Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:8749

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
11-09-2017
Zaaknummer
04 5948780/CV 17-3860
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betaling werkzaamheden accountant; “gemiddeld uurtarief” overeengekomen. Opdrachtnemer heeft zorgplicht om vooraf exact uurtarief met opdrachtgever te bespreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5948780 \ CV EXPL 17-3860

Vonnis van de kantonrechter van 6 september 2017

in de zaak van:

[eisende partij, gedaagde partij in verzet] , h.o.d.n. [X],

wonend [adres eisende partij, gedaagde partij in verzet] ,

[woonplaats eisende partij, gedaagde partij in verzet] ,

eisende partij,

gedaagde partij in verzet,

gemachtigde mr. P. van Zwijndregt

tegen:

[gedaagde partij, eisende partij in verzet] ,

wonende te [woonplaats gedaagde partij, eisende partij in verzet] ,

gedaagde partij,

eisende partij in verzet,

gemachtigde mr. P.B.A. Acda,

Partijen zullen hierna [eisende partij, gedaagde partij in verzet] en [gedaagde partij, eisende partij in verzet] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het navolgende:

  • -

    het door de kantonrechter op 8 februari 2017 tussen [eisende partij, gedaagde partij in verzet] als eisende partij en [gedaagde partij, eisende partij in verzet] als gedaagde partij bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer 5663434 CV EXPL 17-617

  • -

    de op 18 april 2017 uitgebrachte verzetdagvaarding

  • -

    de beslissing waarbij een comparitie van partijen is bepaald

  • -

    de op voorhand zijdens [eisende partij, gedaagde partij in verzet] ingezonden producties 7 en 8

  • -

    de op 27 juni 2017 gehouden comparitie van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij, gedaagde partij in verzet] heeft uit hoofde van een overeenkomst van opdracht voor [gedaagde partij, eisende partij in verzet] diverse werkzaamheden verricht. In de op 24 maart 2014 terzake door [gedaagde partij, eisende partij in verzet] ondertekende opdracht is vermeld dat de opdracht het samenstellen van de boekhouding en de jaarrekeningen omvat, het verzorgen van de fiscale aangiften, het maken van bezwaarschriften, het vragen van uitstel van betaling en uitstel van aangiften, alsmede: “Verder de door Dhr. [gedaagde partij, eisende partij in verzet] , of diens gemachtigde te verstekken opdrachten. Als tarief voor deze werkzaamheden geldt een gemiddeld tarief van € 60,00 per uur”.

2.2.

De navolgende door [eisende partij, gedaagde partij in verzet] aan [gedaagde partij, eisende partij in verzet] gezonden facturen voor werkzaamheden zijn door [gedaagde partij, eisende partij in verzet] onbetaald gebleven:

a. nr 201315101 d.d. 10 juni 2014 ad € 800,00 betreft: aangifte IB/PVV 2013

b. nr 201615101 d.d. 30 april 2016 ad € 800,00 betreft: aangifte IB/PVV 2014

c. nr 201615102 d.d. 30 april 2016 ad € 9.723,73 betreft: “diverse werkzaamheden ; adviezen inzake procedures Gemeente Roermond en Erfgenamen ouders [gedaagde partij, eisende partij in verzet] in de periode 4-06-2014 tot en met 20-06-2015”

d. nr 201615102 d.d. 30 april 2016 ad € 6.401,00 betreft: “diverse werkzaamheden ; adviezen inzake procedures Gemeente Roermond en Erfgenamen ouders [gedaagde partij, eisende partij in verzet] in de periode 20-06-2015 tot en met 06-05-2016”. Hierin is € 101,00 aan parkeergeld en € 637,68 aan reiskosten begrepen, beide bedragen exclusief btw

e. nr 201615104 d.d. 31 juli 2016 ad € 706,95 betreft: “diverse werkzaamheden ; adviezen inzake procedures Gemeente Roermond en Erfgenamen ouders [gedaagde partij, eisende partij in verzet] 18 mei t/m 23 juli 2016 (7,92 uren ad. € 80,00. Hierin is een post terzake parkeergeld P.M. en € 33,60 exclusief btw voor reiskosten opgenomen.

De vervaldatum van alle facturen bedraagt 14 dagen.

2.3.

Op 8 juli 2015 heeft [gedaagde partij, eisende partij in verzet] de navolgende verklaring ondertekend:

“Hiermede verklaart ondergetekende [gedaagde partij, eisende partij in verzet] (..) dat [eisende partij, gedaagde partij in verzet] (..) als eigenaar van [X] (..) een vordering op hem heeft wegens door [X] nog te declareren vergoeding voor verrichte werkzaamheden ter grootte van € 9.723,73 (..) alsmede de reeds eerder door mij gedeclareerde kosten voor het verzorgen van de jaarrekening en aangifte inkomsten belasting 2013 ad € 800,00 (..).

[gedaagde partij, eisende partij in verzet] (..) verklaart dat hij deze vordering uitdrukkelijk erkent en dat hij de betaling zal verrichten onmiddellijk na de datum van verkoop van de hoeve en/of bij een overeengekomen schadevergoeding met de Gemeente Roermond.

Hij verklaart uitdrukkelijk dat hij zijn erfgenamen de verplichting oplegt deze schuld te voldoen alvorens tot de verdeling van de erfenis zal worden overgegaan.”

Handgeschreven is daaronder vermeld: “goed voor 10.523. zegge: tienduizend vijfhonderd drie en twintig euro”.

2.4.

In maart 2016 is de hiervoor bedoelde hoeve verkocht. Deze behoort tot een erfenis waarin [gedaagde partij, eisende partij in verzet] voor 1/5 deelgerechtigde is. De opbrengst hiervan is bij de notaris gestort. [eisende partij, gedaagde partij in verzet] heeft daarop beslag gelegd.

2.5.

Onder meer bij brieven van 5 augustus 2016, 17 augustus 2016 en 7 september 2016 heeft de gemachtigde van [eisende partij, gedaagde partij in verzet] [gedaagde partij, eisende partij in verzet] gesommeerd de hoofdsom van

€ 18.431,68 te voldoen alsmede € 596,02 aan rente tot en met 09 september 2016, € 959,32 aan incassokosten en € 40,00 aan dossierkosten.

Op 22 september 2016 heeft [eisende partij, gedaagde partij in verzet] [gedaagde partij, eisende partij in verzet] middels een deurwaardersexploot gesommeerd tot betaling over te gaan.

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij, gedaagde partij in verzet] heeft in de verstekprocedure -waarvan de dagvaarding is uitgebracht op 13 oktober 2016 - gevorderd dat de kantonrechter [gedaagde partij, eisende partij in verzet] zal veroordelen tot betaling van:

  1. € 18.431,68 aan hoofdsom,

  2. de wettelijke handelsrente zijnde 8,05% per jaar daarover vanaf 14 dagen na de factuurdata tot aan de dag der algehele voldoening,

  3. € 959,32 aan buitengerechtelijke incassokosten

  4. € 40,00 aan dossierkosten

  5. € 65,83 aan sommatie-exploot kosten,

te vermeerderen met proceskosten, wettelijke rente daarover en nakosten.

3.2.

Bij verstekvonnis van 8 februari 2017 (zaaknummer 5663434 CV EXPL 17-617) is de sub 3.1. genoemde vordering met uitzondering van de onder 3.1. sub d en e weergegeven bedragen, toegewezen, met veroordeling van [gedaagde partij, eisende partij in verzet] in de proceskosten ad

€ 847,75. De nakosten zijn bepaald op € 100,00 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na aanschrijving en alsmede de explootkosten en de wettelijke rente daarover indien betekening heeft plaatsgevonden.

3.3.

[gedaagde partij, eisende partij in verzet] vordert in het verzet te worden ontheven van deze veroordeling en alsnog afwijzing van de vordering van [eisende partij, gedaagde partij in verzet] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Uit de overgelegde processtukken blijkt dat het verzet tijdig is ingesteld, zodat [gedaagde partij, eisende partij in verzet] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.

4.2.

[gedaagde partij, eisende partij in verzet] erkent dat [eisende partij, gedaagde partij in verzet] in zijn opdracht werkzaamheden voor hem heeft verricht.

facturen 2.2. sub a ad € 800,- en c ad € 9.723,73.

4.3.

Ten aanzien van de werkzaamheden die gefactureerd zijn middels de facturen van 10 juni 2014 ad € 800,00 en 30 april 2016 ad € 9.723,00 geldt dat [gedaagde partij, eisende partij in verzet] op 8 juli 2015 daarover de sub 2.3 weergegeven erkennings- c.q. schuldigheidsverklaring heeft ondertekend voor het totaalbedrag van € 10.523,00. Opvallend daarbij is dat de factuur van € 9.723,00 gedateerd is op 30 april 2016, ruim tien maanden later dan de ondertekening van voornoemde verklaring. Door [gedaagde partij, eisende partij in verzet] is ter zitting erkend dat de bij die factuur in rekening gebrachte werkzaamheden eerder zijn verricht dan de dag van ondertekening van die verklaring. De verklaring vermeldt ten aanzien daarvan dan ook: “de nog te declareren vergoeding”. De reden om die betreffende factuur pas in april 2016 aan [gedaagde partij, eisende partij in verzet] te sturen is gelegen in het feit dat de btw afdracht van [eisende partij, gedaagde partij in verzet] over deze factuur daarmee werd uitgesteld. Deze handelswijze is door [gedaagde partij, eisende partij in verzet] geaccordeerd.

Mede ter zitting is [gedaagde partij, eisende partij in verzet] teruggekomen op de erkenning van het bedrag van € 9.723,13. Hij stelt dat hij de specificaties van de werkzaamheden pas recent heeft ontvangen, hetgeen overigens zijdens [eisende partij, gedaagde partij in verzet] wordt betwist. Na ontvangst daarvan heeft hij geconstateerd dat het gehanteerde uurtarief € 80 bedraagt, hetgeen niet is overeengekomen. Verder is er geen afspraak gemaakt over de andere kosten.

De kantonrechter begrijpt de stelling van [gedaagde partij, eisende partij in verzet] aldus dat deze aan de hand van de urenspecificaties heeft geconstateerd dat het gehanteerde uurtarief € 80,- zou bedragen en dat strookt niet met de afspraak van “gemiddeld € 60 per uur”.

[gedaagde partij, eisende partij in verzet] is naar het oordeel van de kantonrechter te laat met zijn bezwaren. Hij heeft het bedrag van de facturen immers uitdrukkelijk erkend in het kader van een met hem getroffen betalingsregeling. Had hij bezwaren willen maken tegen de facturen, dan had het op zijn weg gelegen die kenbaar te maken voordat hij tot erkenning overging. Dat hij wellicht niet heeft kunnen beschikken over de urenspecificaties acht de kantonrechter niet van belang omdat hij daarom had kunnen vragen voordat hij tot uitdrukkelijk erkenning overging. Het verweer van [gedaagde partij, eisende partij in verzet] wordt dan ook gepasseerd. Naar het oordeel van de kantonrechter dient [gedaagde partij, eisende partij in verzet] het bedrag van € 10.523,00 te voldoen.

Verder heeft [gedaagde partij, eisende partij in verzet] betoogd dat met [eisende partij, gedaagde partij in verzet] is overeengekomen dat deze schuld zou worden voldaan door de erfgenamen, zijnde de broers en zussen van [gedaagde partij, eisende partij in verzet] vóórdat tot verdeling van de erfenis zal worden overgegaan. Nu er nog geen verdeling daarvan heeft plaatsgevonden - er is daarover immers nog een procedure bij rechtbank aanhangig - kan [eisende partij, gedaagde partij in verzet] volgens [gedaagde partij, eisende partij in verzet] het bedrag van € 10.523,00 niet opeisen. [eisende partij, gedaagde partij in verzet] heeft dit betwist.

De kantonrechter oordeelt als volgt. In de erkenningsverklaring is met betrekking tot de betaling de volgende passage opgenomen: “ [gedaagde partij, eisende partij in verzet] (..) verklaart dat hij (..) de betaling zal verrichten onmiddellijk na de datum van verkoop van de hoeve en/of bij een overeengekomen schadevergoeding met de Gemeente Roermond.

Hij verklaart uitdrukkelijk dat hij zijn erfgenamen de verplichting oplegt deze schuld te voldoen alvorens tot de verdeling van de erfenis zal worden overgegaan.”

Wat betreft het moment van betaling worden er twee momenten genoemd, namelijk onmiddellijk na verkoop van de hoeve of als er met de Gemeente Roermond een schadevergoeding overeengekomen wordt. Nu beide partijen ter zitting hebben erkend dat de hoeve reeds is verkocht in maart 2016 staat daarmee vast dat het bedrag van € 10.523,00 vanaf dat moment opeisbaar is.

De in de verklaring opgenomen passage over erfgenamen heeft geen betrekking op de erfenis waarin [gedaagde partij, eisende partij in verzet] zelf betrokken is met zijn broers c.q. zussen. Ter zitting is door [eisende partij, gedaagde partij in verzet] verklaard dat met “zijn erfgenamen” de kinderen van [gedaagde partij, eisende partij in verzet] zijn bedoeld. Deze passage is in die verklaring opgenomen om iets vast te leggen voor het geval [gedaagde partij, eisende partij in verzet] zou komen te overlijden. [gedaagde partij, eisende partij in verzet] heeft deze uitleg niet weersproken en deze komt de kantonrechter ook het meest logisch voor. Deze passage ziet dus naar het oordeel van de kantonrechter niet op het tijdstip waarop de vordering van [eisende partij, gedaagde partij in verzet] opeisbaar wordt.

factuur 2.2 sub b ad € 800

4.4.

Ten aanzien van de hierboven onder 2.2. sub b genoemde factuur terzake aangifte IB/PVV 2014 ad € 800,00 heeft [gedaagde partij, eisende partij in verzet] erkend dat ten aanzien van de aangiftes IB/PVV inclusief de daarbij behorende administratie (zogenaamde “standaard” c.q. terugkerende werkzaamheden) een vaste prijsafspraak is gemaakt, zijnde € 800,00 inclusief btw.

facturen 2.2. sub d ad € 6.401,00 en e ad € 706,95

4.5.

Wat betreft deze facturen geldt dat [gedaagde partij, eisende partij in verzet] de hoogte van het gehanteerde tarief, de verschuldigdheid van de in rekening gebrachte reistijd en kosten alsook de kwaliteit van de verrichte werkzaamheden bestrijdt.

4.5.1.

De kantonrechter stelt voorop dat [gedaagde partij, eisende partij in verzet] deze facturen – anders dan de facturen onder 2.2. sub a ad € 800,00 en c ad € 9.723,73 niet uitdrukkelijk heeft erkend.

[gedaagde partij, eisende partij in verzet] heeft gesteld dat er slechts een tarief van € 60,00 per uur is afgesproken terwijl [eisende partij, gedaagde partij in verzet] heeft aangegeven dat er zoals afgesproken een bedrag van € 80,00 per uur is gefactureerd.

De kantonrechter constateert dat de overeenkomst van opdracht als tarief voor de daarin genoemde werkzaamheden een gemiddeld tarief van € 60,00 per uur vermeldt. Uit de door [eisende partij, gedaagde partij in verzet] als productie 8 overgelegde specificaties blijken deze twee facturen gebaseerd te zijn op een tarief van € 80,00 per uur, exclusief 6% btw. Gelet op het verschil van € 20,00 per uur, zijnde een verschil van ruim 30% is de kantonrechter van oordeel dat als achteraf uit de facturen blijkt dat het gemiddelde tarief anders is dan het overeengekomen tarief, het op de weg van de adviseur ligt in het kader van zijn zorgplicht naar zijn opdrachtgever, zijn cliënt daar vooraf op te wijzen in het geval hij andere, duurdere werkzaamheden is gaan verrichten. Gesteld noch gebleken is dat dat in casu is gedaan. Voor die overige werkzaamheden acht de kantonrechter dan ook slechts € 60,00 per uur exclusief btw toewijsbaar. Voor de factuur sub d zijnde 66,25 uur houdt dat dan een bedrag van € 4.213,50 inclusief btw in, voor de factuur sub e (7,92 uur) € 503,71 inclusief btw.

4.5.2.

Met betrekking tot de middels deze facturen in rekening gebrachte reistijd, reiskosten en parkeergeld heeft [gedaagde partij, eisende partij in verzet] betoogd dat deze nooit besproken zijn en daarom niet verschuldigd zijn. [eisende partij, gedaagde partij in verzet] heeft aangegeven dat deze niet expliciet besproken zijn maar dat het logisch is dat deze vergoed worden.

Als onbetwist staat vast dat [eisende partij, gedaagde partij in verzet] op verzoek van [gedaagde partij, eisende partij in verzet] bij bepaalde besprekingen aanwezig was. Blijkens de overgelegde specificaties hebben er diverse besprekingen plaatsgevonden met de gemachtigde/advocaat van [gedaagde partij, eisende partij in verzet] alsook in de rechtbank. Vast staat ook dat [eisende partij, gedaagde partij in verzet] daarvoor moest reizen en daarmee kosten gepaard gaan. Om die reden is het dan ook redelijk dat daar een vergoeding voor betaald wordt. Artikel 7:405 BW geeft aan dat indien de hoogte van het loon van de opdrachtnemer niet is bepaald, een redelijk loon verschuldigd is. Artikel 7:406 lid 1 BW luidt: “de opdrachtgever moet aan de opdrachtnemer de onkosten verbonden aan de uitvoering van de opdracht vergoeden, voor zover deze niet in het loon zijn begrepen”. In de aan de orde zijnde overeenkomst van opdracht is niet een expliciet bedrag genoemd voor reisuren, kilometervergoeding en ander kosten. Uit de facturen blijkt dat voor de reisuren € 80,00 per uur in rekening is gebracht en per gereisde kilometer (1062,8 respectievelijk 56 kilometer) € 0,60 exclusief btw.

Wat betreft het uurtarief verwijst de kantonrechter naar wat hiervoor daarover is overwogen. Deze reisuren zijn reeds vervat in het hierboven in 4.5.1. (her-)berekende bedrag.

Het tarief per gereisde kilometer acht de kantonrechter alleszins redelijk en mitsdien toewijsbaar (in totaal € 671,28 exclusief btw /€ 711,56 inclusief btw. Het gevorderde bedrag aan parkeergeld (€ 101,00 exclusief btw / € 107,06 inclusief btw) acht de kantonrechter in de specificaties inzichtelijk gemaakt, redelijk en daarom toewijsbaar.

4.5.3.

Met betrekking tot de kwaliteit van de verrichte werkzaamheden is de kantonrechter van oordeel dat dit verweer te laat is gevoerd én [gedaagde partij, eisende partij in verzet] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht terzake. Hoewel dat wel op zijn weg ligt heeft hij immers thans niet aangegeven waaruit die slechte kwaliteit zou hebben bestaan. Om die reden dient dit verweer ook gepasseerd te worden.

4.6.

Uit voorgaande volgt dat aan hoofdsom een bedrag toewijsbaar is van € 16.858,83

inclusief btw.

[eisende partij, gedaagde partij in verzet] vordert verder de wettelijke handelsrente van 8,05% over de facturen vanaf 14 dagen na de factuurdata. [gedaagde partij, eisende partij in verzet] heeft hier geen expliciet verweer tegen gevoerd zodat de kantonrechter deze rente zal toewijzen met dien verstande dat, gelet op het feit dat er sprake is van een wisselend percentage aan wettelijke handelsrente, de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW zal worden toegewezen zoals hieronder bepaald.

Met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten acht de kantonrechter gelet op de toe te wijzen hoofdsom een bedrag van € 943,59 toewijsbaar. De eveneens gevorderde dossierkosten (€ 40,00) en sommatie-exploot (€ 65,83) worden geacht te behoren tot de buitengerechtelijke incassokosten zodat zij niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen.

4.7.

De kantonrechter acht geen termen aanwezig [gedaagde partij, eisende partij in verzet] ambtshalve toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.8.

Met inachtneming van het bovenstaande zal het verstekvonnis worden bekrachtigd.

4.9.

[gedaagde partij, eisende partij in verzet] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten

van het verzet worden verwezen. De kosten aan de zijde van [eisende partij, gedaagde partij in verzet] worden tot heden begroot op € 250,00 (zijnde 1 x € 250,00) aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

vernietigt het door de kantonrechter op 8 februari 2017 onder zaaknummer 5663434 CV EXPL 17-617 gewezen verstekvonnis wat betreft punt 3.1. van het dictum

en opnieuw beslissend:

veroordeelt [gedaagde partij, eisende partij in verzet] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij, gedaagde partij in verzet] te betalen een bedrag van € 17.802,42 vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 16.858,83 vanaf 14 dagen vanaf de respectievelijke factuurdatum tot aan de dag der algehele voldoening.

5.2.

bekrachtigt het vonnis voor het overige, zijnde 3.2 tot en met 3.5,

5.3.

wijst voor zoveel nodig het meer of anders gevorderde af,

5.4.

veroordeelt [gedaagde partij, eisende partij in verzet] in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van [eisende partij, gedaagde partij in verzet] tot op heden begroot op € 250,00,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken.

type: MJP

coll: