Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:8588

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
C/03/239321 / KG ZA 17-426
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Straatverbod afgewezen. Onvoldoende onderbouwd. Overweging ten overvloede inzake reikwijdte en tijdsduur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/239321 / KG ZA 17-426

Vonnis in kort geding van 30 augustus 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. R.H.M. Wagemans,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.P.C.M. van Riet.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 15 augustus 2017, met producties,

  • -

    de mondelinge behandeling van 24 augustus 2017 met de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde] zijn broer en zus en beiden gezamenlijk eigenaar van de woning van hun in 2014 overleden moeder aan de [adres 1] te [woonplaats 1] . [eiseres] is woonachtig in de naastgelegen woning aan de [adres 2] te [woonplaats 1] .

2.2.

[gedaagde] is op opgenomen en behandeld door Stichting Mondriaan te [woonplaats 2] en woont op dit moment in een woonproject van Mondriaan in [woonplaats 3] .

2.3.

[eiseres] heeft op 30 mei 2017 aangifte gedaan van vernieling van tuinmeubels in haar tuin op 29 mei, gelegen aan de [adres 2] te [woonplaats 1] . Er is proces-verbaal opgemaakt en daarin heeft [eiseres] laten opnemen dat zij vermoedt dat haar broer
[gedaagde] verantwoordelijk is voor deze vernieling.

[eiseres] heeft op 14 juni 2017 aangifte gedaan van baldadigheid/vandalisme en huisvredebreuk op 9 juni, gepleegd op de gezamenlijke oprit van [adres 1] en [adres 2] te [woonplaats 1] en in de tuin van [adres 2] . Er is proces-verbaal opgemaakt en daarin heeft [eiseres] laten opnemen dat zij vermoedt dat haar broer [gedaagde] verantwoordelijk is.

2.4.

[eiseres] heeft eind mei/begin juni 2017 de sloten van de woning aan de [adres 1] laten vervangen. Zij heeft haar broer geen sleutels ter hand gesteld.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de rechtbank [gedaagde] onmiddellijk na wijzen van het vonnis verbiedt zich in directe omgeving (lees: met een straal van 1.000 meter met de woning als middelpunt) van de woning aan de [adres 2] te [woonplaats 1] te bevinden c.q. deze woning en/of omgeving te betreden, met machtiging van [eiseres] om [gedaagde] aldaar desnoods met behulp van de sterke arm te doen verwijderen bij overtreding van dit verbod, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere keer dat [gedaagde] na betekening van dit vonnis het verbod overtreedt, tot een maximum van
€ 10.000,00 is bereikt.

3.2.

[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] een psychiatrische patiënt is met onder meer een bipolaire stoornis en een schizofreen paranoïde stoornis, die zich weigert te laten behandelen en geen medicijnen neemt en die zonder aanleiding onbeheerst agressief kan zijn. [eiseres] stelt dat [gedaagde] haar en voorheen ook haar moeder en thans ook haar vader, die in Turkije woont, lastig valt, bedreigt, uitscheldt en (telefonisch) stalkt. Zij stelt dat de vernieling van 29 mei 2017 en het vandalisme en huisvredebreuk van 9 juni 2017 op het conto van haar broer komen. [eiseres] stelt daardoor zich bedreigd te voelen en gevoelens van ondraaglijke angst te hebben, ook omdat [gedaagde] altijd messen op zak draagt. De belangen van [eiseres] op een vrij woongenot en het niet lastig gevallen worden door haar broer moeten volgens haar zwaarder wegen dan zijn belang zich vrijelijk te kunnen bewegen. Zij stelt spoedeisend belang bij en recht op de gevraagde maatregel te hebben.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Een straatverbod vormt een inbreuk op het aan een ieder toekomend recht om zich vrijelijk te verplaatsen. Voor het toewijzen van een zo ingrijpende maatregel moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die zo'n inbreuk kunnen rechtvaardigen.

4.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er onvoldoende concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd om een straatverbod te rechtvaardigen.

De aangiftes zijn weliswaar voldoende concreet inzake wat is aangetroffen, maar er is geen enkele aanwijzing om te moeten aannemen dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan deze feiten. Niet is gebleken dat de politie nader onderzoek heeft gedaan.

Bovendien ontkent [gedaagde] niet alleen de gestelde feiten waarvan aangifte is gedaan, maar hij betwist ook dat hij een gevaarlijke persoon is met een ernstige psychiatrische stoornis. Hij betwist hetgeen omtrent zijn gedrag in heden en verleden naar voren is gebracht. [eiseres] brengt daarvan ook geen nader bewijs aan en de kort gedingprocedure leent zich uit de aard niet voor het doen van nader onderzoek door het horen van getuigen of anderszins.

In zake de door [eiseres] in geding gebrachte lijst met beledigingen en bedreigingen, die beweerdelijk per telefoon aan haar vader zijn verstuurd, wordt op geen enkele wijze nader inzicht verschaft terzake de herkomst, noch wordt toegelicht en onderbouwd dat [gedaagde] hiervoor verantwoordelijk gehouden zou moeten worden. Niet is gebleken dat deze of dergelijke berichten zijn verzonden door [gedaagde] aan zijn vader. Een en ander wordt door [gedaagde] ook ontkend en betwist.

4.3.

De vordering moet alleen hierom al worden afgewezen. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat het gevraagde verbod overigens ook door zijn reikwijdte – het gaat bij een gebied met een diameter van twee kilometer rondom de woning van [eiseres] om vrijwel de gehele kern [woonplaats 1] en enkele naastgelegen gebieden – en vanwege het feit dat het niet in de tijd is beperkt té ruim en té onbepaald is om te kunnen worden toegewezen.

4.4.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Deze worden aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op
€ 894,00 (€ 78,00 griffierecht onvermogenden en € 816,00 salaris advocaat).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 894,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.H.A. Venner-Lijten en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: EvB coll: