtzitting verklaard dat zij het eens is met de psychiater dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde last had van psychotische belevingen (wanen), maar volgens de psycholoog kan niet worden gesteld dat die psychotische belevingen het gevolg zijn van een autisme spectrum stoornis. De psycholoog heeft voorts verklaard dat

zij, vanwege het zeer beperkte onderzoek dat zij heeft verricht, geen duidelijke diagnose

heeft kunnen stellen. Er zal nog nader diagnostisch onderzoek moeten plaatsvinden om

te kunnen vaststellen wat er precies met de verdachte aan de hand is.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de rapporten van de gedragsdeskundigen en hetgeen zij ter terechtzitting hebben verklaard, kan worden vastgesteld dat bij de verdachte

ten tijde van het ten laste gelegde (oktober, november en december 2016) sprake was van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. De psycholoog en de psychiater verschillen echter van mening over de aard van de stoornis en de mate waarin de stoornis van de verdachte van invloed is geweest op zijn gedrag ten tijde van het ten laste gelegde.

De psychiater concludeert dat bij de verdachte sprake is van een autisme spectrum stoornis.

De psycholoog kan zich niet vinden in die conclusie van de psychiater en stelt dat, op grond van het onderzoek dat zij heeft verricht, in elk geval niet kan worden gesteld dat de psychotische belevingen van de verdachte zijn veroorzaakt door een autisme spectrum stoornis. Omdat volgens de psycholoog niet met zekerheid kan worden vastgesteld wat de

aard van de stoornis is, kan zij geen duidelijke uitspraak doen over de mate waarin de ten

laste gelegde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

De rechtbank kan zich in dit geval niet verenigen met de conclusie van de psychiater dat de

ten laste gelegde feiten in het geheel niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Daarbij betrekt de rechtbank dat de psychiater slechts zeer beperkt onderzoek heeft verricht

en zijn bevindingen en conclusies op belangrijke onderdelen – zoals de aard van de ziekelijke stoornis – in strijd zijn met de bevindingen en conclusies van de psycholoog, die wat meer onderzoek, zij het nog steeds beperkt, kon verrichten. Wel staat naar het oordeel van de rechtbank vast dát de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten lijdende was aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en dat die stoornis ook in enige mate van invloed is geweest op zijn gedragskeuzes waardoor de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Slotsom

De verdachte is echter wel strafbaar, nu niet is gebleken van (een) omstandigheid(en) die zijn strafbaarheid in het geheel uitsluit(en).

De straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging en gevorderd dat de verdachte ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht wordt geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van maximaal één jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte het niet eens is met de conclusies van de psycholoog en de psychiater. De verdachte verzoekt de rechtbank dan ook om deze rapporten naast zich neer te leggen en hem, in geval van een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, te veroordelen tot een voorwaardelijke taakstraf.

Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de bewezenverklaarde feiten de verdachte, wegens een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, niet kunnen worden toegerekend. De verdachte moet daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat in dat geval, gelet op de problematiek van de verdachte, een plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis het meest aangewezen is, nu

de nadruk vooral moet liggen op de behandeling van de verdachte en dus niet zozeer op de beveiliging van de maatschappij.

Oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling is volgens de raadsvrouw, gelet op

de ernst van de feiten die bewezen kunnen worden en het – tot op heden – blanco strafblad

van de verdachte, een brug te ver.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen

is verklaard, op de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten zijn begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten, te weten: poging tot zware mishandeling van zijn vader, belaging, mishandeling van zijn vader en het negeren van een gedragsaanwijzing. Dit zijn ernstige strafbare feiten, vooral omdat zij zich richten tegen voornamelijk vader maar ook – zij het wat minder – de moeder. De verdachte heeft gedurende een langere periode zijn ouders stelselmatig lastiggevallen en daarmee een inbreuk gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer. De verdachte wist dat contact, in welke vorm dan ook, niet op prijs werd gesteld én – naderhand – verboden was. Hij heeft zich daar echter niets aan gelegen laten liggen. Hij heeft zijn ouders telkens weer op verschillende manieren benaderd, zelfs nadat de officier van justitie hem een contact- en straatverbod had opgelegd.

De verdachte heeft onder andere contact gezocht met zijn ouders door bij hun woning langs

te gaan. Tijdens twee van die bezoeken is de situatie geëscaleerd en is het gekomen tot een confrontatie tussen verdachte en zijn vader, waarbij verdachte zijn vader heeft mishandeld. De mishandelingen hebben plaatsgevonden in c.q. nabij de woning van het slachtoffer. Dit werkt strafverzwarend, omdat de eigen woning bij uitstek een plek is waar men zich veilig moet kunnen voelen. De vader van de verdachte heeft bij een van de twee mishandelingen bovendien behoorlijk letsel opgelopen.

Uit de ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het gedrag van de verdachte grote impact heeft gehad op het leven van zijn ouders.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld welke straf of maatregel een passende reactie

is op het handelen van de verdachte. Bij die afweging speelt ook de persoon van verdachte een belangrijke rol.

Uit de rapporten van de gedragsdeskundigen blijkt dat de verdachte een ziekelijk stoornis heeft en dat de kans op herhaling groot is indien hij niet voor die stoornis wordt behandeld. Hoewel de deskundigen het niet eens zijn over welke stoornis verdachte precies heeft, staat in ieder geval wel vast dat een langdurige behandeling in een gespecialiseerde kliniek noodzakelijk is. De verdachte heeft geen ziektebesef en is dus ook niet gemotiveerd om mee te werken aan een behandeling. Behandeling binnen een vrijwillig kader lijkt nauwelijks kans van slagen te hebben.

De gedragsdeskundigen en de reclassering hebben de rechtbank in overweging gegeven om de verdachte, in het geval de rechtbank oordeelt dat de bewezenverklaarde feiten - vanwege een ziekelijke stoornis - in het geheel niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend, op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht op te laten nemen in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van maximaal een jaar.

De enige andere haalbare manier om de verdachte – in een strafrechtelijk kader – te laten behandelen, is volgens de gedragsdeskundigen oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging.

De rechtbank is, zoals zij hiervoor in paragraaf 5 al heeft overwogen, van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten, zij het in verminderde mate, aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Daarmee vervalt de mogelijkheid om de verdachte op grond van artikel 37

van het Wetboek van Strafrecht, te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis. Een van de voorwaarden in de wet voor oplegging van deze maatregel is namelijk dat de bewezenverklaarde feiten, vanwege een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens

of een ziekelijke stoornis, in het geheel niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

De rechtbank is – net als de officier van justitie en de raadsvrouw van de verdachte – van oordeel dat oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging nu een brug te ver

is. De rechtbank laat daarbij in belangrijke mate meewegen dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en dat tot op heden geen pogingen zijn ondernomen om verdachte op een andere, minder ingrijpende, manier (bijvoorbeeld door

een gedwongen BOPZ-plaatsing in een kliniek) te behandelen.

Nu plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis niet tot de mogelijkheden behoort en de rechtbank oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging in dit geval disproportioneel acht, rest de rechtbank geen andere mogelijkheid dan aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen. Een andersoortige strafmodaliteit, zoals een taakstraf, acht de rechtbank, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, niet aan de orde.

Aangezien een (langdurige) klinische behandeling van de verdachte aangewezen is en de kans op herhaling groot is indien de stoornis van de verdachte onbehandeld blijft, ligt het voor de hand om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, teneinde deze behandeling mogelijk te maken en daarmee de kans op recidive terug te dringen. De rechtbank ziet zich echter voor het probleem gesteld dat zij geen informatie heeft over de plaatsingsmogelijkheden van de verdachte in een voor hem geschikte kliniek. Daarom ligt het op de weg van de officier van justitie – indien zij het oordeel van de rechtbank deelt – te bezien of zij in het kader van de Wet BOPZ een verzoek indient tot het verlenen van een machtiging voor het toepassen van een dwangmaatregel. Binnen de BOPZ zijn er immers ook geschikte mogelijkheden om de verdachte, buiten het strafvorderlijke circuit, te behandelen voor zijn problematiek.

De rechtbank zal, gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de hoogte van die straf heeft de rechtbank gelet op de straffen die door rechtbanken en gerechtshoven doorgaans in min of meer vergelijkbare gevallen worden opgelegd.

De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf van 10 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht.

De rechtbank begrijpt dat dit voor de ouders een moeilijk te verteren beslissing is. De rechtbank kan niet anders dan zich aan de wet houden en de mogelijkheden die de strafwet

in dit geval biedt zijn beperkt. Het ligt nu op de weg van de verschillende instanties om de mogelijkheden binnen de Geestelijke Gezondheidszorg, waaronder de wet BOPZ, ten volle te benutten, juist daar waar de strafwet op zijn eigen grenzen stuit.

De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 57, 184a, 285b, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van de onder 1 primair, 2, 3 en 7 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder punt 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder punt 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf van 10 maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M.W. Nuijts, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en

mr. J.S. Holthuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Romme, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 september 2017.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 9 december 2016 in de gemeente Kerkrade aan [slachtoffer 1] , zijnde

zijn, verdachtes, vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door genoemde Hendriks met een vinger in een oog te steken;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 9 december 2016 in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] , zijnde zijn, verdachtes, vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet genoemde [slachtoffer 1] met een vinger in een oog heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 9 december 2016 in de gemeente Kerkrade [slachtoffer 1] , zijnde zijn, verdachtes, vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, heeft mishandeld door genoemde [slachtoffer 1] met een vinger in een oog te steken;

2.

hij op of omstreeks 9 december 2016 in de gemeente Kerkrade [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Als je probeert weg te komen dan maak ik je af" en/of "Jij blijft nu zitten en je kijkt niet naar buiten

anders maak ik je af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 9 december 2016 in de gemeente Kerkrade [slachtoffer 1] , zijnde zijn, verdachtes, vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, heeft mishandeld door de arm van genoemde [slachtoffer 1] tussen de deur en de deurpost te drukken;

4.

hij in of omstreeks de periode van 2 november 2016 tot en met 7 november 2016 in de gemeente Kerkrade opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 1 november 2016 gegeven door de officier van justitie te Maastricht, immers heeft verdachte opzettelijk in strijd met die gedragsaanwijzing

- zich meermalen, althans eenmaal, bevonden in het gebied [adres 1] te Kerkrade, [adres 2] te Kerkrade, [adres 3] te Kerkrade, [adres 4] te Kerkrade

en de [adres 5] te Kerkrade en/of

- meermalen, althans eenmaal, contact gehad althans gezocht met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] en/of [slachtoffer 1] , geboren

op [geboortedatum 3] te [geboorteplaats 2] ;

5.

hij in of omstreeks de periode van 5 tot en met 30 oktober 2016 in de gemeente Kerkrade, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de

persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door

- meerdere keren aan de voordeur en/of achterdeur en/of poort van de woning gelegen aan

de [adres 1] te staan en/of

- meerdere keren bij de woning gelegen aan de [adres 1] aan te bellen en/of

- meerdere keren bij de woning gelegen aan de [adres 1] te schreeuwen en/of te roepen en/of

- meerdere keren genoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] te bellen;

6.

hij op of omstreeks 5 oktober 2016 in de gemeente Kerkrade [slachtoffer 1] , zijnde zijn, verdachtes, vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, heeft mishandeld door genoemde [slachtoffer 1] te slaan en/of te duwen;

7.

hij op of omstreeks 3 oktober 2016, in de gemeente Kerkrade, opzettelijk en wederrechtelijk een schutting, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt gedoeld op paginanummers uit: - het proces-verbaal van de politie, Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300/2016191732, gesloten d.d. 9 november 2016, doorgenummerd van pagina’s 1 t/m 70 (hierna: zaakdossier 1); - het proces-verbaal van de politie, Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300/2016183262, gesloten d.d. 29 oktober 2016, doorgenummerd van pagina’s 1 t/m 47 (hierna: zaakdossier 2); - het proces-verbaal van de politie, Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300/2016221857, gesloten d.d. 3 januari 2017, doorgenummerd van pagina’s 1 t/m 38 (hierna: zaakdossier 3); - het proces-verbaal van de politie, Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300/2016191732, gesloten d.d. 9 november 2016, doorgenummerd van pagina’s 1 t/m 30 (hierna: zaakdossier 4);

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pag. 6 en 7 (zaakdossier 3).

3 Het medisch verslag van drs. M.F. Cornelissen (AIOS oogheelkunde) en dr. W.D. Ramdas (oogarts) d.d. 9 december 2016, pag. 10 (zaakdossier 3).

4 De gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast ex artikel 509hh van het Wetboek van Strafrecht, gegeven door de officier van justitie te Maastricht op 1 november 2016, pag. 67 t/m 69 (zaakdossier 1), alsmede de akte van uitreiking van de gedragsaanwijzing, als bijlage gevoegd bij zaakdossier 1.

5 De gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast ex artikel 509hh van het Wetboek van Strafrecht, gegeven door de officier van justitie te Maastricht op 1 november 2016, pag. 67 t/m 69 (zaakdossier 1)

6 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 1] , pag. 10 t/m 12 (zaakdossier 4)

7 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [slachtoffer 2] , pag. 13 t/m 15 (zaakdossier 4).

8 Het proces-verbaal van klacht van [slachtoffer 1] , pag. 28 t/m 30 (zaakdossier 1).

9 Het proces-verbaal van klacht van [slachtoffer 2] , pag. 33 en 34 (zaakdossier 1).

10 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 1] , pag. 31 en 32 (zaakdossier 1).

11 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [slachtoffer 2] , pag. 35 en 36 (zaakdossier 1).

12 Het proces-verbaal van bevindingen, pag. 40 t/m 42 (zaakdossier 1).

13 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pag. 5 en 6 (zaakdossier 1).