Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:8608

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
05-09-2017
Zaaknummer
03/661268-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling onttrekking aan het gezag van een minderjarige. Geen ‘ne bis in idem’ door eerdere vrijspraak ontucht. Evenmin strijd met het opportuniteitsbeginsel. Dat verdachte wist dat het meisje nog minderjarig was, wordt ondersteund door de gespreksgegevens in het dossier. Verder blijkt uit de chatberichten expliciet van seksuele bedoelingen van verdachte en dat verdachte heeft aangedrongen op een (snelle) ontmoeting. Het broertje van het meisje wordt alleen achtergelaten en verdachte neemt het meisje mee in zijn auto zonder dat de ouders hiervan op de hoogte waren. Verdachte moet hebben geweten dat de ouders van het meisje nooit toestemming zouden hebben gegeven voor de autorit met verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/661268-16

Tegenspraak (gemachtigde raadsvrouw)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 september 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] ,

De verdachte wordt bijgestaan door mr. W.M.L. van Koningsveld, advocaat kantoorhoudende te Oss.

Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 augustus 2017. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte opzettelijk een minderjarige aan het wettig gezag van haar ouders heeft onttrokken.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in de weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

De voorvragen

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in haar vervolging. Zij heeft daartoe drie argumenten aangevoerd, te weten schending van het ‘ne bis in idem’-beginsel, schending van de redelijke termijn en het meten met twee maten omdat met de aangifte van verdachte tegen degenen die hem hebben mishandeld door het openbaar ministerie niets is gedaan.

Ne bis in idem

Op 5 juli 2016 is verdachte onherroepelijk vrijgesproken van het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer] (parketnummer 659298-15). Nu onderhavig feit betrekking heeft op hetzelfde feitencomplex als in de eerdergenoemde strafzaak, is volgens de raadsvrouw sprake van een schending van het ‘ne bis in idem’-beginsel.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat er geen sprake is van schending van het ‘ne bis in idem’-beginsel, nu verdachte niet eerder is vervolgd voor onderhavig feit. De ontuchtzaak is geen onderwerp van vervolging, maar kleurt slechts onderhavig feit.

Het beginsel van ‘ne bis in idem’ is neergelegd in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Ingevolge het bepaalde in artikel 68, eerste lid, Sr kan niemand andermaal worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter in Nederland is beslist (hetzelfde feit). Of sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van het door artikel 68 Sr beschermde belang namelijk verhinderen dat een verdachte ten tweede male wordt vervolgd voor – naar de kern bezien – hetzelfde feit. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’ moeten de in beide tenlasteleggingen omschreven feiten worden vergeleken. Daarbij dienen als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken enerzijds de juridische aard van de feiten en anderzijds de gedraging van de verdachte. Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in bijzonder wat betreft de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de delictsomschrijvingen strekken en de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld. Indien de tenlasteleggingen niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedraging van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht. Vuistregel is dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr.1

De rechtbank is van oordeel dat de juridische aard van de feiten in het onderhavige geval verschilt. Er bestaat een verschil in de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken. De feiten op de tenlastelegging van de ontuchtzaak, te weten de artikelen 245 en 247 Sr, betreffen misdrijven tegen de zeden (Titel XIV Sr) en strekken tot bescherming van een jeugdige tegen het ondergaan van (ernstige) seksuele handelingen. Het feit op de tenlastelegging van onderhavig zaak, te weten artikel 279 Sr, betreft een misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid en strekt, hoewel daarmee ook beoogd wordt de minderjarige te beschermen, er primair toe degenen die wettig gezag (of bevoegd toezicht) over een minderjarige uitoefenen in staat te stellen om hun taak te vervullen. Voorts zien beide tenlasteleggingen op verschillende (feitelijke) gedragingen van de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is het verschil in aard van de aan de verdachte verweten feiten en in gedragingen dermate groot dat geen sprake kan zijn van ‘hetzelfde’ feit in de zin van het ‘ne bis in idem’-beginsel. Dat de eerder aan verdachte verweten seksuele handelingen plaats zouden hebben gevonden tijdens het feit dat hem thans wordt verweten, kan daaraan niet afdoen. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.

Redelijke termijn

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn zonder goede reden is geschonden. Verdachte is 25 maanden geleden aangehouden en het procesdossier is reeds gereed sinds 30 oktober 2015. Het openbaar ministerie had onderhavig feit kunnen meenemen in de vervolging voor ontucht, aangezien reeds acht maanden voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de ontuchtzaak door het openbaar ministerie een vervolging voor onderhavig feit is aangekondigd. Door deze nalatigheid van het openbaar ministerie is verdachte volgens de raadsvrouw benadeeld; hij is onnodig lang in onzekerheid verbleven over de afdoening.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat tijdens de behandeling van de ontuchtzaak reeds is aangekondigd dat verdachte voor onderhavig feit zal worden gedagvaard. De officier van justitie erkent een schending van de redelijke termijn, hetgeen tot uitdrukking zal komen in haar strafeis.

De rechtbank overweegt dat elke verdachte op grond van artikel 6, eerste lid, van het EVRM recht heeft op afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn, te weten in beginsel twee jaar nadat de termijn een aanvang heeft genomen. De rechtbank stelt vast dat die termijn in onderhavig geval is gaan lopen op 24 juli 2015, te weten de dag waarop verdachte in onderhavig onderzoek in verzekering is gesteld. Onderhavige zaak werd op 22 augustus 2017 op zitting aangebracht. Uit vorenstaande volgt dat in totaal op de datum van dit vonnis ruim twee jaar en één maand is verstreken sinds 24 juli 2015. Deze vertraging is niet aan verdachte te wijten. Dit betekent dat er in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim één maand. De rechtbank acht de mate van overschrijding niet zodanig dat dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.

Opportuniteitsbeginsel

De raadsvrouw stelt dat verdachte bij zijn aanhouding ernstig is toegetakeld (naar de rechtbank begrijpt door de ouders dan wel kennissen van de ouders van het slachtoffer). Als de politie niet had ingegrepen had verdachte het volgens zijn raadsvrouw misschien niet meer kunnen navertellen. Verdachte heeft hiervan direct aangifte gedaan. De raadsvrouw acht het kwalijk dat de politie destijds ter plaatse geen aanhoudingen heeft verricht en het openbaar ministerie geen onderzoekshandelingen heeft uitgevoerd naar aanleiding van de aangifte van verdachte. Degenen die verdachte in elkaar hebben geslagen, gaan hierdoor vrijuit. Volgens de raadsvrouw meet het openbaar ministerie dan ook met twee maten.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat is geprobeerd de camerabeelden van de vechtpartij te achterhalen. Deze waren echter niet meer beschikbaar. De officier van justitie ziet hierin geen reden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

De rechtbank overweegt dat het openbaar ministerie bepaalt welke verdachten zij vervolgt en welke niet (artikel 167 Sv). De zittingsrechter kan een beslissing van het openbaar ministerie om te vervolgen slechts marginaal toetsen. Van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan pas sprake zijn indien het instellen of voortzetten van een vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde. Onder de beginselen van goede procesorde valt het gelijkheidsbeginsel, op schending waarvan de raadsvrouw een beroep doet. De stellingen van de raadsvrouw die inhouden dat er onvoldoende onderzoek is gedaan door de politie naar aanleiding van de mishandeling van verdachte, geven de rechtbank onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat er een dusdanige schending van het gelijkheidsbeginsel is opgetreden door verdachte wel te vervolgen en de mishandelaars van verdachte niet, dat het vervolgen van verdachte onverenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel. De officier stelt dat er wel onderzoek is verricht naar aanleiding van de aangifte van verdachte, maar dat dit onvoldoende heeft opgeleverd. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.

De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het feit wordt bewezenverklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de twaalfjarige [slachtoffer] heeft gevraagd om in zijn auto te stappen, terwijl haar ouders niet wisten waar zij was. Weliswaar heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] hem heeft gezegd dat ze achttien jaar oud was, maar bij de ontmoeting moet verdachte het verschil van zes jaar hebben opgemerkt. [slachtoffer] is een gevoelig meisje en op die leeftijd zijn meisjes vaak onzeker, waardoor ze beïnvloedbaar zijn. Verdachte heeft daar misbruik van gemaakt. Indien verdachte slechts een praatje wilde maken met [slachtoffer] om haar beter te leren kennen, dan had dat gesprek kunnen plaatsvinden in het openbaar en derhalve in het bijzijn van haar broertje. Door [slachtoffer] in zijn auto mee te nemen, heeft hij haar onttrokken aan het gezag van haar ouders. Vanaf dat moment kon zij niet meer op eigen gelegenheid terugkeren naar haar ouders. Haar ouders waren in paniek en wisten niet waar [slachtoffer] was. Ze zouden er nooit toestemming voor hebben gegeven. Verdachte had uit de context moeten afleiden dat [slachtoffer] jonger was dan achttien jaar; ze moest voor veel dingen toestemming vragen aan haar ouders en voor haar broertje zorgen. Daarbij getuigen de chatgesprekken tussen [slachtoffer] en verdachte van een kinderlijke naïviteit bij [slachtoffer] . Dat [slachtoffer] ook een eigen aandeel heeft gehad in het gebeuren, laat onverlet dat verdachte invloed op haar heeft uitgeoefend en haar daarmee aan het gezag heeft onttrokken. Ten slotte staat een korte duur van onttrekking een veroordeling niet in de weg.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken. Zowel op de minderjarigheid van [slachtoffer] als op het onttrekken aan het gezag heeft verdachte geen opzet gehad. Verdachte wist niet dat [slachtoffer] geen achttien jaar oud was en het tegendeel kan niet worden aangenomen uitsluitend op basis van de verklaring van [slachtoffer] , hetgeen bovendien een onbetrouwbare verklaring is wegens inconsistenties. De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat de leeftijd van [slachtoffer] op basis van haar uiterlijk moeilijk is in te schatten. Daarbij kwam zij zeer volwassen over op verdachte in hun chatgesprekken. Nu verdachte ervan overtuigd was dat [slachtoffer] achttien jaar oud was, heeft hij evenmin opzet gehad op het onttrekken van [slachtoffer] aan het gezag. Gezag is immers niet meer van toepassing op een meisje van achttien jaar. Bovendien wist verdachte niet dat de ouders van [slachtoffer] niet op de hoogte waren van hun afspraak. Hij ging ervanuit dat het in orde was. Ten slotte heeft verdachte geen beslissende invloed gehad op de scheiding van [slachtoffer] met haar ouders. Die scheiding was reeds ontstaan op het moment dat [slachtoffer] zelfstandig naar de winkel ging. Vervolgens is zij geheel vrijwillig bij verdachte in de auto gestapt, waardoor zij zichzelf aan het gezag heeft onttrokken. Op initiatief van verdachte zijn verdachte en [slachtoffer] na tien minuten teruggegaan.

Het oordeel van de rechtbank 2

Bewijsmiddelen

Op 6 oktober 2015 heeft [moeder slachtoffer] , in het bijzijn van haar echtgenoot [vader slachtoffer] , aangifte gedaan van het opzettelijk onttrekken van haar dochter [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , aan het aan haar en haar echtgenoot toekomende ouderlijk gezag over [slachtoffer] . Zij heeft verklaard, zakelijk weergegeven, dat gezien is dat haar dochter – op dat moment 12 jaar oud – in de namiddag van donderdag 23 juli 2015 samen met de verdachte in Roermond in een auto zat. [slachtoffer] is zonder hun medeweten een poosje weggeweest met de verdachte in zijn auto.3

Op donderdag 23 juli 2015 heeft [slachtoffer] verklaard, zakelijk weergegeven, dat zij die dag omstreeks 17:45 uur met haar broertje naar het winkelcentrum bij de Donderberg is gegaan. Op een gegeven moment kwam verdachte. Verdachte heeft haar gevraagd of ze met hem naar een rustig plekje wilde. Ze heeft haar broertje achtergelaten in het speeltuintje en is bij verdachte in de auto gestapt. Verdachte reed naar een park en is daar gestopt. Na ongeveer tien minuten heeft ze gezegd dat ze terug wilde naar haar broertje. Verdachte heeft haar daarop teruggebracht naar het winkelcentrum. Zij kende verdachte als ‘ [bijnaam verdachte] ’ en had de verdachte twee dagen geleden toegevoegd op Instagram en haar telefoonnummer gegeven. Verdachte had haar de avond daarvoor rond half twaalf gebeld. Verdachte had gezegd dat hij haar mooi vond en dat hij haar in het echt wilde zien. Die dag had ze ook nog contact met hem gehad via WhatsApp. Hij vroeg haar om af te spreken. Hij wilde naar haar toe komen.4

Op 30 juli 2015 heeft [slachtoffer] verklaard, zakelijk weergegeven, dat verdachte haar heeft verzocht om hem toe te voegen op Instagram wat ze heeft gedaan. Hij vond haar profielfoto leuk en begon daarom met haar te praten. Haar leeftijd staat niet vermeld bij haar Instagramprofiel. Zij kon niet zien hoe oud verdachte was toen ze hem toevoegde. Verdachte vertelde dat ze mooi was en vroeg haar telefoonnummer om op WhatsApp te kunnen. Daar hebben ze verder gesproken en vroeg verdachte hoe oud ze was. Ze heeft gezegd dat ze veertien jaar oud was. Verdachte zei toen tegen haar dat ze een mooi lichaam had. Ze heeft aan hem gevraagd hoe oud hij was en hij zei dat hij achttien was. Ze had een selfie gemaakt met haar telefoon in de spiegel waarop haar lichaam te zien was. Verdachte zei tegen haar dat hij geil werd als hij haar zag. Hij zei dat zijn plassertje hard was. Hij vroeg haar ook haar borsten te laten zien. Verdachte heeft de dag voordat ze met hem had afgesproken op 22 juli 2015 rond 23:00 uur nog gebeld. Hij zei dat ze haar borsten moest laten zien en dan kon gaan slapen. Dat heeft ze niet gedaan. Ze heeft haar telefoon ingeleverd bij haar moeder en is gaan slapen. Op 23 juli 2015 heeft verdachte haar gezegd dat hij haar graag wilde zien. Zij had gezegd dat dit mogelijk was maar niet die dag omdat ze naar de bioscoop zou gaan en pas rond half zes weer buiten was. Ze zou dan met vriendinnen nog even naar buiten gaan. Verdachte vroeg haar of ze met de trein naar Den Bosch kon komen. Ze had gezegd dat dat niet mogelijk was. Verdachte had gezegd dat ze ook stiekem kon komen. Ze had gezegd dat ze dat niet wilde. Verdachte wilde haar echt heel graag zien. Ze is na de bioscoop met haar broertje naar de winkel gegaan. Ze kreeg toen een bericht van verdachte dat hij ook bij het winkelcentrum stond. In het winkelcentrum kwam een hele lange man naar haar toe die zei dat hij [bijnaam verdachte] was. Ze schrok omdat ze niet had verwacht dat hij zo heel lang was. Verdachte vroeg haar waarom ze haar broertje had meegenomen en of ze met hem mee kon gaan naar de auto. Ze zei dat het goed was om haar broertje naar de speeltuin te brengen. Ze is meegelopen naar de auto en verdachte zei dat ze naar een parkje zouden gaan. Ze vond het eng en weet niet waarom ze is ingestapt. Ze zijn naar een park gereden met gele goalen. Het was ongeveer vijf minuten rijden. Daar hebben ze een tijdje gestaan, ze denkt ongeveer vijf tot tien minuten. Op een gegeven moment heeft ze gezegd dat ze terug wilde naar haar broertje en toen is verdachte naar haar broertje gereden. Van verdachte weet ze alleen dat hij [bijnaam verdachte] heet, achttien jaar oud is en uit Den Bosch komt.5

De politie heeft onderzoek verricht aan de mobiele telefoon van [slachtoffer] . Uit het proces-verbaal van bevindingen van 31 augustus 2015 blijkt dat in de telefoon het mobiele nummer van verdachte is aangetroffen en zijn gebruikers ID’s op Skype en WhatsApp. Er zijn voorts chatberichten en logboekoproepen aangetroffen op WhatsApp tussen (het nummer van) verdachte en (het nummer van) [slachtoffer] tussen 23 juli 2015 1:12:12 en 24 juli 2015 11:30:57.

Verdachte schrijft in deze berichten meermalen dat hij [slachtoffer] lief vindt. Hij schrijft onder andere dat hij haar naakt wil zien en haar wil vingeren. Uit de berichten blijkt dat het initiatief om af te spreken van verdachte is uitgegaan. Verdachte heeft [slachtoffer] op 23 juli 2015 onder meer de volgende berichten geschreven:6

Tijd

Partij

Beschrijving

11:07:21

Van: verdachte

Kan je vanmiddag afspreken

11:07:59

Van: verdachte

Na de film

11:08:02

Van: [slachtoffer]

Naar: verdachte

Hoelaat?

11:08:19

Van: [slachtoffer]

Naar: verdachte

Ik ben pas om 16:30 thuis bby

11:08:23

Van: [slachtoffer]

Naar: verdachte

Waar?

11:08:35

Van: verdachte

Jaa buiten ergens

11:08:41

Van: [slachtoffer]

Naar: verdachte

Ik ga nog met paar klasgenoten chillen

11:08:49

Van: verdachte

Maar is kut

11:08:49

Van: [slachtoffer]

Naar: verdachte

Maar waar wilde je?

11:09:07

Van: verdachte

Ja jij kan niet naar mij komen ofwel

11:09:12

Van: verdachte

Met trein

11:09:26

Van: [slachtoffer]

Naar: verdachte

In den Bosch of roertje

11:09:26

Van: verdachte

Niet naar denbosch maar dichter bij

11:09:33

Van: verdachte

Dan is voor mij minder lang reizen

11:09:40

Van: [slachtoffer]

Naar: verdachte

Nee bby ♥

(…)

11:11:22

Van: verdachte

Naar Eindhoven

11:11:27

Van: verdachte

Ik betaal jou geld wel

11:11:35

Van: verdachte

Als je daar stiekem naar toe komt

11:11:45

Van: verdachte

Tot hoe laat mag je chillen

11:11:57

Van: verdachte

Is 45 min reizen

11:11:58

Van: verdachte

Voor jou

11:12:08

Van: [slachtoffer]

Naar: verdachte

Ik kijk wel okeyy bby

11:12:12

Van: verdachte

Kom daar dan stiekem heen

11:12:14

Van: [slachtoffer]

Naar: verdachte

Ik beloof nix

11:12:23

Van: verdachte

Ben je ooit met de trein gegaan?

11:12:28

Van: [slachtoffer]

Naar: verdachte

Ik mag meestal tot 22:00

11:12:30

Van: verdachte

Dan moet je niet gaan chillen met je klasgenoten

(…)

11:12:48

Van: [slachtoffer]

Naar: verdachte

K kijk bby

(…)

11:13:24

Van: verdachte

Je krijgt geld van mij

11:13:27

Van: [slachtoffer]

Naar: verdachte

Ja wat gaan we doen dan?

(…)

11:36:02

Van: verdachte

Ik kan wel naar Roermond komen?

11:36:20

Van: verdachte:

Maar dan ben ik in de middag bij joi

(…)

11:41:42

Van: [slachtoffer]

Naar: verdachte

Ja baby die film begint om 14:00

11:41:46

Van: verdachte

Jaaa

11:41:52

Van: verdachte

Beter ander x

11:41:55

Van: verdachte

Doen we afspreken

Verdachte heeft op 24 juli 2015 onder meer verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij [slachtoffer] heeft ontmoet via Instagram. Hij heeft haar daar een bericht gestuurd. Daarna gingen de berichten over en weer en hebben ze telefoonnummers uitgewisseld. Omdat zij vakantie had en hij gisteren toevallig vrij had, hebben ze afgesproken. Ze hebben afgesproken in het winkelcentrum in Roermond. Rond half zes kwam ze eraan en stapte hij uit de auto. Ze had haar broertje bij zich. Hij heeft tegen haar gezegd dat hij niet verwacht had dat ze haar broertje bij zich had en gedacht had met haar alleen te zijn. Hij heeft toen gevraagd of ze haar broertje niet thuis kon brengen zodat ze samen iets konden gaan doen. Toen had ze gezegd dat ze bang was dat ze zelf ook niet meer weg mocht als ze haar broertje naar huis zou brengen. Ze heeft haar broertje in de speeltuin achtergelaten, is bij hem in de auto gestapt en toen zijn ze gaan rondrijden. Als het goed is zijn ze tien à vijftien minuten weggeweest. Toen is hij teruggereden naar het winkelcentrum om terug te gaan naar haar broertje.7

Verdachte heeft op 26 juli 2015 onder meer verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij niet veel van [slachtoffer] weet. Hij weet dat ze thuis bij haar vader en moeder woont. Hij heeft tegen haar gezegd dat ze een mooi meisje was. Hij kende haar pas een dag.8

Overwegingen van de rechtbank

Verdachte wordt verweten dat hij de minderjarige [slachtoffer] opzettelijk aan het wettig gezag over haar gesteld gezag heeft onttrokken. Dit is strafbaar gesteld in artikel 279 Sr. Strekking van deze bepaling is degene die wettig gezag (of bevoegd toezicht) over een minderjarige uitoefenen, in staat te stellen hun taak te vervullen. Het is de bedoeling dat op die manier de minderjarige wordt beschermd.

Voor een bewezenverklaring moet vast komen staan dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de minderjarigheid van [slachtoffer] en de wettigheid van het gezag van haar ouders. Voorts zal bewezen moeten worden dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag.

Volgens vaste jurisprudentie kan elk doen verkeren van een minderjarige buiten het wettig gezag vallen onder het onttrekken aan het wettig gesteld gezag als bedoeld in artikel 279 Sr, waarbij ‘wettig over een minderjarige gesteld gezag’ ziet op een toestand die rechtens bestaat9. In geval van toestemming is (uiteraard) geen sprake van onttrekking. Van onttrekken is dan ook sprake in geval van het wegvoeren en/of buiten bereik van de gezagsdrager(s) houden van een minderjarige buiten medeweten en tegen de wil van de (andere) gezagdrager(s). De duur van de onttrekking is in beginsel niet van belang. Artikel 279 Sr is ook van toepassing op iemand die een minderjarige slechts voor korte tijd onttrekt aan het wettig over hem of haar gestelde gezag10. In geval sprake is van handelen van een derde, niet ouder, dient de betrokkene in zodanige mate te hebben bijgedragen aan de onttrekking dat geconcludeerd kan worden dat de betrokkene de minderjarige heeft onttrokken aan het wettig gezag en niet de minderjarige zelf11. De omstandigheden van het geval spelen daarbij een grote rol in de beoordeling van de vraag of van ‘onttrekking’ kan worden gesproken.

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte wist dat [slachtoffer] minderjarig was. [slachtoffer] heeft verklaard dat ze verdachte heeft verteld dat ze veertien jaar oud was. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer] op dit punt. Dat verdachte wist dat [slachtoffer] nog minderjarig was, wordt ondersteund door de gespreksgegevens in het dossier. Zo vraagt verdachte [slachtoffer] stiekem naar hem toe te komen en vraagt hij haar of ze ooit met de trein heeft gereisd. Verdachte heeft verder verklaard dat hij wist dat [slachtoffer] nog op school zat en [slachtoffer] appt hem dat ze meestal maar tot 22:00 uur mag ’s avonds, terwijl het op dat moment vakantie is. Tot slot heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] , op moment dat ze samen weg wilden, bang was dat ze zelf ook niet meer naar buiten zou mogen als ze haar broertje naar huis zou brengen. Vragen en gegevens die – zeker in combinatie – niet voor de hand liggen in geval van een achttienjarige. Ook het taalgebruik van [slachtoffer] in de chatberichten is niet het taalgebruik dat je verwacht bij een jongvolwassene van achttien jaar. Dat uit de chatgegevens niet blijkt dat de leeftijd van [slachtoffer] besproken is, maakt haar verklaring niet onbetrouwbaar. In de telefoon van [slachtoffer] zijn immers alleen chatgegevens van 23 juli 2015 aangetroffen en zij heeft verklaard dat zij verdachte op 22 juli 2015 heeft verteld dat ze veertien jaar is.

Het is een feit van algemene bekendheid dat minderjarigen in de regel onder gezag van een volwassene staan. Dit mag bij verdachte bekend worden verondersteld. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op de hoogte was van het feit dat [slachtoffer] bij haar ouders woonde.

Tot slot dient de vraag te worden beantwoord of verdachte [slachtoffer] opzettelijk heeft onttrokken aan het ouderlijk gezag.

Dat [slachtoffer] al aan het wettig gezag zou zijn onttrokken omdat zij zelfstandig naar de winkel ging, kan niet worden gevolgd. Het ‘wettig over een minderjarige gesteld gezag’ ziet immers op een rechtstoestand en niet op een feitelijke toestand. [slachtoffer] mocht bovendien van haar ouders naar de winkel.

De chatberichten bevatten, naar het oordeel van de rechtbank, geen leeftijdsadequate conversatie tussen een veertienjarige en een 21-jarige. Uit de chatberichten in het dossier blijkt expliciet van seksuele bedoelingen van verdachte in het contact met [slachtoffer] . Hij wil haar naakt zien en haar vingeren. Verdachte zou zich daarmee schuldig maken aan strafbare feiten. Voorts blijkt dat verdachte heeft aangedrongen op een (snelle) ontmoeting bij [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft verklaard dat ze aanvankelijk had gezegd dat dit niet kon. Ze had gezegd dat ze ‘s middags naar de bioscoop was en verzonnen dat ze daarna iets ging doen met klasgenoten. Toen had verdachte aangegeven dat ze dan beter een andere keer konden afspreken. Dit blijkt ook uit de chatberichten. Afgaande op de verklaring van verdachte is het hem later die dag bij telefonisch contact gelukt om toch met haar af te spreken bij het winkelcentrum. Het broertje van [slachtoffer] wordt alleen achtergelaten en verdachte neemt [slachtoffer] mee in zijn auto en gaat met haar rondrijden zonder dat de ouders van [slachtoffer] hiervan op de hoogte waren. Aldus heeft verdachte [slachtoffer] onttrokken aan het ouderlijk gezag. Gezien de omstandigheden waaronder een en ander heeft plaatsgevonden kan aangenomen worden dat verdachte dit met opzet heeft gedaan. Verdachte moet immers hebben geweten dat de ouders van [slachtoffer] nooit toestemming zouden hebben gegeven voor de autorit met verdachte.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 23 juli 2015 in de gemeente Roermond opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , heeft onttrokken aan het wettig over voornoemde minderjarige gestelde gezag, te weten [moeder slachtoffer] en [vader slachtoffer] , immers heeft verdachte zonder medeweten en toestemming van die [moeder slachtoffer] en [vader slachtoffer] die [slachtoffer] opgewacht bij een winkelcentrum, aan die [slachtoffer] gevraagd of zij met hem, verdachte, mee wilde gaan naar zijn, verdachtes, auto en is hij met die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, auto weggereden en heeft hij met die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, auto (enige tijd) stil gestaan en is hij vervolgens met die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, auto teruggereden naar voornoemd winkelcentrum en heeft hij aldus voornoemde minderjarige buiten het bereik en de invloedssfeer van die [moeder slachtoffer] en [vader slachtoffer] gebracht;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

het opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De straf en/of de maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. In haar strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met het overschrijden van de redelijke termijn en de omstandigheid dat onderhavige zaak niet gelijktijdig is behandeld met de ontuchtzaak.

Het standpunt van de verdediging

Naast de primair bepleitte vrijspraak heeft de raadsvrouw zich subsidiair op het standpunt gesteld dat het voor de hand ligt om in onderhavige zaak het adolescentenstrafrecht toe te passen gelet op de persoonlijkheid van verdachte. Verdachte heeft een benedengemiddeld intelligentieniveau en woonde ten tijde van het onderhavige feit nog thuis bij zijn ouders. Inmiddels woont verdachte zelfstandig, volgt hij cursussen om aan werk te komen en krijgt hij therapie via Kairos. Daarnaast onderhoudt verdachte contact met Humanitas en de reclassering. Ten slotte heeft de raadsvrouw over de persoonlijke omstandigheden van verdachte nog opgemerkt dat onderhavige vervolging – naast de ontuchtzaak – verdachte zwaar valt. Het heeft veel impact op verdachte en hij is nog altijd angstig voor verdere represailles.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft een afspraakje gemaakt met een twaalfjarig meisje, genaamd [slachtoffer] , en haar in zijn auto gevraagd zonder toestemming en medeweten van haar ouders. Met het meisje is verdachte naar een parkje gereden om aldaar enige tijd met zijn auto stil te staan. Verdachte had [slachtoffer] twee dagen eerder ontmoet op social media en met haar seksueel getinte gesprekken gevoerd. Hij heeft vervolgens aangedrongen op een afspraak. Verdachte heeft daarbij geen oog gehad voor de kwetsbare positie van [slachtoffer] in het contact met hem. Verdachte had als jongvolwassene een natuurlijk overwicht, waar hij misbruik van heeft gemaakt. Met zijn handelen heeft verdachte de ouders van [slachtoffer] in onzekerheid gebracht over het welzijn van hun dochter. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De rechtbank gaat bij het bepalen van de strafmaat uit van het volwassenenstrafrecht, zoals door de reclassering geadviseerd in het rapport van 11 februari 2016. Zij ziet geen aanleiding om in onderhavig geval van dit advies af te wijken.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd, is in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank ten voordele van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte op grond van hetzelfde politiedossier als de eerdergenoemde ontuchtzaak door het openbaar ministerie opnieuw in rechte is betrokken, terwijl de feiten gelijktijdig hadden kunnen worden afgedaan. De rechtbank is zich bewust van de extra belasting die dit voor verdachte met zich brengt. In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank tevens rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Zoals reeds besproken in de voorvragen onder 3.1 is er sprake van een overschrijding van ruim één maand, terwijl dit niet aan verdachte te wijten is.

De rechtbank acht het, mede gelet op de persoon van verdachte zoals daarvan uit de stukken blijkt, thans aangewezen om de door de officier van justitie gevorderde staf geheel voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren onder het stellen van bijzondere voorwaarden. De rechtbank acht behandeling noodzakelijk om de zorgelijke ontwikkeling waar het strafbare feit blijk van geeft, ten positieve te keren. De rechtbank wil voorts met de voorwaardelijke gevangenisstraf verdachte ervan weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen. Naar het oordeel van de rechtbank is het van belang dat verdachte hierbij hulp en ondersteuning krijgt van de reclassering.

Alles afwegende acht de rechtbank passend en geboden de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden. De bijzondere voorwaarden houden in een meldplicht en verplicht reclasseringstoezicht gedurende de proeftijd, ook als dat inhoudt dat verdachte een ambulante behandeling zal volgen.

De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 279 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

  1. dat de veroordeelde zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij Reclassering Nederland (telefoonnummer: 073-6408080) en zich hierna blijft melden zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht;

  2. dat de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt dat hij zal meewerken aan een diagnostisch onderzoek naar zijn psychoseksuele ontwikkeling en aan de daaruit voortvloeiende behandeling bij Kairos of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering en hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koster-van der Linden, voorzitter, mr. C. Wapenaar en mr. E.H.A.F.M. Krol, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Dijkhoff, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 5 september 2017.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 23 juli 2015 in de gemeente Roermond, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , heeft onttrokken aan het wettig over voornoemde minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over voornoemde minderjarige(n) uitoefende, (te weten [moeder slachtoffer] en/of [vader slachtoffer] ), immers heeft verdachte (in strijd met de afspraken en/of zonder medeweten en/of toestemming van die [moeder slachtoffer] en/of [vader slachtoffer] ) die [slachtoffer] opgewacht bij een winkelcentrum en/of aan die [slachtoffer] gevraagd of zij met hem, verdachte, mee wilde gaan naar zijn, verdachtes, auto en/of die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, auto doen plaats nemen en/of in laten stappen en/of hij met die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, auto is weggereden en/of heeft rondgereden en/of naar een parkeerplaats is gereden en/of hij met die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, auto (enige tijd) (op die parkeerplaats) heeft stil gestaan en/of hij (vervolgens) met die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, auto is teruggereden naar voornoemd winkelcentrum (en heeft hij aldus voornoemde minderjarige (telkens) buiten het bereik en/of de invloedssfeer van die [moeder slachtoffer] en/of [vader slachtoffer] gebracht en/of gehouden);

1 HR 1 februari 2011, ECLI:NLHR:2011:BM9102, m.n. r.o. 2.2.2. en 2.9.1 en 2.9.2.

2 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Limburg, divisie regionale recherche, afdeling expertisecentrum zeden, proces-verbaalnummer 2015138693, gesloten d.d. 22 oktober 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 158.

3 Proces-verbaal van aangifte door [moeder slachtoffer] d.d. 6 oktober 2015, p. 77-79.

4 Proces-verbaal van het op 23 juli 2015 met [slachtoffer] gevoerde informatieve gesprek zeden d.d. 24 juli 2015, p. 48-54.

5 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer] d.d. 30 juli 2015, p. 55-66.

6 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] d.d. 31 augustus 2015 met bijlage getiteld ‘Tijdslijn (334)’, p. 125-144.

7 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 24 juli 2015, p. 149-152.

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 26 juli 2015, p. 153-158.

9 HR 22 december 1953, NJ 1954, 478.

10 HR 13 december 1966, NJ 1967, 162.

11 HR 14 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3959, en ECLI:NL:PHR:2015:2570, m.n. onder 9 en 10.