Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:8684

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
08-09-2017
Zaaknummer
5886691 \ CV EXPL 17-3347
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde heeft niet ex artikel 6:89 BW binnen bekwame tijd zijn bezwaren tegen de facturen kenbaar gemaakt. Thans gevoerde verweer is tardief en onvoldoende onderbouwd. Vordering wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5886691 \ CV EXPL 17-3347

Vonnis van de kantonrechter van 6 september 2017

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eisende partij] KUNSTSTOFFEN B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats eisende partij] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. P.J.G.G. Sluyter,

tegen:

[gedaagde partij] , h.o.d.n. [A],

wonend [adres gedaagde partij] ,

[woonplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

procederende in persoon.

Partijen worden verder in dit vonnis aangeduid als [eisende partij] en [gedaagde partij] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij] heeft aan [gedaagde partij] goederen geleverd en daarvoor gefactureerd. Het gaat in deze procedure om de navolgende facturen:

  • -

    H0006043 d.d. 5 april 2016 € 2.005,20

  • -

    H0006991 d.d. 9 juni 2016 € 1.923,10

  • -

    H0007870 d.d. 29 juli 2016 € 1.861,31

  • -

    H0008006 d.d. 22 augustus 2016 € 1.177,15

2.2.

De betreffende facturen hebben een vervaltermijn van telkens 30 dagen na factuurdatum.

2.3.

[gedaagde partij] heeft de facturen onbetaald gelaten.

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van een bedrag van € 7.690,10 terzake hoofdsom en buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[gedaagde partij] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eisende partij] vordert in deze procedure betaling van een viertal openstaande facturen.

4.2.

[gedaagde partij] heeft deze facturen onbetaald gelaten, zich daarbij op het standpunt stellend, dat de aan de facturen ten grondslag liggende leverbonnen/pakbonnen niet door hem zijn geaccordeerd, niet getekend zijn of niet meegezonden zijn. [gedaagde partij] voert daarbij aan dat hij derhalve in de onmogelijkheid verkeert te controleren of de leveringen compleet en juist zijn geweest. Daarnaast stelt [gedaagde partij] dat [eisende partij] nog bedragen moet crediteren.

4.3.

De kantonrechter overweegt het navolgende.

4.4.

Als niet weersproken staat tussen partijen vast dat [eisende partij] op 2 november 2016 de aan de leveranties en facturen liggende pakbonnen per mail aan [gedaagde partij] ter controle heeft toegezonden. [gedaagde partij] maakt daarop op 3 november 2016 een opmerking omtrent een te crediteren bedrag – de Tricel goudzeep is ten onrechte gefactureerd – en geeft voorts aan [eisende partij] aan dat hij nog tijd nodig heeft om nader onderzoek te doen. Vervolgens blijkt niet dat [gedaagde partij] bij het nader door hem te verrichten onderzoek voortvarend te werk gaat. [gedaagde partij] reageert niet meer en voor [eisende partij] blijft onduidelijk wat de reden is dat [gedaagde partij] de facturen onbetaald laat. [eisende partij] ziet zich dan ook genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven.

4.5.

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde partij] op grond van het bepaalde in artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gehouden is om binnen bekwame tijd zijn bezwaren tegen de facturen aan [eisende partij] kenbaar te maken. Uit niets blijkt dat [gedaagde partij] na ontvangst van de facturen per omgaande daartegen heeft geprotesteerd en genuanceerd aan [eisende partij] heeft aangegeven op welke onderdelen de facturen niet correct zouden zijn.

4.6.

[gedaagde partij] komt bij antwoord aanvankelijk niet verder dan de ongefundeerde, niet onderbouwde, stelling dat het bij [eisende partij] sinds een personeelswisseling een zooitje is. Daarnaast voert [gedaagde partij] aan dat leveringsbonnen niet allemaal zijn ondertekend en voor hem niet te controleren zijn dan wel dat wellicht niet bevoegde personen pakbonnen hebben afgetekend, nu de handtekeningen daarop bij [gedaagde partij] onbekend zijn. Niet gebleken is dat [gedaagde partij] dit verweer eerder heeft gevoerd en ook op dit punt is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde partij] daarmee niet heeft voldaan aan de verplichting zoals die is neergelegd in artikel 6:89 BW. Bovendien laat [gedaagde partij] de stelling van [eisende partij] dat [gedaagde partij] andere facturen met eenzelfde voor hem onbekende handtekening wel heeft betaald,onweersproken.

4.7.

De kantonrechter is van oordeel dat de verwijten die [gedaagde partij] aan het adres van [eisende partij] maakt niet althans in onvoldoende mate komen vast te staan. Daarnaast heeft [gedaagde partij] zijn standpunt dat [eisende partij] gehouden is crediteringen jegens hem te doen niet althans onvoldoende onderbouwd. [eisende partij] betwist de stellingen van [gedaagde partij] op dit punt nadrukkelijk, met uitzondering van de creditfactuur levering [X] (productie 8 bij conclusie van repliek). De afspraak waarop [gedaagde partij] zich beroept – en de in dat verband overgelegde verklaring van de heer [Y] – wordt eveneens door [eisende partij] betwist en deze komt dan ook niet in rechte vast te staan. [gedaagde partij] kan zich daarop niet met succes beroepen. Daarnaast had het [gedaagde partij] vrij gestaan om bij conclusie van antwoord een reconventionele vordering in te dienen. [gedaagde partij] heeft van deze processuele mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

4.8.

Uit het vorenstaande volgt dat de vordering aan [eisende partij] moet worden toegewezen.

4.9.

De kantonrechter acht geen termen aanwezig [gedaagde partij] toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.10.

[gedaagde partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 85,65

  • -

    griffierecht 470,00

  • -

    salaris gemachtigde 500,00 ( 2 x tarief € 250,00)

totaal € 1.055,65.

4.11.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde partij] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 7.690,10, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de onbetaalde factuurbedragen vanaf de vervaldatum van de desbetreffende facturen tot aan de voldoening alsmede over een bedrag van € 723,34 vanaf 4 april 2017 tot aan de voldoening,

5.2.

veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten aan de zijde van [eisende partij] gevallen en tot op heden begroot op € 1.055,65,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken.

type: ph

coll: