Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:8566

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
01-09-2017
Zaaknummer
03/700008-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schending aanwezigheidsrecht artikel 6 EVRM. Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700008-17

Verdachte niet verschenen.

Vonnis van de politierechter d.d. 7 juni 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegevens verdachte] ,

voorheen wonende te [adresgegevens verdachte 1] , dan wel te [adresgegevens verdachte 2] ,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. K.D. Regter, advocaat, kantoorhoudende te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is aangebracht op de zitting van 27 januari 2017. De verdachte is toen niet verschenen. Wel verschenen is zijn raadsman mr. K.D. Regter, die meedeelde dat zijn cliënt aanwezig wilde zijn, maar inmiddels het land was uitgezet. De politierechter heeft de behandeling daarop geschorst tot de zitting van 24 mei 2017 en heeft de officier van justitie opgedragen om bij de vreemdelingendienst te proberen te achterhalen waar de verdachte naar toe was gebracht en een laissez-passer ten behoeve van de verdachte aan de raadsman te verstrekken. Op 24 mei 2017 is de verdachte opnieuw niet verschenen. Mr. Regter was er wel.

De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte met iemand anders twee telefoons heeft gestolen bij de Media Markt te Heerlen.

3 De voorvragen

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft bepleit dat de officier van justitie niet ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat zijn cliënt bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig wil zijn, maar dat dat onmogelijk is geworden doordat hij vóór de behandeling van de zaak het land is uitgezet. Hij is op 9 januari 2017 aangehouden, was gedagvaard voor de zitting van 27 januari 2017, maar is op 3 februari 2017 uitgezet naar Duitsland. Hij heeft zijn aanwezigheidsrecht niet kunnen uitoefenen.

De raadsman heeft verwezen naar uitspraken van de rechtbank Alkmaar en het Hof Arnhem (resp. LJN BO9245 en BM0293) en naar de richtlijn van de EU 2016, 343.1

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij wel ontvankelijk is in de vervolging. De verdachte was op 27 januari 2017 nog in Nederland en heeft er kennelijk voor gekozen niet naar de zitting te komen en geen contact met zijn raadsman op te nemen. Aldus heeft hij zijn aanwezigheidsrecht kennelijk prijsgegeven.

De politierechter constateert dat de dagvaarding voor de eerste zitting op 27 januari 2017 op 12 januari 2017 in persoon aan de verdachte is uitgereikt en dat hij dus op de hoogte was van die zitting. De rechter-commissaris heeft op 12 januari 2017 de vordering bewaring afgewezen, zodat verdachtes detentie in deze zaak op die datum is geëindigd.

De raadsman heeft bij de vorige terechtzitting medegedeeld dat hij zijn zijn cliënt kort nadien nog heeft gesproken en dat deze de vreemdelingenbewaring in ging.

Uit mededeling vanwege de officier van justitie blijkt dat de verdachte op 3 februari 2017 is uitgezet.

De politierechter concludeert dat de verdachte op de dag van de vorige zitting, anders dan de raadsman toen aannam, nog in Nederland verbleef en zich in vreemdelingenbewaring bevond. De officier van justitie heeft daarmee verzuimd ervoor zorg te dragen dat de verdachte naar de rechtbank werd getransporteerd om van zijn recht om aanwezig te zijn bij zijn berechting gebruik te kunnen maken. De verdachte heeft niet ondubbelzinnig afstand gedaan van dat recht. Er bevindt zich geen afstandsverklaring in het dossier.

Vervolgens is de verdachte naar Duitsland uitgezet op 3 februari 2017. Zijn verblijfadres is niet bekend.

Of de verdachte in de gelegenheid is geweest om vanuit de vreemdelingenbewaring contact op te nemen met zijn raadsman in deze strafzaak kan niet worden vastgesteld. Vooralsnog moet dus ervan worden uitgegaan dat hij, zoals zijn raadsman ter gelegenheid van de eerste zitting op 27 januari 2017 al heeft gemeld en bij de zitting op 24 mei 2017 heeft herhaald, bij de behandeling van de strafzaak aanwezig wil zijn.

Het is de politierechter niet duidelijk waarom het OM de verdachte niet heeft aangevoerd voor de zitting van 27 januari 2017. Evenmin is duidelijk waarom de officier van justitie, die op die zitting opdracht kreeg om via de vreemdelingendienst te proberen te achterhalen waar de verdachte verbleef zodat hij via een laissez-passer bij de zitting zou kunnen zijn, niet heeft bewerkstelligd dat de verdachte – die toen dus nog in Nederland verbleef – op een datum gelegen na de vervolgbehandeling zou worden uitgezet.

Door dit nalaten van de officier van justitie is het aanwezigheidsrecht van de verdachte illusoir geworden.

Hoewel het enkele niet gebruik kunnen maken van het aanwezigheidsrecht niet onder alle omstandigheden de beslissing tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie rechtvaardigt, ziet de politierechter in dit geval reden om schending van het aanwezigheidsrecht zoals vastgelegd in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden aan te nemen. Dit leidt tot de conclusie dat de officier van justitie in deze zaak niet-ontvankelijk is in de strafvervolging.

4 De beslissing

De politierechter verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster, politierechter, in tegenwoordigheid van D.C.H.B. Slenter, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juni 2017.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 9 januari 2017 in de gemeente Heerlen tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee telefoons, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Media Markt, in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

1 RICHTLIJN (EU) 2016/343 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn