Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:869

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-01-2017
Datum publicatie
03-02-2017
Zaaknummer
5626602 OV VERZ 17-1
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vastellen van beslagvrije voet ex art. 475 d en e Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht / Kantonrechter

Zaaknr: 5626602 OV VERZ 17-1

Beschikking van 30 januari 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonend [woonplaats 1] ,

verzoeker,

gemachtigde mr. J.J. Jurgers,

tegen

[verweerster] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

verweerster,

gemachtigde: mr. N. Heijkant.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en [verweerster] genoemd worden.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van deze rechtbank van 23 december 2016 in de zaak met nummer C/03/226562/ KG RK 16-824,
- het verweerschrift met bijlagen van [verweerster] , ter griffie van deze rechtbank ontvangen op 12 januari 2017

- de brief met bijlagen van [verzoeker] van 20 januari 2017, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op 23 januari 2017

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 januari 2017 waarbij mr. N. Heijkant is verschenen.

1.2.

De voorzieningenrechter bij deze rechtbank heeft zich bij voormelde beschikking onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het verzoekschrift tot het vaststellen van een beslagvrije voet en heeft de zaak doorverwezen naar de kamer voor kantonzaken van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht.

1.3.

Vervolgens is beschikking bepaald op heden.

2 Het verzoek

2.1.

Uit het verzoekschrift en de bijlagen blijkt het volgende.

2.2.

[verzoeker] verzoekt een voor hem geldende beslagvrije voet vast te stellen op

€ 1.375,00 per maand. [verzoeker] stelt daartoe dat uit zijn berekening volgt dat zijn inkomen geheel nodig is om de minimale vaste lasten en kosten van levensonderhoud te voldoen waardoor er niets van de pensioenuitkering, waarop beslag is gelegd, overblijft om aan [verweerster] af te dragen.

2.3.

[verweerster] voert verweer en weerlegt de stelling van [verzoeker] , dat hij door het beslag in financiële problemen zal raken. [verzoeker] geeft het haar toekomende deel van het pensioen uit en in dat kader is er sprake van een aanzienlijke betalingsachterstand. Ter mondelinge behandeling stelt [verweerster] dat het maandelijks voorschot thans onder de per 1 januari 2017 geldende regeling valt en op € 181,13 is begroot, dat de bodemprocedure inmiddels aanhangig is gemaakt en [verzoeker] nog steeds geen verhaal biedt.

2.4.

Op de stellingen van partijen zal de kantonrechter, voor zover nodig, nader ingaan.

3 De beoordeling

3.1.

Vast staat dat [verweerster] een voorwaardelijke aanspraak heeft op het pensioen dat aan [verzoeker] wordt uitgekeerd. Dat volgt zowel uit de onweersproken stelling van [verweerster] als uit de brief van het ABP aan [verzoeker] (productie 11 bij het schrijven van [verzoeker] ). Vast staat voorts dat [verweerster] conservatoir beslag op die uitkering heeft laten leggen, dat [verzoeker] in het buitenland woont en dat [verweerster] kennis heeft genomen van het schrijven met bijlagen van [verzoeker] van 20 januari 2017.

3.2.

Naar aanleiding van het verweer van [verweerster] heeft [verzoeker] onder overlegging van bescheiden nog gesteld dat hij een AOW gat had in de periode februari - september 2016 omdat hij pas vanaf 26 september 2016 aanspraak kon maken op een AOW uitkering. Om die reden leefden [verzoeker] en zijn partner in die periode van het ABP pensioen en van de WAO uitkering van in totaal € 1.560,00 in plaats van € 2.039,00 netto per maand. Na aftrek van de maandelijkse lasten resteert € 424,00 netto per maand voor de kosten van hun levensonderhoud. [verzoeker] heeft de hele uitkering nodig omdat de woonlasten, bij gebrek aan hypotheekrente-aftrek, voor hem en zijn partner in Schotland hoger zijn dan in Nederland. Gelet hierop en op het feit dat [verweerster] bij haar berekening voor de kosten van levensonderhoud ook een bedrag van € 400,00 heeft opgevoerd ligt het voor de hand om aansluiting te zoeken bij de berekening van [verzoeker] (producties 3 en 12) aldus [verzoeker] .

3.3.

[verweerster] heeft ter mondelinge behandeling gepersisteerd bij haar aanvankelijke verweer zonder nader op de door [verzoeker] nog gemotiveerde en met bescheiden gestaafde stellingen in te gaan. Het lag op de weg van [verweerster] om gemotiveerd onderbouwd op die stellingen en producties in te gaan. Nu [verweerster] dat heeft nagelaten zal bij de verdere beoordeling van het verzoek van de stellingen van [verzoeker] , behoudens het navolgende, worden uitgegaan.

3.4.

Anders dan [verzoeker] stelt, is niet van doorslaggevend belang welke kosten [verweerster] opvoert bij de onderbouwing van haar verweer en hoe behoeftig [verweerster] is. Het vrij te laten bedrag van [verzoeker] dient immers te worden vastgesteld. De kantonrechter stelt voorop dat daarbij uitgegaan wordt van het inkomen van zowel [verzoeker] als diens partner. De door [verzoeker] aangebrachte correctie aan woonlasten van € 106,44 honoreert de kantonrechter niet aangezien [verzoeker] gesteld noch anderszins heeft doen blijken op grond waarvan deze correctiepost gerechtvaardigd zou zijn. De enkele stelling dat [verzoeker] geen hypotheekrente- aftrek geniet is daartoe onvoldoende. Wat de opgevoerde correctiepost van € 275,00 aan auto- en reiskosten betreft merkt de kantonrechter op dat deze correctiepost is bedoeld indien [verzoeker] kosten voor woon-werk verkeer maakt of indien er sprake is van een medische noodzaak. Nu vaststaat dat [verzoeker] gepensioneerd is (en dat zijn partner arbeidsongeschikt is) en de medische noodzaak onvoldoende inzichtelijk of anderszins aannemelijk heeft gemaakt, wordt deze correctiepost evenmin gehonoreerd.

3.5.

Met inachtneming van het inkomen dat [verzoeker] en diens partner genereren

(€ 2.039,51 exclusief vakantietoeslag) de kosten van de eigen woning van € 608,85 en de ingevolge de ABW bepaalde correctieposten en toeslagen zal de kantonrechter de beslagvrije voet van [verzoeker] vaststellen op € 1.967,36 per maand. Nu enige rechtsgrond of wettelijke basis tot hantering van de zogenoemde “Bic Mac” index ontbreekt, zal de kantonrechter met die index geen rekening houden.

3.6.

[verweerster] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten tot aan deze beschikking aan de zijde van [verzoeker] gerezen en begroot op

€ 78,00 aan griffierecht en € 200,00 aan salaris gemachtigde.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

stelt de beslagvrije voet van [verzoeker] vast op € 1.967,36 per maand,

4.2.

veroordeelt [verweerster] tot betaling van de proceskosten van [verzoeker] ad € 278,00,

4.3.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Hoekstra, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.

Type: TY