Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:8808

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3955
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft in afwijking van het verleende voorschot de kinderopvangtoeslag op 2014 definitief vastgesteld op basis van 70% van de gewerkte uren. De rechtbank is van oordeel dat omstandigheden van dit geval tot de conclusie leiden dat er sprake is van een situatie die maakt dat strikte toepassing van de wettelijke bepaling waarop het bestreden besluit is gebaseerd zozeer in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel dat die toepassing geen rechtsplicht meer kan zijn. Daartoe is in aanmerking genomen dat eiseres is afgegaan op door de Belastingdienst, zij het vanuit een onbevoegd onderdeel, verstrekte onjuiste informatie over de vanaf 2012 geldende regels en dat over de jaren 2012 en 2013 definitief kinderopvangtoeslag is toegekend op basis van 140% van de door eiseres gewerkte uren, zelfs nadat in 2013 een controle had plaatsgevonden van de verstrekte gegevens. Ook heeft de rechtbank doen wegen dat, als achteraf blijkt dat een tegemoetkoming tot een hoog bedrag is vastgesteld, dat niet betekent dat de betalingen aan de gastouder geheel of gedeeltelijk als onverschuldigd zijn te beschouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 16/3955

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 september 2017 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

en

de Belastingdienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. van de Griendt),

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder (onder meer) de kinderopvangtoeslag over 2014 definitief vastgesteld.

Bij besluit van 14 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij het primaire besluit heeft verweerder - voor zover voor deze zaak van belang - de kinderopvangtoeslag van eiseres over 2014 definitief vastgesteld op € 11.638,--. Voorts is in dat besluit vermeld dat eiseres te veel voorschot heeft ontvangen en dat daarom

€ 11.295,-- van haar wordt teruggevorderd.

2. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij aangevoerd dat zij alleenstaande ouder van twee kinderen is en dat zij als werknemer van een beveiligingsbedrijf nacht- en weekenddiensten draait. Zij heeft zich erop beroepen dat

bij haar de verwachting is gewekt dat zij, evenals in voorgaande jaren, in aanmerking zou komen voor toepassing van een uitzonderingsregeling, inhoudende dat de kinderopvangtoeslag wordt gebaseerd op 140% van de feitelijke werkuren. Zij heeft daartoe gewezen op informatie die door een medewerker van de Belastingdienst Limburg desgevraagd over haar aanspraken is verstrekt aan het betrokken gastouderbureau. Naar aanleiding van een inspectiebezoek aan dat bureau heeft bedoelde medewerker namelijk per e-mail meegedeeld dat in de situatie dat een werknemer nachtdiensten draait en de kinderen slapen bij de gastouder op grond van de regeling, zoals die luidt vanaf 2012, uitgegaan kan worden van 140% van de uren bij tegenwoordige arbeid. Eiseres heeft daarbij bewijsstukken overgelegd betreffende een totaal aan opvangkosten van € 24.548,16 in 2014.

3. In het bestreden besluit, als toegelicht in het verweerschrift, heeft verweerder overwogen dat vanaf 2012 in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen een relatie wordt gelegd tussen het aantal gewerkte uren en het aantal uren waarvoor een tegemoetkoming wordt gevraagd. Ter uitwerking daarvan is sinds 1 januari 2012 het aantal uren dat voor een tegemoetkoming in aanmerking komt voor ieder kind wat betreft dagopvang niet meer dan 140%, en wat betreft buitenschoolse opvang niet meer dan 70%, van de gewerkte uren van de ouder die in het desbetreffende jaar de minste uren heeft gewerkt. Voor het jaar 2014 is dat geregeld in artikel 8a van het Besluit kinderopvang. Verweerder heeft daarom de toeslag gebaseerd op 70% van het (onbestreden) aantal door eiseres in 2014 gewerkte uren. Volgens verweerder biedt de regeling geen ruimte om daarvan van te wijken voor het geval dat werkzaamheden in de nacht of weekend worden verricht. Verweerder is verder van opvatting dat eiseres zich niet met vrucht kan beroepen op het vertrouwensbeginsel, nu de informatie waarop zij zich beroept is gegeven door een ambtenaar van de Belastingdienst, team ZZP, en niet door een daartoe bevoegd functionaris van de Belastingdienst/Toeslagen. Op het feit dat over de jaren 2012 en 2013 wel de door haar aangevraagde kindertoeslag volledig is toegekend kan eiseres zich volgens verweerder evenmin met succes beroepen, nu achteraf moet worden geconstateerd dat die toekenning in strijd was met artikel 8a, eerste lid, van het voor die jaren geldende Besluit kinderopvangtoeslag en verweerder zich niet gehouden acht om de toeslag over 2014 eveneens te hoog vast te stellen.

4. De beroepsgronden liggen in de lijn van hetgeen eiseres in bezwaar heeft aangevoerd. Eiseres heeft nog benadrukt dat alle uren waarover zij voorschot heeft gekregen daadwerkelijk zijn gebruikt voor kinderopvang en dat over al die uren aan de gastouders een vergoeding is betaald. Zij stelt dat zij, als haar te kennen was gegeven dat zij geen recht meer had op een vergoeding op basis van 140% van de gewerkte uren, een andere oplossing had kunnen zoeken dan wel haar werkzaamheden had kunnen beëindigen. Pas in 2016 is haar duidelijk geworden dat de toeslag in haar geval maximaal 70% van de gewerkte uren mocht bedragen en heeft zij het aantal uren kinderopvang daaraan, mede door een veranderde leefsituatie, aangepast. Te meer acht zij zich onredelijk benadeeld omdat over de jaren 2015 en 2016 besluiten van gelijke strekking met dezelfde financiële consequenties te verwachten zijn. Ten slotte heeft zij erop gewezen dat zij te minder reden had om aan de juistheid van de haar door de Belastingdienst verstrekte informatie te twijfelen, nu in 2013 een controle heeft plaatsgevonden van de gedeclareerde uren en dit geen aanleiding is geweest om van haar aanvraag af te wijken.

5. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van het volgende wettelijk kader.

Artikel 1.7, derde lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen luidt als volgt: Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de redelijke verhouding tussen het aantal uren dat de ouder en zijn partner arbeid verrichten, gebruik maken van een voorziening die gericht is op arbeidsinschakeling, of scholing, een opleiding of cursus volgen, alsmede de in verband daarmee benodigde reistijd, en het aantal uren kinderopvang waarvoor kinderopvangtoeslag kan worden aangevraagd.

Artikel 8a, eerste lid, aanhef en onder b ten eerste en ten tweede, van het Besluit kinderopvangtoeslag luiden als volgt: Het aantal uren kinderopvang dat voor kinderopvangtoeslag in aanmerking komt, bedraagt voor ieder kind niet meer dan

1e. 140 procent van het aantal gewerkte uren, waarbij reistijd niet wordt aangemerkt als gewerkte uren, voor dagopvang en gastouderopvang aan een kind in de leeftijd, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, gezamenlijk;

2e. 70 procent van het aantal gewerkte uren, waarbij reistijd niet wordt aangemerkt als gewerkte uren, voor buitenschoolse opvang en gastouderopvang aan een kind in de leeftijd, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, gezamenlijk.

Artikel 26 van de Awir luidt als volgt: Indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

6. Bij de beoordeling van de beroepsgronden van eiseres stelt de rechtbank voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat verweerder op zichzelf correct toepassing heeft gegeven aan artikel 8a, eerste lid, onder b, van het Besluit kinderopvang. Bovendien heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3120, geoordeeld dat de regelgever de wettelijke bepaling betreffende de maximering van het aantal te vergoeden uren kinderopvang in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. De rechtbank ziet dan ook in het betoog van eiseres, voor zover daarvan de strekking is dat het onredelijk is dat de uren van kinderopvang in de avond en nacht niet volledig vergoed worden, geen reden om genoemde bepaling van het Besluit kinderopvang in algemene zin buiten toepassing te laten. De rechtbank stelt voorts vast dat uit artikel 26 van de Awir volgt dat, indien de definitieve vaststelling van de toeslag in rechte stand houdt, verweerder verplicht is om het te veel betaalde voorschot terug te vorderen.

7. Voor zover eiseres betoogt dat zij niet op de hoogte was van de wetswijziging per

1 januari 2012, is de rechtbank van oordeel dat daarop niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden gebaseerd dat zij nadien nog aanspraak kon maken op vergoeding tot een maximum van 140% van de gewerkte uren. De Afdeling heeft herhaaldelijk geoordeeld dat het aan de aanvrager van kinderopvangtoeslag is om te voldoen aan alle aan de toeslag verbonden voorwaarden en dat het op diens weg ligt om zich te informeren over de voor de toekenning van kinderopvangtoeslag in een bepaald jaar geldende regels. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1296). Ook aan de voorschotverlening kan niet het vertrouwen worden ontleend dat een aan die verlening gelijke aanspraak op toeslag bestaat. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2417. Evenmin is in dit geval het enkele feit dat door een ambtenaar van de Belastingdienst, onweersproken, onjuiste informatie is gegeven, voldoende om met vrucht een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel. De betrokken ambtenaar was immers niet werkzaam voor de Belastingdienst/Toeslagen en was derhalve niet bevoegd om toezeggingen ter zake te doen.

8. Hetgeen onder 7 is overwogen neemt niet weg dat de door eiseres aangevoerde beroepsgronden en ingeroepen omstandigheden aanleiding geven om de vraag te beantwoorden of er sprake is van een situatie die maakt dat strikte toepassing van de wettelijke bepaling waarop het bestreden besluit is gebaseerd zozeer in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel dat die toepassing geen rechtsplicht meer kan zijn. Naar het oordeel van de rechtbank moet die vraag bevestigend worden beantwoord. Zoals onder 7 is overwogen, is de door de Belastingdienst verstrekte informatie op zichzelf onvoldoende om het bestreden besluit aan te tasten, maar dat neemt niet weg dat het begrijpelijk is dat eiseres, aan wie deze informatie door het gastouderbureau was doorgespeeld, daar op afgegaan is. Daar komt bij dat over de jaren 2012 en 2013 zonder enige opmerking van verweerders kant niet alleen voorschot is verleend, maar ook definitief kinderopvangtoeslag is toegekend op basis van 140% van de door eiseres gewerkte uren, zulks zelfs nadat in 2013 van verweerders kant een controle heeft plaatsgevonden van de door eiseres verstrekte gegevens. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde erop gewezen dat die controle uitsluitend de feitelijke juistheid van die gegevens betrof, maar dart neemt niet weg dat eiseres daardoor is bevestigd in haar veronderstelling dat zij recht had op de toegekende kinderopvangtoeslag. Dat in geval van in de nacht en weekend, dus buiten schooltijden, gewerkte uren een maximum van 140% zou gelden, acht de rechtbank voorts niet een zo onwaarschijnlijke of onlogische opvatting dat eiseres, in weerwil van de haar via het gastouderbureau verstrekte informatie van de Belastingdienst, had moeten begrijpen dat die niet juist kon zijn. De rechtbank acht verder van belang dat de toegekende kinderopvangtoeslag strekt tot tegemoetkoming in door eiseres daadwerkelijk gemaakte kosten voor feitelijk ten behoeve van haar gemaakte verrichte diensten. Als achteraf blijkt dat die tegemoetkoming tot een hoog bedrag is vastgesteld betekent dat niet dat de betalingen aan de gastouder geheel of gedeeltelijk als onverschuldigd zijn te beschouwen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat verhaal op de gastouder of het gastouderbureau niet tot de mogelijkheden behoort. Gelet op de betrokken bedragen is er sprake van een voor eiseres zeer groot nadeel, dat bovendien ook over de jaren 2015 en 2016 is te verwachten. Het geheel van de zich voordoende omstandigheden in aanmerking genomen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een bijzonder geval dat maakt dat het bij de definitieve toekenning van kinderopvangtoeslag over 2014 hanteren van een maximum van 70% van de gewerkte uren, in strijd is met de rechtszekerheid, althans een zo onredelijke uitkomst oplevert dat strikte toepassing van de wettelijke regeling achterwege moet blijven.

9. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder dient een nieuw besluit op het bezwaar tegen het primaire besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Uit het hetgeen onder 8 is overwogen vloeit voort dat verweerder in dit geval bij de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag over 2014 dient uit te gaan van een maximum van 140% van de door eiseres gewerkte uren, zij het dat het toe te kennen bedrag niet hoger hoeft te zijn dan het uitbetaalde voorschot. Omdat niet zeker is dat de rechtbank over alle voor de berekening van belang zijnde gegevens beschikt, ziet zij ervan af om het bedrag van de definitieve toekenning zelf vast te stellen. De aldus aan verweerder gegeven opdracht acht de rechtbank voldoende duidelijk, zodat het niet nodig is om een zogeheten bestuurlijke lus toe te passen.

10. Omdat het beroep gegrond is dient verweerder aan eiseres het getaalde griffierecht te vergoeden.

11. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,-- aan eiseres te

vergoeden

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van K. Thoma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 september 2017.

de griffier is buiten staat de

uitspraak te ondertekenen rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 12 september 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.