Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:8760

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1670
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het beroep richt zich uitsluitend op het uitblijven van een besluit over de verschuldigde dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Gelet op artikel 4:18 van de Awb was verweerder ten tijde van het instellen van beroep in gebreke tijdig een besluit te nemen tot vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom. De rechtbank is van oordeel dat zich in dit geval een situatie voordoet als bedoeld in artikel 6:12, derde lid, van de Awb. Nu reeds duidelijk was dat eiseres aanspraak wilde maken op dwangsommen wanneer niet tijdig zou worden beslist – dat had eiseres immers reeds in haar brief van 17 februari 2017 vermeld – hoefde zij in redelijkheid verweerder niet opnieuw voor het uitblijven van het dwangsombesluit in gebreke te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-09-2017
FutD 2017-2380

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: ROE 17 / 1670

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Maastricht, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft (kennelijk) op 8 april 2016 bezwaar gemaakt tegen een haar opgelegde aanslag gemeentelijke heffingen voor het jaar 2016 waarbij tevens de waarde van de onroerende zaak [adres] (index 1 = begane grond + 1e verdieping en index 4 = 1e + 2e verdieping) te Maastricht voor dat jaar is vastgesteld.

Op 17 februari 2017 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld en aanspraak gemaakt op een dwangsom als verweerder niet binnen twee weken alsnog op het bezwaar heeft beslist.

Bij uitspraak op bezwaar van 19 mei 2017 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de aanslag vernietigd.

Eiseres heeft op 16 juni 2017 beroep ingesteld tegen het niet tijdig afgeven door verweerder van een dwangsombeschikking wegens het te laat doen van een uitspraak op het bezwaar van eiseres. Als gemachtigde heeft zich gesteld G. Gieben, werkzaam bij Previcus Vastgoed te Beugen.

Verweerder heeft, na genoegzaam daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, noch de stukken die op de zaak betrekking hebben ingezonden noch een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de bestuursrechter, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is omdat hij kennelijk onbevoegd is of het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

2. Na kennis genomen te hebben van het dossier ziet de rechtbank in deze procedure aanleiding om met toepassing van deze bepaling uitspraak te doen. Zij overweegt hiertoe als volgt.

3. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

Ingevolge artikel 4:17, tweede lid, van de Awb bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,00 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30,00 per dag en de overige dagen € 40,00 per dag.

Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Ingevolge artikel 4:18 van de Awb stelt het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Ingevolge artikel 6:12, derde lid, van de Awb kan, indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

Ingevolge artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank, als het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verbeurde dwangsom vast.

4. Het beroep richt zich uitsluitend op het uitblijven van een besluit over de verschuldigde dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Gelet op artikel 4:18 van de Awb was verweerder ten tijde van het instellen van beroep in gebreke tijdig een besluit te nemen tot vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom. De rechtbank is van oordeel dat zich in dit geval een situatie voordoet als bedoeld in artikel 6:12, derde lid, van de Awb. Nu reeds duidelijk was dat eiseres aanspraak wilde maken op dwangsommen wanneer niet tijdig zou worden beslist – dat had eiseres immers reeds in haar brief van 17 februari 2017 vermeld – hoefde zij in redelijkheid verweerder niet opnieuw voor het uitblijven van het dwangsombesluit in gebreke te stellen.

5. Nu verweerder het besluit over de hoogte van de verbeurde dwangsommen nog immer niet heeft genomen, is het beroep derhalve gegrond te achten. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 4:18 van de Awb moet worden vernietigd. De rechtbank zal, gelet op het bepaalde in artikel 8:55c van de Awb, de hoogte van de verbeurde dwangsom vaststellen. De ingebrekestelling is op vrijdag 17 februari 2017 per aangetekende post verzonden. Verweerder heeft op 19 mei 2017 beslist op het bezwaar van eiseres. Dat is meer dan acht weken na de ontvangst van de ingebrekestelling, die – naar de rechtbank aanneemt – uiterlijk op dinsdag 21 februari 2017 heeft plaatsgevonden, zodat verweerder de maximale dwangsom van € 1260,00 heeft verbeurd.

6. Gelet op de gegrondverklaring van het beroep volgt uit artikel 8:74 van de Awb dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht zal dienen te vergoeden.

7. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 247,50 (één punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 495,00 met wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of er een dwangsom verschuldigd is. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

- stelt op grond van artikel 8:55c van de Awb de hoogte van de door verweerder verbeurde dwangsom vast op € 1260,00;

- gelast dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierrecht (ad € 333,00) volledig vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiseres begroot op € 247,50 (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiseres.

Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, rechter, in aanwezigheid van J.W.J.M. van Rijt, griffier.

De uitspraak is geschied in het openbaar op 11 september 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 11 september 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet doen. De termijn voor het doen van verzet bedraagt zes weken na de dag van verzending van de uitspraak. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.