Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:8795

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-08-2017
Datum publicatie
12-09-2017
Zaaknummer
C/03/237847 / FA RK 17-2640
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Draagkracht ten behoeve van partneralimentatie wordt aangewend om tekort bij de (op grond van de forfaitaire benadering berekende) draagkracht voor kinderalimentatie te dichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Limburg

Familie en jeugd

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/237847 / FA RK 17-2640

Beschikking van 9 augustus 2017 betreffende voorlopige voorzieningen in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. A.S.J.H. van den Bronk, kantoor houdend te Maastricht,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

advocaat: mr. M.W.M. van Doorn, kantoor houdend te Maastricht.

1 Het verloop van de procedure

Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 6 juli 2017;

  • -

    het verweerschrift van de man, ingekomen op 25 juli 2017;

  • -

    het faxbericht, met bijlagen, van de man van 26 juli 2017;

  • -

    de mondelinge behandeling op 28 juli 2017, waarbij beide partijen en hun advocaten zijn verschenen.

2 De vaststellingen en overwegingen

Toevertrouwing

Over de toevertrouwing van het minderjarig kind van partijen, [minderjarige], aan de vrouw zijn partijen het met elkaar eens, zodat het verzoek van de vrouw in dit verband zal worden toegewezen.

Kinderalimentatie

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met een bedrag van, na wijziging ter zitting, € 251,50 per maand, toekomstige termijnen bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, althans een in goede justitie te bepalen bedrag en datum.

De man heeft hier gemotiveerd verweer tegen gevoerd en heeft verzocht dit verzoek af te wijzen dan wel toe te wijzen tot ten hoogste het bedrag zoals door hem berekend en onderbouwd dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag.

Ingangsdatum

Tegen de door de vrouw verzochte ingangsdatum heeft de man zich niet verzet, zodat de rechtbank een ingangsdatum van 6 juli 2017 zal hanteren.

Behoefte [minderjarige]

Partijen discussiëren over de hoogte van de behoefte van [minderjarige]. Voor de bepaling daarvan zal de rechtbank eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man gedurende het huwelijk berekenen. Dit bedroeg op grond van de door de man overgelegde jaaropgave 2016 gemiddeld € 1.611,- per maand (bruto loon minus ingehouden loonheffing, gedeeld door 12). Partijen zijn het erover eens dat het NBI van de vrouw – inclusief kindgebonden budget (KGB) – tijdens het huwelijk € 982,- bedroeg. Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) is daarmee te stellen op € 2.593,- per maand. Conform de tabel eigen aandeel kosten van kinderen kan de behoefte van [minderjarige] bij dit NBGI, met 4 kinderbijslagpunten, gesteld worden op € 381,- per maand.

Draagkracht man

De man is in het afgelopen jaar en in het begin van dit jaar ziek geweest. Thans is hij herstellende en werkt hij sedert 2 februari 2017 op therapeutische basis, de laatste tijd 30 uur per week (van de 40 uur per week). Behoudens een kortstondige terugval, is de situatie van de man nu stabiel. De man heeft onbetwist gesteld dat het de bedoeling is dat hij de komende tijd weer 40 uur per week gaat werken en dat hij eind september dan ook weer zijn volledige salaris krijgt uitbetaald. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank twee periodes onderscheiden: de periode tot 1 oktober 2017, omdat de man tot die datum nog herstellende is en geen salaris met betrekking tot een fulltime dienstverband ontvangt, en de periode vanaf 1 oktober 2017, omdat de rechtbank ervan uitgaat dat de man dan weer een volledig salaris krijgt uitbetaald.

De man heeft zijn NBI over de maand juli 2017 onbetwist becijferd op € 1.685,- per maand. De rechtbank gaat ervan uit dat hij dit inkomen ook in augustus en september 2017 zal genereren, zodat tot 1 oktober 2017 van dit NBI zal worden uitgegaan. De draagkracht van de man bij dit NBI bedraagt volgens de draagkrachtformule 70% [NBI – (0,3 x NBI + 905)] € 192,- per maand. Echter, (ook) blijkens de door de man ter zitting overgelegde draagkrachtberekening heeft de man bij de becijfering van de partnerbijdrage (uitgaande van een draagkrachtloos inkomen van € 1.251,- per maand, dat niet door de vrouw is betwist) nog een netto draagkracht voor partneralimentatie van € 68,- per maand (dit is het gevolg van het feit dat bij de kinderalimentatie in de draagkrachtformule wordt gerekend met een forfaitaire woonlast van € 506,- per maand, terwijl deze in werkelijkheid € 350,- per maand is). Gelet op de voorrangsregel in artikel 1:400 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek dient de man deze draagkracht eerst aan [minderjarige] te besteden. Dit betekent dat de draagkracht van de man voor kinderalimentatie (tot 1 oktober 2017) gesteld zal worden op (192 + 68 =) € 260,- per maand.

Voor de periode vanaf 1 oktober 2017 zal de rechtbank aansluiten bij het NBI dat de vrouw heeft becijferd aan de hand van de drie jaaropgaven over 2013, 2014 en 2015 (toen de man nog niet ziek was) van € 1.908,- per maand. De man heeft immers niet gesteld van welk inkomen dan zou moeten worden uitgegaan vanaf het moment dat hij weer volledig krijgt uitbetaald. De draagkracht van de man bij dit NBI bedraagt volgens de draagkrachtformule 70% [NBI – (0,3 x NBI + 905)] dan € 301,- per maand. Echter, (ook) blijkens de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening heeft de man bij de becijfering van de partnerbijdrage (uitgaande van een draagkrachtloos inkomen van € 1.299,- per maand, rekening houdend met dezelfde uitgaven die de man meeneemt, maar zonder zorgtoeslag omdat de man bij een inkomen hoger dan € 27.857,- daar geen recht op heeft) nog een netto draagkracht voor partneralimentatie van € 64,- per maand. Dit betekent dat de draagkracht van de man voor kinderalimentatie (per 1 oktober 2017) gesteld zal worden op (301 + 64 =) € 365,- per maand.

Draagkracht vrouw

Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht van de vrouw te stellen is op een bedrag van € 73,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden.

Zorgkorting

Partijen hebben een voorlopige contactregeling tussen [minderjarige] en de man afgesproken, waarbij [minderjarige] eenmaal per veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur alsmede iedere woensdagmiddag van 15.30 uur tot 16.30 uur bij de man verblijft. Hoewel de man heeft gesteld dat de schoolvakanties in onderling overleg worden verdeeld, heeft de vrouw gesteld dat van een verdeling bij helfte (nog) geen sprake is. Nu niet is gebleken en evenmin aannemelijk is geworden dat de man structureel zorgtaken op zich neemt in de vakanties, zal de rechtbank op grond van de reguliere zorgregeling rekening houden met een zorgkortingspercentage van 15%. De zorgkorting bedraagt dan € 57,- per maand (0,15 x 381).

Door de man te betalen kinderbijdrage

In de periode tot 1 oktober 2017 is er, gelet op de draagkracht van beide partijen, een tekort in de behoefte van (381 – 333 =) € 48,- per maand, dat aan ieder der partijen voor de helft zal worden toegerekend. Dit betekent dat de man de zorgkorting voor een bedrag van (57 – 24 =) € 33,- per maand kan verzilveren. De door de man te betalen kinderbijdrage dient dan ook in deze periode te worden vastgesteld op (260 – 33 =) € 227,- per maand.

Voor de periode per 1 oktober 2017 geldt het volgende. Gelet op de draagkracht van de vrouw van € 73,- per maand dient de man in het resterende deel van de behoefte van € 308,- per maand te voorzien (zijn draagkracht bedraagt in totaal immers € 365,- per maand). Minus de door de man alsdan te verzilveren zorgkorting dient de door de man te betalen kinderbijdrage vanaf 1 oktober 2017 te worden vastgesteld op € 251,- per maand.

Partneralimentatie

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift zal bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van, na wijziging ter zitting, € 180,- per maand, toekomstige termijnen bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, althans een in goede justitie te bepalen bedrag en datum.

De man heeft hier gemotiveerd verweer tegen gevoerd en heeft verzocht dit verzoek af te wijzen dan wel toe te wijzen tot ten hoogste het bedrag zoals door hem berekend en onderbouwd dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag.

Behoefte

Door de vrouw is aannemelijk gemaakt dat zij thans, op grond van de Hofnorm, behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man van in ieder geval € 350,- netto per maand. In het kader van deze procedure zal de rechtbank niet van de vrouw verlangen dat zij haar behoefte inzichtelijk dient te maken aan de hand van een behoeftelijst, zoals de man heeft gesteld. De behoeftigheid dient (zo mogelijk) aan de orde te komen in de bodemprocedure.

Draagkracht

Zoals uit de aangehechte draagkrachtberekeningen blijkt, heeft de man tot 1 oktober 2017 geen draagkracht om bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw en heeft de man vanaf 1 oktober 2017 een draagkracht van € 96,- per maand. De rechtbank zal aldus alleen deze laatste bijdrage als onderhoudsverplichting ten behoeve van de vrouw aan de man opleggen per 1 oktober 2017.

3 De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat het minderjarige kind [minderjarige] wordt toevertrouwd aan de vrouw;

bepaalt het bedrag dat de man aan de vrouw moet betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] op:

  • -

    € 227,- per maand met ingang van 6 juli 2017 tot 1 oktober 2017, en

  • -

    € 251,- per maand met ingang van 1 oktober 2017,

de nog niet verschenen termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt het bedrag dat de man met ingang van 1 oktober 2017 als bijdrage voor kosten van levensonderhoud aan de vrouw moet betalen op € 96,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.P.H. Welie, griffier, op 9 augustus 2017.

Tegen deze uitspraak staat voor partijen geen hogere voorziening open.