Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:8607

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
06-09-2017
Zaaknummer
AWB-16_1959 en AWB-16_2199u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

AWACS, Vliegbasis Teveren-Geilenkirchen, Geluidhinder, Schadevergoeding, De minister van Defensie, De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, De NAVO-binnenvliegregeling, De Beleidsregel Nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014, Strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2017-0192

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/1959 en AWB 16/2199

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 september 2017 in de zaak tussen

1 de Vereniging Stop AWACS Overlast, statutair gevestigd in Brunssum, eiseres

en

de minister van Defensie

en de zaak tussen

2 [eiser] en anderen (in bijlage 1 bij deze uitspraak vermeld), eisers

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

AWB 16/1959

Bij besluit van 14 augustus 2012 heeft de minister van Defensie (de minister) het verzoek van eiseres om maatregelen te treffen die leiden tot beëindiging van de geluidoverlast door AWACS-vliegtuigen in Schinveld (gemeente Onderbanken) en Brunssum, althans het geluid te reduceren tot maximaal 88 dB(A) LAmax, afgewezen.

Bij besluit van 22 maart 2013 heeft de minister het bezwaar van 5 september 2012 dat eiseres tegen het besluit van 14 augustus 2012 heeft gemaakt, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van deze rechtbank van 20 januari 2015 (ECLI:NL:RBLIM:2015:377) heeft de rechtbank het beroep dat eiseres tegen het besluit van 22 maart 2013 heeft ingediend, ongegrond verklaard. Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft eiseres hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) ingesteld. De Afdeling heeft het beroep van eiseres bij uitspraak van 23 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:797) gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 2015 vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 22 maart 2013 vernietigd.

Omdat een nieuw besluit op het bezwaar van 5 september 2012 uitbleef, heeft eiseres op

23 juni 2016 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar. Bij besluit van 6 juli 2016 heeft de minister het nieuwe besluit op bezwaar bekendgemaakt. Eiseres heeft de rechtbank laten weten dat ze het niet eens is met het besluit van 6 juli 2016.

AWB 16/2199

Bij brief van 15 maart 2013 heeft de staatssecretaris van Milieu en Infrastructuur (de staatssecretaris) het verzoek om schadevergoeding van 22 januari 2013 afgewezen. Het verzoek strekt ertoe de verzoekers een schadevergoeding toe te kennen van € 1.500,- per persoon, per jaar, voor immateriële schade als gevolg van overlast van AWACS-vliegtuigen die gebruik maken van de vliegbasis Teveren-Geilenkirchen.

Bij besluit van 13 mei 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar van

20 maart 2013 niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van deze rechtbank van

10 juni 2015 (ECLI:NL:RBLIM:2015:4889) heeft de rechtbank het beroep dat eisers tegen dat besluit hebben ingediend ongegrond verklaard. Tegen de uitspraak van de rechtbank hebben eisers hoger beroep bij de Afdeling ingesteld. De Afdeling heeft het beroep van eisers bij uitspraak van 13 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:963) gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 10 juni 2015 vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 13 mei 2013 vernietigd.

Omdat een nieuw besluit op het bezwaar van 20 maart 2013 uitbleef, hebben eisers op

7 juli 2016 bij de Afdeling beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar. De Afdeling heeft het beroep aan de rechtbank doorgestuurd omdat de rechtbank bevoegd is op het beroep te beslissen. Bij besluit van 21 juli 2016 heeft de staatssecretaris het nieuwe besluit op bezwaar bekendgemaakt. Eisers hebben de rechtbank laten weten dat ze het niet eens zijn met het besluit van 21 juli 2016.

AWB 16/1959 en AWB 16/2199

De minister en de staatssecretaris hebben beiden een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017. De rechtbank heeft de zaken gevoegd behandeld.

Eiseres in zaak 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] .

[naam 1] is ook als één van de eisers in zaak 2 van [eiser] en anderen verschenen, alsmede ter vertegenwoordiging van [eiser] en [naam 2] . De andere eisers die in deze zaak verschenen zijn, zijn: [naam 86] , [naam 87] [naam 5] , mede ter vertegenwoordiging van [naam 6] , [naam 7] , [naam 88] , [naam 9] , mede ter vertegenwoordiging van [naam 10] en [naam 11] ,

[naam 12] , [naam 13] , [naam 91] , [naam 15] , [naam 16] ,

[naam 17] , [naam 18] [naam 19] mede ter vertegenwoordiging van [naam 20]

[naam 21] , [naam 22] , [naam 23] , [naam 24] , [naam 25] , [naam 26] , [naam 27] ,

[naam 28] , [naam 29] en [naam 30] [naam 31] , [naam 32] [naam 33] [naam 34] , [naam 35] , [naam 36] [naam 37] (Lanaken),

[naam 38] , [naam 37] (Oirsbeek), [naam 39]

De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.M. Besselink en

mr. A.J. van Heusden.

De staatssecretaris door mr. J.P.J. Geurts, mr. A. Bouma en [naam gemachtigde] .

Overwegingen

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op vier beroepen: twee beroepen tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar en twee van rechtswege ontstane beroepen tegen de besluiten van 6 juli respectievelijk 21 juli 2016. De rechtbank beoordeelt hierna eerst de beroepen van eiseres (zaak 1 AWB 16/1959) en vervolgens de beroepen van eisers (zaak 2 AWB 16/2199).

Zaak 1 AWB 16/1959

Ontvankelijkheid

2. De rechtbank stelt vast dat de minister met het besluit van 6 juli 2016 tegemoet is gekomen aan het beroep dat eiseres heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op het bezwaar van 5 september 2012. Omdat overigens niet is gebleken dat eiseres nog enig procesbelang heeft bij een beoordeling van dat beroep, zal de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank ziet geen beletsel eiseres in het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 6 juli 2016 te ontvangen. De rechtbank gaat daarom over tot beoordeling van dat beroep.

Beoordeling van het van rechtswege ontstane beroep

3. Daarvoor maakt de rechtbank eerst inzichtelijk wat de Afdeling heeft geoordeeld in de hiervoor vermelde uitspraak van 23 maart 2016, wat de inhoud is van het besluit van

6 juli 2016 en wat de gronden zijn die eiseres tegen dat besluit heeft aangevoerd, een en ander voor zover in het kader van deze uitspraak van belang.

4. De Afdeling heeft in de uitspraak van 23 maart 2016 geoordeeld dat de minister ten onrechte niet concreet is ingegaan op de hem in artikel 1, tweede lid, van de NAVO-binnenvliegregeling (regeling) gegeven bevoegdheid om de in het eerste lid bedoelde toestemming in te trekken, te wijzigen of aan - andere dan in de regeling gestelde - voorwaarden te onderwerpen. De minister had inzichtelijk moeten maken wat het afwegingskader van artikel 1, tweede lid, van de regeling is, welke belangen over en weer bij de afweging kunnen worden betrokken en welke belangenafweging aan de afwijzing van het verzoek van eiseres- het treffen van maatregelen ten aanzien van het maximale geluidsniveau veroorzaakt door de AWACS-vliegtuigen - ten grondslag ligt. De Afdeling heeft geoordeeld dat de minister niet dan wel onvoldoende is ingegaan op het aantal gehinderden, de mate van ondervonden geluidhinder en de kosten en consequenties van mogelijke maatregelen ter beperking van geluidhinder. De Afdeling acht het besluit van de minister daarom niet deugdelijk gemotiveerd.

5. De minister heeft aangegeven en uitgelegd dat zij met de haar op grond van artikel 1, tweede lid, van de regeling toekomende bevoegdheid terughoudend dient om te gaan. De minister heeft gesteld dat de AWACS-vliegtuigen alle in Nederland van toepassing zijnde regels naleven, aangegeven welke maatregelen zijn getroffen om geluidoverlast door AWACS-vliegtuigen in de regio te beperken en voorts welke maatregelen zijn onderzocht, maar niet haalbaar zijn gebleken. De minister heeft een belangenafweging gemaakt en op grond daarvan geconcludeerd dat er geen aanleiding is de hiervoor bedoelde bevoegdheid te hanteren om de toegang van AWACS-vliegtuigen tot het Nederlandse luchtruim verder te beperken.

6. Bij de belangenafweging heeft de minister betrokken dat de NAVO al alle inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van deze verdragsorganisatie kunnen worden verwacht en dat de NAVO bereidheid heeft getoond verdere geluidbeperkende maatregelen te onderzoeken. Verder heeft de minister de bereikte geluidreductie van 35% in aanmerking genomen, alsmede de omstandigheid dat deze reductie structureel is vastgehouden en minder vaak hoge piekgeluiden tot gevolg heeft.

Daarbij heeft de minister overwogen dat uit het onderzoek dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu in 2014 heeft uitgevoerd naar de invloed van lange termijnblootstelling aan (piek)geluid van passages van militair vliegverkeer in de Nederlandse regio rondom de vliegbasis Teveren-Geilenkirchen blijkt, dat tussen 2002 en 2012 de omvang van de hinder met ongeveer de helft en de omvang van de gezondheidseffecten met bijna twee derde is afgenomen. De minister legt daarbij een verband met de reductie van het aantal vliegbewegingen. De minister wijst er nog op dat het RIVM heeft vastgesteld dat de groep mensen van ongeveer 16.500 waarschijnlijk te klein is om in een vervolgonderzoek met voldoende zekerheid te kunnen stellen dat een verhoogd risico op vervroegde sterfte te maken heeft met de blootstelling aan geluid van militair vliegverkeer.

De minister heeft in dit verband verder aangehaald dat het RIVM Gezondheidsonderzoek Vliegbasis Teveren-Geilenkirchen in het najaar van 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden en dat het RIVM en TNO een aantal aanbevelingen en suggesties voor vervolgonderzoek hebben gedaan, waarover het afgelopen jaar gesprekken zijn gevoerd met bestuurders van de provincie Limburg en de gemeenten Onderbanken en Brunssum. De minister heeft ook gewezen op het overleg dat in de commissie AWACS wordt gevoerd.

De minister en de minister van Infrastructuur en Milieu hebben de wens uitgesproken met de regionale partijen te bekijken wat het meest effectief, haalbaar en realistisch is om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren, hetgeen geleid heeft tot gesprekken met regionale partijen en tot afspraken om een viertal specifieke thema’s uit te werken teneinde beleidskeuzes te kunnen maken.

Verder heeft de minister laten meewegen dat de geluidsniveaus van meer dan 100 dB(A) die blijkens de jaarrapportages van DGMR in Brunssum en Schinveld optreden niet uitzonderlijk zijn voor luchtvaarterreinen. De minister maakt een vergelijking met luchthaven Schiphol en de vliegbasissen Volkel en Leeuwarden. De minister wijst ook op het feit dat, anders dan de hiervoor vermelde luchthaven en vliegbasissen, de vliegbasis Teveren-Geilenkirchen hoofdzakelijk door de week en overdag wordt gebruikt.

De minister meent dat de gevraagde beperking tot 88 dB(A) LAmax alleen kan worden bereikt door AWACS-vliegtuigen de toegang tot het Nederlandse luchtruim te ontzeggen en acht dat voor de NAVO onevenredig bezwarend. Volgens de minister zou dit leiden tot het einde van het gebruik van de vliegbasis Teveren-Geilenkirchen, daarmee tot het zeer ernstig belemmeren van de essentiële taak die de NATO Early Warning Force, die de vliegbasis gebruikt, uitvoert, en daarom onaanvaardbaar zijn. Een verbod past volgens de minister ook niet bij de verdragsrechtelijke verplichtingen tot wederzijdse hulp en bondgenootschappelijke samenwerking en kan leiden tot wederkerige beperkingen voor het vliegen van Nederlandse militaire vliegtuigen in andere NAVO-landen, hetgeen de minister vanuit het oogpunt van operationaliteit van de Koninklijke Luchtmacht ook onaanvaardbaar vindt.

7. Namens eiseres is tegen het besluit van 6 juli 2016 aangevoerd dat de minister geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2016 door de specifiek aangeduide gegevens niet concreet te verstrekken en de handreikingen van eiseres daarbij behulpzaam te zijn, te negeren. Volgens eiseres heeft de minister alleen eerder verwoorde standpunten herhaald en is zij niet - zoals de rechtbank eiseres begrijpt - ingegaan op de door de Afdeling geformuleerde gronden voor de vernietiging van het eerder genomen besluit op bezwaar van 22 maart 2013.

Eiseres heeft voorts een beroep gedaan op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Zij verzoekt de rechtbank haar een schadevergoeding toe te kennen voor overschrijding van de redelijke termijn.

8. Ter zitting is namens eiseres ter toelichting van het beroep nog aangevoerd dat minder vliegbewegingen niet voor minder geluidoverlast zorgen omdat de omwonenden nog steeds dagelijks met hoge piekgeluiden worden geconfronteerd. De herhaling zorgt volgens eiseres juist voor stress en herhaling wordt door minder vluchten niet voorkomen. Verwezen is ook naar de lange duur van de overlast.

9. Verder begrijpt eiseres niet hoe het kan dat de AWACS-vliegtuigen in haar regio nog mogen worden gebruikt, terwijl deze toestellen, vanwege de geluidoverlast en milieuvervuiling die ze teweeg brengen, in Amerika als sinds de tachtiger jaren niet meer mogen vliegen. Eiseres heeft in dit verband voorts aangegeven dat toestellen als de AWACS-vliegtuigen sindsdien niet zijn toegestaan in de burgerluchtvaart in de Europese Gemeenschap en dat het ook daarom onbegrijpelijk is dat dit type vliegtuigen hier mag blijven vliegen.

10. Namens eiseres is verder nog gesteld dat, nadat de berekeningen voor de geluidscontouren zijn gemaakt en de presanering voor geluidwerende voorzieningen voltooid was, de vliegroute en de hoek waaronder AWACS-vliegtuigen moeten opstijgen met vier graden zuidwaarts respectievelijk van 12 naar 7,5 graden zijn veranderd.

11. Eén van de gemachtigden van de minister heeft ter zitting, in reactie op hetgeen namens eiseres is aangevoerd, aangegeven dat het belang van de NAVO is dat de AWACS-vliegtuigen in het belang van alle lidstaten kunnen worden gebruikt. Verplaatsing van de vliegbasis zou volgens de minister leiden tot het verplaatsen van het probleem en te kostbaar zijn. Ook zou er geen andere maatregel zijn om eiseres tegemoet te kunnen komen dan de vliegbasis te sluiten. Voor sluiting zou de overlast echter niet ernstig genoeg zijn.

Daarbij is het belevingsonderzoek dat het RIVM in 2008 in de regio heeft uitgevoerd aangehaald en op grond daarvan benadrukt dat rekening is gehouden met de ervaren overlast.

12. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die namens eiseres tegen het besluit van 6 juli 2016 zijn aangevoerd en de toelichting daarop ter zitting. Het door verweerder toegepaste wettelijk kader is weergegeven in bijlage 2 bij de uitspraak.

13. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat de minister de in de uitspraak van

23 maart 2016 geformuleerde opdracht van de Afdeling onvoldoende is nagekomen.

13.1

Op grond van de uitspraak van de Afdeling had de minister de individueel ervaren overlast in kaart dienen te brengen en mede in overweging dienen te nemen. De rechtbank mist dit in het besluit van 6 juli 2016. De rechtbank is van oordeel dat de minister met verwijzing naar het in 2014 door het RIVM gehouden gezondheidsonderzoek, de verwijzing naar het in 2008 gehouden belevingsonderzoek en de conclusies dat de overlast is afgenomen en de effecten ervan op de gezondheid zijn verminderd, niet aan de opdracht heeft voldaan. Deze onderzoeken en conclusies waren immers al bij de Afdeling bekend toen de uitspraak van 23 maart 2016 werd gedaan. De Afdeling heeft de gestelde overlast reeds eerder als ernstig gekwalificeerd. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van

7 april 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BM0231). Ondanks deze onderzoeken en de in dat kader ondernomen stappen oordeelt de Afdeling op 23 maart 2016 opnieuw dat de minister niet dan wel onvoldoende is ingegaan op – onder meer – het aantal gehinderden, de mate van hinder en de kosten en consequenties van mogelijke maatregelen ter beperking van geluidhinder. Verweerder heeft daarom niet kunnen volstaan met het aanhalen van de onderzoeken en conclusies.

De minister had tevens, zo begrijpt de rechtbank de uitspraak van de Afdeling, onderzoek moeten doen naar de mate van overlast die alle gehinderden tegenwoordig van AWACS-vliegtuigen ervaren en de resultaten daarvan bij de beoordeling dienen te betrekken. Door dit na te laten, heeft de minister de belangen van de gehinderden onvoldoende geïnventariseerd en daarmee ook onvoldoende in de belangafweging betrokken.

De rechtbank merkt op dat de minister door dit verzuim in elk geval (maar niet uitsluitend) ten onrechte niet mede in overweging heeft genomen de ervaring van betrokkenen dat minder vliegbewegingen niet leiden tot minder overlast. Ter zitting is aangegeven dat juist de herhaling van hoge piekgeluiden stress veroorzaakt en dat de herhaling van hoge piekgeluiden door een vermindering van vliegbewegingen niet teniet wordt gedaan.

Ook de eventuele invloed van tijdsverloop op het ervaren van overlast is door de aanpak van de minister onderbelicht gebleven.

13.2

In het kader van het inzichtelijk maken van de kosten en consequenties van mogelijke maatregelen ter beperking van geluidhinder, welke aspecten de minister op grond van de Afdelingsuitspraak kenbaar had dienen te maken, mist de rechtbank een onderzoek naar het effectiviteit van de isolatiemaatregel die één van de rechtsvoorgangers van de minister van Infrastructuur en Milieu in 1981 heeft genomen, gelet op het lange tijdsverloop sindsdien en de huidige isolatiemaatstaven. Daarbij wijst de rechtbank op de niet door de minister betwiste, nadien gewijzigde vliegroute.

De rechtbank ziet ook de beraming van kosten van mogelijke maatregelen niet in het besluit van 6 juli 2016 weergegeven.

13.3

De rechtbank merkt verder op dat de minister in dit verband ook niet alle mogelijke maatregelen die de geluidhinder zouden kunnen beperken, kenbaar heeft gemaakt. De aanbevelingen van Landrum en Brown uit 2009, waarop eiseres zich beroept, zien in elk geval op meer maatregelen dan de maatregelen die de minister in het besluit van 6 juli 2016 heeft toegelicht.

13.4

Voorts acht de rechtbank, in het kader van het door de Afdeling gevraagde onderzoek naar mogelijke maatregelen ter beperking van geluidhinder, het aangewezen dat de minister beoordeelt of ‘een andere voorwaarde’, als bedoeld in het tweede lid van artikel 1 van de regeling, zou kunnen zijn dat de AWACS-vliegtuigen die het Nederlandse luchtruim mogen gebruiken niet de tegenwoordig in gebruik zijnde AWACS-vliegtuigen mogen zijn waarvan betrokkenen overlast hebben, alsmede dat standpunt te motiveren.

De minister heeft deze minder vergaande maatregel – dan sluiting van de vliegbasis – niet onderzocht, terwijl dat wel van haar had mogen worden verwacht. De minister heeft weersproken noch betwist dat de AWACS-vliegtuigen waarvan betrokkenen overlast

ondervinden, vanwege de geluidhinder die ze teweeg brengen, in Amerika al sinds de tachtiger jaren niet meer mogen vliegen en dat dit type toestellen in de burgerluchtvaart in Europa niet is toegestaan. De minister had dan ook moeten onderzoeken of deze omstandigheden reden zouden kunnen zijn om voormelde ‘andere voorwaarde’ aan de toestemming tot het gebruik van het Nederlandse luchtruim te verbinden. Omdat dit is nagelaten, draagt de rechtbank de minister op dat alsnog te doen.

14. Gelet op de hiervoor onder 13.1 tot en met 13.4 gegeven overwegingen heeft de minister met het besluit van 6 juli 2016 niet al de door de Afdeling geconstateerde gebreken hersteld. Het betoog van eiseres dat verweerder met het besluit van 6 juli 2016 geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van

23 maart 2016 slaagt. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen omdat het niet met de nodige zorgvuldigheid tot stand is gebracht en een deugdelijke motivering mist. Het besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal de minister opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van (de overwegingen onder 13.1 tot en met 13.4 in) deze uitspraak.

Zaak 2 AWB 16/2199

Procespartijen

15. De rechtbank stelt op grond van het beroepschrift vast dat het beroep van [eiser] en anderen tegen het niet tijdig nemen van een besluit is ingesteld namens alle appellanten in de zaak 201504954. De zaak 201504954 is de zaak die geleid heeft tot de hiervoor vermelde uitspraak van de Afdeling van 13 april 2016. Blijkens het hogerberoepschrift is het hoger beroep ingesteld namens de 180 appellanten die in de hiervoor vermelde uitspraak van de rechtbank van 10 juni 2015 individueel zijn vermeld. Gelet hierop is het onderhavige beroep ingesteld door de 180 met naam in de uitspraak van de rechtbank van 10 juni 2015 vermelde eisers.

16. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2016 blijkt dat ook

[naam 14] ter zitting bij de Afdeling aanwezig was. [naam 14] heeft tegenover de rechtbank verklaard bij de Afdeling het woord te hebben gevoerd en dat hij dat in eigen naam heeft gedaan. [naam 14] staat echter niet in de lijst van eisers in de uitspraak van de rechtbank van 10 juni 2015. Omdat uit de uitspraak van de Afdeling niet blijkt dat [naam 14] geen appellant in de zaak 201504954 was, moet de rechtbank er vanuit gaan dat hij dat wel was en beschouwt de rechtbank [naam 14] daarom ook als één van de eisers die beroep hebben ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van 20 maart 2013.

17. De rechtbank stelt vast dat T. [naam 40] , die de rechtbank bij ongedateerde brief, ingekomen op 30 maart 2017, heeft bericht ook één van de eisers in de zaak met registratienummer AWB16/2199 te zijn, niet één van de hiervoor vermelde 181 eisers is. Omdat ook niet uit de hiervoor vermelde uitspraak van de Afdeling is af te leiden dat [naam 40] anderszins als eiser te beschouwen is, merkt de rechtbank [naam 40] niet aan als één van de eisers die het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit hebben ingediend.

Voor zover zijn brief echter zou moeten worden opgevat als beroep tegen het reële besluit van 21 juli 2016 merkt de rechtbank [naam 40] wel als eiser aan.

Ontvankelijkheid

18. De rechtbank stelt vast dat eisers [naam 41] , [naam 42] en

[naam 43] inmiddels zijn overleden en dat de erfgenamen zich niet in deze procedure hebben gesteld. Beide beroepen, het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van 20 maart 2013 en het beroep dat van rechtswege is ontstaan tegen het bestreden besluit van 21 juli 2016, zijn daarom, voor zover ze zijn ingediend namens deze drie eisers, niet-ontvankelijk.

19. Gesteld noch gebleken is dat het bezwaar van 20 maart 2013 mede namens eisers

[naam 44] , [naam 45] , [naam 46] en [naam 47] is gemaakt. Dit heeft tot gevolg dat verweerder ten aanzien van deze vier eisers niet in gebreke is tijdig te beslissen, hetgeen wel vereist is om beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit te kunnen instellen. Omdat zij geen bezwaar hebben gemaakt, terwijl dat voor een ontvankelijk beroep wel vereist is, staat ook de mogelijkheid van beroep tegen het bestreden besluit van 21 juli 2016 niet voor hen open. Daarom kunnen deze eisers in beide beroepen niet worden ontvangen.

20. Zoals gezegd heeft de rechtbank [naam 40] als eiser aangemerkt voor zover zijn hiervoor vermelde brief aan de rechtbank zou moeten worden geduid als beroep tegen het reële besluit van 21 juli 2016. Echter, nog daargelaten dat het beroep veel te laat is ingediend, heeft ook hij niet eerst bezwaar gemaakt en is daarom ook zijn beroep niet-ontvankelijk.

21. De andere hiervoor niet eerder met naam vermelde eisers hebben naar het oordeel van de rechtbank geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun bezwaar van 20 maart 2013. Het beroep was immers gericht op het verkrijgen van een nieuw besluit op bezwaar en dat hebben eisers met het besluit van 21 juli 2016 gekregen. De rechtbank zal dat beroep daarom ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

22. Hetgeen de rechtbank hiervoor onder 18 tot en met 21 heeft overwogen, betekent dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van 20 maart 2013, weliswaar op verschillende gronden, integraal niet-ontvankelijk is. Het betekent ook dat het beroep tegen het bestreden besluit van 21 juli 2016 dat van rechtswege is ontstaan deels, wat betreft de hiervoor onder 18 tot en met 20 met naam vermelde eisers, niet-ontvankelijk is. De rechtbank ziet echter geen beletsel de andere hiervoor onder 18 tot en met 20 niet eerder met naam vermelde eisers in het van rechtswege ontstane beroep tegen het bestreden besluit van 21 juli 2016 te ontvangen. De rechtbank gaat daarom over tot beoordeling van dat beroep.

Beoordeling van het van rechtswege ontstane beroep

23. Evenals in de zaak AWB 16/1959 maakt de rechtbank daarvoor eerst inzichtelijk wat de Afdeling heeft geoordeeld in de hiervoor vermelde uitspraak van 13 april 2016, wat de inhoud is van het besluit van 21 juli 2016 en wat de gronden zijn die eisers tegen dat besluit hebben aangevoerd, een en ander voor zover in het kader van deze uitspraak van belang.

24. De Afdeling heeft in de uitspraak van 13 april 2016 geoordeeld dat de staatssecretaris het verzoek van eisers om schadevergoeding ten onrechte niet heeft opgevat als een verzoek om toepassing van de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 (inmiddels de Beleidsregel Nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 (de Beleidsregel)). De staatssecretaris had eisers in de gelegenheid moeten stellen aan te geven van welke rechtmatige uitoefening door of namens de minister van Infrastructuur en Milieu of één van haar rechtsvoorgangers van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak de gestelde schade het gevolg is (omdat dit niet uit het verzoek om schadevergoeding blijkt). In de omstandigheden van dit geval had de staatssecretaris zo nodig zelf moeten onderzoeken of een rechtmatige taak- of bevoegdheidsuitoefening tot de door eisers gestelde overlast kan hebben geleid. De staatssecretaris heeft dat ten onrechte nagelaten en daarmee gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

25. Bij besluit van 21 juli 2016 heeft de Staatssecretaris opnieuw op het bezwaar van eisers beslist. De staatssecretaris heeft aangegeven dat het kader voor het nieuwe besluit wordt gevormd door de hiervoor vermelde uitspraak van de Afdeling. De staatssecretaris is eerst aan de hand van de door eisers als schadeveroorzakende benoemde besluiten nagegaan of de Beleidsregel een grondslag biedt om het verzoek om schadevergoeding van eisers te kunnen inwilligen. De staatssecretaris heeft de volgende opsomming gegeven van de besluiten die eisers als schadeveroorzakende besluiten hebben benoemd:

a. beslissingen tot het toelaten van AWACS-vliegtuigen in het Nederlandse luchtruim;

b. in het kader van internationaal overleg genomen beslissingen met betrekking tot het voorkomen van geluidsoverlast;

c. beslissingen met betrekking tot de geluidzonering/geluidnormering;

d. beslissingen met betrekking tot isolatie;

e. beslissingen met betrekking tot bomenkap en

f. beslissingen met betrekking tot de vernietiging van de provinciale milieuverordening.

De staatssecretaris heeft voorop gesteld dat de Beleidsregel geen basis biedt voor nadeelcompensatie veroorzaakt door onrechtmatig handelen, besluiten of handelingen van andere ministers en formele wetgeving of algemene maatregelen van bestuur.

26. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de Beleidsregel geen grondslag biedt voor de gevraagde schadevergoeding. De schade die eisers stellen te hebben geleden is volgens de staatssecretaris niet het gevolg van de rechtmatige uitoefening door of namens haar van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregel, hetgeen voorwaarde is om een beroep op de Beleidsregel te kunnen doen. De staatssecretaris heeft vastgesteld dat er geen schadeveroorzakend besluit van haar of een rechtsvoorganger van de minister van Infrastructuur en Milieu aan de overlast die eisers ervaren ten grondslag ligt.

27. De beslissingen onder a zijn volgens de staatssecretaris geen besluiten op grond waarvan zij of de minister van Infrastructuur en Milieu een publiekrechtelijke bevoegdheid of taak kan uitoefenen. Ter zake is volgens de staatssecretaris primair de minister van Defensie bevoegd. De beslissingen onder b en c vinden basis in formele wetgeving of een algemene maatregel van bestuur en kunnen volgens de staatssecretaris daarom geen grondslag bieden voor schadevergoeding op grond van de Beleidsregel. De beslissingen onder d dienen volgens de staatssecretaris juist om geluidoverlast terug te dringen en de beslissingen onder e en f zijn onrechtmatig beoordeeld en kunnen daarom geen grondslag zijn voor schadevergoeding op grond van de Beleidsregel. Daarbij heeft de staatssecretaris aangegeven dat de schade veroorzaakt door de onrechtmatige besluitvorming is vergoed.

28. Blijkens het bestreden besluit heeft de staatssecretaris ook een eigen onderzoek verricht. Daarvoor heeft zij verwezen naar haar eerdere overwegingen waarin zij het standpunt heeft ingenomen dat de schade die eisers stellen niet wordt veroorzaakt door besluiten die van haar zijde zijn genomen. Voorts heeft zij zich op het standpunt gesteld dat haar niet is gebleken dat een rechtmatige taak of bevoegdheid harerzijds tot de overlast die eisers stellen te ondervinden kan hebben geleid.

29. Eisers hebben aangevoerd dat de staatssecretaris de uitspraak van de Afdeling niet heeft nageleefd.

Eiser [eiser] heeft aanvullend (onder meer) nog aangegeven dat de lange duur van de procedure reden geeft voor een schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn.

30. Ter zitting heeft een aantal eisers het beroep toegelicht. Eisers hebben benadrukt dat het besluit van 21 juli 2016, bezien in het licht van de uitspraak van de Afdeling, niet deugt. In dit verband is aangevoerd dat de staatssecretaris de opdracht te beperkt heeft opgevat door alleen te onderzoeken of een besluit de schade kan hebben veroorzaakt.

31. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die eisers tegen het besluit van 21 juli 2016 hebben aangevoerd en de toelichting daarop ter zitting. De Beleidsregel is, voor zover voor de beoordeling van belang, weergegeven in bijlage 2 bij de uitspraak.

32. De rechtbank is met eisers van oordeel dat de staatssecretaris de opdracht van de Afdeling niet, althans niet geheel is nagekomen.

32.1

In de aanhef van het Besluit tot regeling toelating vreemde militaire luchtvaartuigen binnen Nederlands rechtsgebied is vermeld dat het besluit mede op voordracht van één van de rechtsvoorgangers van de minister van Infrastructuur en Milieu (minister) is genomen. In de aanhef van de NAVO-binnenvliegregeling is aangegeven dat de regeling na overleg met één van de rechtsvoorgangers van de minister tot stand is gekomen. Voorts is de minister naast de minister van Defensie vertegenwoordigd in en dus lid van de Commissie AWACS Limburg die de Provincie Limburg heeft opgericht in het kader van milieubescherming.

Gelet op deze gegevens had de staatssecretaris niet kunnen volstaan met de vermelding dat de minister van Defensie primair verantwoordelijk is voor het toelaten van AWACS-vliegtuigen tot het Nederlandse luchtruim. Het had op de weg van de staatssecretaris gelegen de reikwijdte van haar betrokkenheid nader te duiden. Namens de staatssecretaris is ter zitting weliswaar aangegeven dat de staatssecretaris de bevoegdheden die de minister van Defensie op grond van de Navo-binnenvliegregeling heeft, niet heeft en dat de staatssecretaris en de minister van Defensie in dit geval samen optrekken, maar dat alleen acht de rechtbank onvoldoende motivering voor het standpunt dat de staatssecretaris zelf in dit kader, gelet op de hiervoor opgesomde gegevens, geen (enkele) ‘taak of bevoegdheid’ heeft.

32.2

De rechtbank acht het door de staatssecretaris verrichte onderzoek voorts te beperkt. Uit het besluit van 21 juli 2016 blijkt niet dat haar onderzoek verder strekt dan het verwerken van de informatie die eisers hebben aangedragen. De rechtbank ziet in het besluit van

21 juli 2016 niet terug dat de staatssecretaris heeft onderzocht of er sprake is (geweest) van ‘handelen’ dat de schade – die eisers stellen te hebben geleden en nog lijden – kan hebben veroorzaakt. De staatssecretaris heeft weliswaar overwogen dat haar ook anderszins niet is gebleken dat een rechtmatige taak of bevoegdheid van haar zijde kan hebben geleid tot de overlast die eisers stellen te ondervinden, maar deze overweging acht de rechtbank onvoldoende concreet om uit af te leiden dat de staatssecretaris onderzoek heeft gedaan naar het hiervoor omschreven ‘handelen’. Zij heeft daarmee ook overigens niet concreet gemaakt wat zij verder nog onderzocht heeft om het schadevergoedingsverzoek af te kunnen doen op basis van de regeling.

Ter zitting is namens de staatssecretaris gesteld dat het gehele onderzoek onder de scoop van besluit, handelen en nalatig handelen is uitgevoerd, maar dat blijkt niet uit het besluitbereik.

33. Gelet op de hiervoor onder 32.1 en 32.2 gegeven overwegingen heeft de staatssecretaris met het besluit van 21 juli 2016 niet al de door de Afdeling geconstateerde aan de besluitvorming klevende gebreken hersteld. Het betoog van eisers dat verweerder met het besluit van 21 juli 2016 de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2016 niet heeft nageleefd, slaagt daarom. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het besluit van

21 juli 2016 vernietigen omdat het niet met de nodige zorgvuldigheid is genomen en een deugdelijke motivering mist. Het besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank zal de staatssecretaris opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van (de overwegingen 32.1 en 32.2 in) deze uitspraak.

Zaak 1 (AWB 16/1959) en zaak 2 (AWB 16/2199)

Finale geschilbeslechting

34. In beide procedures is verzocht om finale beslechting van het geschil door vernietiging van het nieuwe besluit op bezwaar en vervolgens zelf in de zaak te voorzien. In zaak 1 is verzocht een verbod tot het Nederlandse luchtruim uit te spreken voor alle AWACS-vliegtuigen met een geluidbelasting van meer dan 88 dB(A) LAmax. In zaak 2 is verzocht zelf te beslissen op het schadeverzoek.

De rechtbank begrijpt dat eisers in deze reeds lang slepende procedures hierom verzoeken, te meer omdat erkend is dat sprake is van ernstige geluidhinder. Gelet echter op de opdrachten aan de minister en de staatssecretaris die nog openstaan, ziet de rechtbank geen mogelijkheid zelf in de zaken te voorzien.

Redelijke termijn

35. In beide procedures is ook verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

36. Op grond van artikel 6, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

37. Uit het overgangsrecht bij de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Wns) volgt dat voor schade veroorzaakt door een besluit dat werd bekendgemaakt voor het tijdstip waarop de Wns in werking trad – 1 juli 2013 – het recht zoals dat voor dat tijdstip gold van toepassing blijft.

38. Voor de toepassing van het overgangsrecht voor verzoeken om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is relevant op welk moment het besluit op bezwaar is bekendgemaakt in de procedure waarop het verzoek ziet.

De vernietigde besluiten op bezwaar van 22 maart 2013 en 13 mei 2013 zijn bekendgemaakt vóór 1 juli 2013. De rechtbank merkt de verzoeken om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn daarom aan als verzoeken op grond van artikel 8:73 van de Awb (oud).

39. De redelijke termijn is aangevangen op het moment waarop de bezwaarschriften door de minister en de staatssecretaris op 7 september 2012 respectievelijk 20 maart 2013 zijn ontvangen. Omdat de besluiten waartegen de bezwaren zijn gericht dateren van vóór

1 februari 2014, namelijk 14 augustus 2012 respectievelijk 15 maart 2013, geldt voor deze procedures nog een redelijke termijn van vijf jaar (in plaats van de termijn van vier jaar die geldt voor besluiten die ná 1 februari 2014 bekend zijn gemaakt). De rechtbank verwijst naar de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Widdershoven van 23 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1586) en de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014

(ECLI:NL:RVS:2014:188).

40. Gelet hierop is de redelijke termijn in beide zaken nog niet verstreken. Sinds de ontvangst van de bezwaarschriften door de minister en de staatssecretaris op 20 maart 2013 respectievelijk 7 september 2012 zijn immers nog geen vijf jaar verlopen. De rechtbank wijst de verzoeken om schadevergoeding daarom af.

Griffierecht en proceskosten

41. Omdat de rechtbank de van rechtswege ontstane beroepen (deels) gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de minister en de staatssecretaris aan eiseres respectievelijk eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

42. De rechtbank veroordeelt de minister en de staatssecretaris in de door eiseres en eisers gemaakte proceskosten, bestaande uit de reiskosten die zijn gemaakt voor het kunnen bijwonen van de zitting. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 525,- (€ 15,- per persoon).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

- verklaart het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 21 juli 2016 niet-ontvankelijk voor zover ingediend door de eisers vermeld onder 18 tot en met 21;

- verklaart dat beroep overigens gegrond;

- verklaart het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 6 juli 2016 gegrond;

- vernietigt de besluiten van 6 juli 2017 en 21 juli 2017;

- draagt de minister en de staatssecretaris op binnen een redelijke termijn na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst de verzoeken om schadevergoeding af;

- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eiseres te vergoeden;

- draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt de minister en de staatssecretaris in de proceskosten van eiseres (€ 15,-) en eisers (€ 510,-) tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzitter, mr. M.A. Teeuwissen en mr. E.M.J. Hardy, leden, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 6 september 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

bijlage 1

1. [naam 91] , te Brunssum,

2. [naam 48] , te Brunssum,

3. [naam 49] , te Brunssum,

4. [naam 50] , te Oirsbeek,

5. [naam 51] , te Brunssum,

6. [naam 51] , te Brunssum,

7. [naam 52] , te Bingelrade,

8. [naam 53] , te Brunssum,

9. [naam 54] , te Schinveld,

10. [naam 55] te Oirsbeek,

11. [naam 56] , te Brunssum,

12. [naam 57] , te Brunssum,

13. [naam 6] , te Oirsbeek,

14. [naam 18] te Schinveld,

15. [naam 58] , te Brunssum,

16. [naam 59] , te Schinveld,

17. [naam 23] , te Merkelbeek,

18. [naam 60] , te Bingelrade,

19. [naam 22] , te Brunssum,

20. [naam 61] , te Oirsbeek,

21. [naam 62] , te Brunssum,

22. [naam 63] , te Brunssum,

23. [naam 64] , te Oirsbeek,

24. [naam 65] , te Schinveld,

25. [naam 66] , te Brunssum,

26. [naam 23] , te Merkelbeek,

27. [naam 34] , te Schinveld,

28. [naam 33] te Schinveld,

29. [naam 67] , te Schinveld,

30. [naam 68] , te Schinveld,

31. [naam 69] , te Schinveld,

32. [naam 70] , te Schinveld,

33. [naam 71] , te Schinveld,

34. [naam 197] , te Landgraaf,

35. [naam 24] , te Brunssum,

36. [naam 72] , te Oirsbeek,

37. [naam 73] te Oirsbeek,

38. [naam 74] , te Brunssum,

39. [naam 75] , te Schinveld,

40. [naam 76] te Schinveld,

41. [naam 77] , te Schinveld,

42. [naam 78] , te Schinveld,

43. [naam 79] , te Schinveld,

44. [naam 80] , te Schinveld,

45. [naam 81] , te Brunssum,

46. [naam 2] , te Brunssum,

47. [naam 82] , te Brunssum,

48. [naam 50] , te Oirsbeek,

49. [naam 83] te Brunssum,

50. [naam 84] , te Brunssum,

51. [naam 85] , te Schinveld,

52. [naam 86] , te Hoensbroek,

53. [naam 7] , te Schinveld,

54. [naam 35] , te Schinveld,

55. [naam 36] te Schinveld,

56. [naam 92] , te Oirsbeek,

57. [naam 93] te Oirsbeek,

58. [naam 94] , te Brunssum,

59. [naam 95] , te Brunssum,

60. [naam 96] , te Brunssum,

61. [naam 97] , te Brunssum,

62. [naam 98] , te Schinveld,

63. [naam 99] , te Schinveld,

64. [naam 100] , te Brunssum,

65. [naam 101] , te Schinveld,

66. [naam 196] , te Schinveld,

67. [naam 102] , te Brunssum,

68. [naam 103] te Brunssum,

69. [naam 104] , te Brunssum,

70. [naam 105] , te Brunssum,

71. [naam 106] , te Brunssum,

72. [naam 193] , te Brunssum,

73. [naam 12] , te Brunssum,

74. [naam 13] , te Brunssum,

75. [naam 107] te Schinveld,

76. [naam 108] , te Schinveld,

77. [naam 25] , te Brunssum,

78. [naam 26] , te Brunssum,

79. [naam 109] , te Brunssum,

80. [naam 110] , te Schinveld,

81. [naam 111] , te Brunssum,

82. [naam 112] te Schinveld,

83. [naam 113] , te Brunssum,

84. [naam 114] , te Brunssum,

85. [naam 115] te Brunssum,

86. [naam 28] , te Brunssum,

87. [naam 27] , te Brunssum,

88. [naam 116] , te Brunssum,

89. [naam 117] , te Brunssum,

90. [naam 118] te Brunssum,

91. [naam 119] , te Brunssum,

92. [naam 120] , te Schinveld,

93. [naam 121] , te Schinveld,

94. [naam 122] , te Oirsbeek,

95. [naam 195] , te Spaubeek,

96. [naam 123] , te Brunssum,

97. [naam 124] , te Oirsbeek,

98. [naam 125] , te Oirsbeek,

99. [naam 125] , te Schinveld,

100. [naam 29] , te Brunssum,

101. [naam 126] , te Bingelrade,

102. [naam 30] te Brunssum,

103. [naam 127] , te Brunssum,

104. [naam 128] , te Brunssum,

105. [naam 129] , te Brunssum,

106. [naam 130] , te Schinnen,

107. [naam 131] , te Brunssum,

108. [naam 132] , te Schinveld,

109. [naam 133] , te Brunssum,

110. [naam 134] , te Heerlen,

111. [naam 135] , te Brunssum,

112. [naam 136] , te Schinveld,

113. [naam 137] , te Brunssum,

114. [naam 138] , te Brunssum,

115. [naam 139] , te Brunssum,

116. [naam 140] , te Brunssum,

117. [naam 141] te Brunssum,

118. [naam 142] , te Oirsbeek,

119. [naam 143] te Schinveld,

120. [naam 144] , te Schinveld,

121. [naam 42] , te Puth,

122. [naam 145] , te Brunssum,

123. [naam 146] , te Schinveld,

124. [naam 147] , te Brunssum,

125. [naam 148] , te Brunssum,

126. [naam 149] , te Schinveld,

127. [naam 150] , te Brunssum,

128. [naam 151] , te Brunssum,

129. [naam 152] , te Brunssum,

130. [naam 153] , te Schinveld,

131. [naam 154] , te Schinveld,

132. [naam 155] , te Oirsbeek,

133. [naam 156] , te Schinveld,

134. [naam 157] , te Schinveld,

135. [naam 158] , te Merkelbeek,

136. [naam 159] , te Oirsbeek,

137. [naam 160] , te Schinveld,

138. [naam 198] , te Brunssum,

139. [naam 161] , te Schinveld,

140. [naam 162] , te Schinveld,

141. [naam 163] , te Bingelrade,

142. [naam 164] , te Brunssum,

143. [naam 9] , te Brunssum,

144. [naam 165] , te Brunssum,

145. [naam 166] , te Brunssum,

146. [naam 167] , te Brunssum,

147. [naam 168] , te Brunssum,

148. [naam 169] , te Brunssum,

149. [naam 170] , te Brunssum,

150. [naam 37] , te Lanaken (B),

151. [naam 38] , te Valkenburg aan de Geul,

152. [naam 37] , te Oirsbeek,

153 [naam 171] te Oirsbeek,

154. [naam 172] , te Brunssum,

155. [naam 173] , te Brunssum,

156. [naam 17] , te Doenrade,

157. [naam 44] , te Schinveld,

158. [naam 174] , te Brunssum,

159. [naam 175] , te Brunssum,

160. [naam 176] te Brunssum,

161. [naam 177] , te Nuth,

162. [naam 178] , te Nuth,

163. [naam 179] , te Brunssum,

164. [naam 180] te Schinveld,

165. [naam 181] , te Schinveld,

166. [naam 20] Merkelbeek,

167. [naam 182] , te Schinveld,

168. [naam 183] , te Merkelbeek,

169. [naam 184] , te Schinveld,

170. [naam 185] , te Merkelbeek,

171. [naam 186] te Merkelbeek,

172. [naam 187] , te Schinveld,

173. [naam 188] te schinveld,

174. [naam 189] , te Schinveld,

175. [naam 194] , te Roermond,

176. [naam 43] , te Merkelbeek,

177. [naam 191] , te Merkelbeek,

178. [naam 45] , te Oirsbeek,

179. [naam 46] , te Oirsbeek,

180. [naam 47] , te Bingelrade.

181. [naam 192]

bijlage 2

(AWB 16/1959)

Wettelijke kader

Artikel 76, eerste lid, aanhef en onder d, van de Luchtvaartwet waarin is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften kunnen worden gegeven ter beveiliging van militaire belangen;

artikel 2, eerste lid, van het Besluit tot regeling toelating vreemde militaire luchtvaartuigen binnen Nederlands rechtsgebied waarin is bepaald dat vreemde militaire luchtvaartuigen zich slechts na bekomen vergunning binnen Nederlands rechtsgebied mogen begeven, dan wel daarin de luchtvaart uitoefenen;

het derde lid van deze bepaling waarin is bepaald dat de minister van Defensie mede bevoegd is ontheffing te verlenen van het bepaalde in het eerste lid voor door hem aan te wijzen soorten van vluchten met vreemde militaire luchtvaartuigen van door hem aan te wijzen nationaliteit;

artikel 1, eerste lid, van de NAVO-binnenvliegregeling waarin is bepaald dat vreemde militaire luchtvaartuigen van de landen, aangesloten bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, zich mogen begeven binnen het Nederlands rechtsgebied en aldus aan het luchtverkeer deelnemen, alsmede landen op en opstijgen van de in de Militaire Luchtvaartgids Nederland (MIL AIP) vermelde militaire luchtvaartterreinen en voor militair medegebruik opengestelde burgerluchtvaartterreinen, onder de in de volgende artikelen gestelde voorwaarden;

het tweede lid van deze bepaling waarin is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde toestemming door de Minister van Defensie, al dan niet voor een bepaald geval, worden ingetrokken, gewijzigd of aan andere dan hierna gestelde voorwaarden worden onderworpen;

artikel 2 van de regeling waarin is bepaald dat algemeen luchtverkeer de luchtverkeersvoorschriften vervat in de Luchtvaartgids Nederland (AIP) alsmede de regelen ter beperking van de geluidhinder door militaire luchtvaartuigen, zoals opgenomen in de MII AIP, dient na te leven en

artikel 5 waarin is bepaald dat het gestelde in artikel 3 niet geldt, indien gepubliceerde naderings- en vertrekprocedures vliegbewegingen noodzaken binnen het Nederlandse rechtsgebied voor het naderen of verlaten van een buiten Nederland gelegen luchtvaartterrein, waarvan een deel van het plaatselijk verkeersgebied zich binnen het Nederlandse rechtsgebied uitstrekt dan wel de naderings- en vertrekprocedures zich in het Nederlandse luchtruim uitstrekken. Deze procedures dienen, voorafgaande aan publicatie, met de minister van Defensie te zijn overeengekomen.

AWB 16/2199

De Beleidsregel

Artikel 2, eerste lid, waarin is bepaald dat de minister degene die schade lijdt of zal lijden als gevolg van de rechtmatige uitoefening door of namens de minister van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak, op verzoek een vergoeding toekent, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

In artikel 13, eerste lid, aanhef en onder c, is bepaald dat het verzoek een aanduiding bevat van het besluit of het handelen dat de gestelde schade naar het oordeel van verzoeker heeft veroorzaakt.