Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:8422

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
01-09-2017
Zaaknummer
6131043 AZ VERZ 17-90
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbindingsverzoek werkgever op ‘e-grond’ en ‘h-grond’. (Poging tot) diefstal en/of verduistering van 30m² aan betonplaten door werknemer niet komen vast te staan, evenals ‘diefstal’ van acht extra betonplaten. Verzoek op ‘e-grond’ wordt afgewezen, alsmede verzoek op ‘h-grond’ nu die laatste grond niet kan worden gebruikt voor het repareren van een op één van de benoemde (andere) gronden onvoldoende onderbouwd voorgenomen ontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1058

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 6131043 AZ VERZ 17-90

Beschikking van de kantonrechter van 30 augustus 2017

MD

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

xella cellenbeton nederland b.v.

gevestigd en kantoor houdend te Landgraaf

verzoekende partij, verwerende partij in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken

gemachtigde mr. H. den Besten, advocaat te Almere

tegen:

[verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken]

wonend aan de [adres]

[woonplaats]

verwerende partij, verzoekende partij in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken

gemachtigde mr. F.L.H.F.A.H. Wolfs, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Roermond

Partijen zullen hierna Xella en [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- een op 6 juli 2017 ter griffie ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- een verweerschrift, voorzien van (voorwaardelijke) tegenverzoeken, met bijlagen;

- de op 18 augustus 2017 ter griffie ontvangen aanvullende bijlagen van Xella;

- de mondelinge behandeling d.d. 22 augustus 2017, alwaar de gemachtigde van Xella een pleitnota heeft overgelegd en voorgedragen.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Xella is een onderneming die wand-, dak- en vloerplaten van cellenbeton produceert.

2.2.

[verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] , geboren op [geboortedag] 1966, is op 14 augustus 1989 krachtens arbeidsovereenkomst bij Xella in dienst getreden. Laatstelijk is hij werkzaam geweest in de functie van teamleider productie (ook wel aangeduid als teamleider B). Zijn laatst genoten bruto maandloon bedroeg € 3.389,00, exclusief 8% vakantiebijslag, ploegentoeslag, een andere niet nader geconcretiseerde toeslag en eindejaarsuitkering. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Kalkzandsteen 2016-2018 van toepassing.

2.3.

Op het veld van de Xella-vestiging in Landgraaf is een aparte ruimte gereserveerd voor ‘puinplaten’ (ook wel aangeduid als uitvalplaten). Dergelijke ‘puinplaten’ – platen die niet aan de kwaliteitseisen voldoen – worden verkocht aan particulieren, bedrijven of werknemers van Xella. Indien deze platen voor eigen gebruik bestemd zijn, kunnen werknemers van Xella ze tegen een gereduceerd tarief kopen. Xella heeft een code of conduct. Een schriftelijk vastgelegd protocol over de wijze waarop werknemers ‘puinplaten’ – bestemd voor eigen gebruik of voor derden – kunnen aanschaffen, ontbreekt.

2.4.

[naam productiemanager 1] [die geen bloedverwant noch anderszins verwant is met de kantonrechter die deze beschikking wijst] was productiemanager van de Xella-vestiging in Landgraaf en de leidinggevende van [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] . Op enig moment is hij met pensioen gegaan. [naam productiemanager 2] heeft hem opgevolgd. Tot 1 mei 2017 was [naam productiemanager 2] werkzaam als productiemanager bij de Xella-vestiging in Landgraaf. Na het vertrek van [naam productiemanager 2] is [naam productiemanager 1] teruggekeerd als productiemanager bij deze vestiging.

2.5.

Op 12 mei 2017 is omstreeks 11.00 uur een vrachtwagen op het terrein van Xella in Landgraaf verschenen. De chauffeur is begonnen met het laden van een op dat terrein gereedstaande hoeveelheid betonplaten, maar is door [naam productiemanager 1] gesommeerd te stoppen. De vrachtwagen is vervolgens weer afgeladen en zonder vracht van het terrein vertrokken. De vracht was bestemd voor bouwbedrijf Amebo in Guttecoven.

2.6.

Op 15 mei 2017 is een vrachtwagen door Xella geproduceerde betonplaten, die bestemd waren voor Amebo, in Landgraaf komen laden. Deze platen zijn ook bij Amebo afgeleverd. [naam productiemanager 1] was op 15 mei 2017 met vakantie.

2.7.

Op 14 juni 2016 is [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] op non-actief gesteld. In de brief van 14 juni 2017, die op diezelfde dag aan [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] ter hand is gesteld, is daarvoor het volgende aangevoerd:

“Geachte heer [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] ,

Op 12 mei 2017 is geconstateerd dat u zonder toestemming van Xella, 90m2 platen hebt laten laden zonder noodzakelijke laadbewijzen en zonder vooraf te betalen, zoals de protocollen voorschrijven. Daarenboven is gebleken dat u geen 90m2 maar 60m2 wilde betalen, terwijl de 90m2 al wel was geladen; u gaf aan dat u niet wilde betalen voor de 30m2 omdat dit toch “afval” was. Ook al was dit afval, dan nog mag u dat niet zomaar meenemen. Dit zou u ook moeten weten. Alles heeft waarde. Door het feit dat u dit toch wilde meenemen zonder ervoor te betalen staat voor ons vast dat dit verduistering in dienstverband is. Tenslotte heeft u voor privé doeleinden bedrijfsmiddelen en personeel van Xella ingezet.

U heeft niet alleen misbruik gemaakt van uw positie als leidinggevende, u wordt er ook van verdacht zaken te hebben verduisterd.

Gezien de ernst van de situatie hebben wij besloten u per direct op non-actief te stellen in afwachting van arbeidsrechtelijke stappen. Een nadere toelichting op de gronden volgt.

Met vriendelijk groet,

Xella Cellenbeton Nederland B.V.

[handtekening]

[naam productiedirecteur]

Productiedirecteur”.

2.8.

Bij brief van 15 juni 2017 heeft [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] bezwaar gemaakt tegen zijn non-actiefstelling en zich beschikbaar gehouden om op eerste verzoek de bedongen arbeid weer te hervatten. Hij heeft vooralsnog afgezien van een kort geding tegen Xella om wedertewerkstelling te vorderen.

3 Het geschil

3.1.

Xella verzoekt om de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, met veroordeling van [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] tot betaling van de kosten van deze procedure.

3.2.

Xella verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] :

- op grond van art. 7:671b lid 1 onderdeel a in verbinding met art. 7:669 leden 1 en 3

onderdeel e BW (‘verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren’);

- en op grond van art. 7:671b lid 1 onderdeel a in verbinding met art. 7:669 leden 1 en 3 onderdeel h BW (‘andere dan de in art. 7:669 lid 3 onder a tot en met g genoemde omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren’).

3.3.

Op de verdere uitwerking van die gronden wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.4.

[verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] voert verweer en verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen;

II. subsidiair, indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden:

- Xella te veroordelen tot betaling aan hem van een transitievergoeding ten bedrage van
€ 61.931,99 bruto;

- Xella te veroordelen tot betaling aan hem van een billijke vergoeding ten bedrage van
€ 62.093,32 bruto;

- Xella te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

- bij het bepalen van de datum waarop de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden rekening te houden met de geldende opzegtermijn zonder aftrek van de periode die is gelegen tussen de datum van ontvangst van het verzoekschrift [ter griffie] en de datum van dagtekening van deze beschikking;

III. in alle gevallen Xella te veroordelen tot betaling van de kosten van deze procedure.

3.5.

Op het verweer van [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] zal hierna eveneens, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

Opzegverbod

4.1.

Er gelden geen bijzondere opzegverboden als bedoeld in art. 7:670 BW of met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbare opzegverboden in een ander wettelijk voorschrift.

E-grond?

4.2.

Vooropgesteld wordt dat de acht extra platen die [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] zonder vooraf af te rekenen naar Amebo in Guttecoven zou hebben laten vervoeren, voor Xella kennelijk niet ernstig genoeg waren om ook aan de non-actiefstelling (blijkens de schriftelijke bevestiging daarvan aan [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] op 14 juni 2017) ten grondslag te leggen. In die brief is immers alléén maar aangevoerd dat [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] 90m² wilde afnemen, maar slechts voor 60m² wilde betalen. Van de acht extra platen die in deze procedure naar voren worden gebracht, wordt in de non-actiefstelling met geen woord gerept. Daar komt bij dat uit de berekening in het verzoekschrift inderdaad volgt dat het van meet af aan ging om 33 platen: 10 plus 14 plus 1 plus 8. Uit de overgelegde ‘stills’ van video-opnames kan, ondanks de ter zitting gegeven toelichting, ook niet worden geconcludeerd dat er ten opzichte van de reeds op 12 mei 2017 voor Amebo gereed staande vracht op 15 mei 2017 acht extra betonplaten op de vrachtwagen voor Amebo zijn geladen. Het (ernstige) verwijt van Xella dat [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] acht extra betonplaten heeft laten afvoeren naar Amebo, zonder die acht platen af te rekenen, is derhalve geenszins komen vast te staan.

4.3.

Wat resteert is de vraag of [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] verwijtbaar heeft gehandeld door het (laten) meenemen van ongeveer 30m² door Xella vervaardigde betonplaten, zonder die platen vooraf te betalen, zoals de interne procedure voorschrijft. Zoals de gemachtigde van Xella ter zitting ook heeft moeten onderkennen, zijn de door hem in de eerste pagina’s van het verzoekschrift geschetste en met bijlagen geadstrueerde ‘incidenten’ over de periode 1993 (!) tot en met april 2008 voor de beoordeling van deze hamvraag in het geheel niet relevant.

4.3.1.

Allereerst is ter zitting gebleken dat Xella geen schriftelijk beleid heeft omtrent het afnemen van betonplaten van werknemers voor eigen gebruik. Aan [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] kan daarom niet worden tegengeworpen dat hij bestaande procedures niet (exact) heeft gevolgd, nu daarover geen heldere afspraken schriftelijk zijn vastgelegd. Ook het verwijt aan [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] over het tijdens pauzes laten zagen van betonplaten, houdt vanwege het ontbreken van dat schriftelijke vastgelegde beleid hieromtrent geen stand. Juist het feit dat werknemers voor zichzelf (tegen een gereduceerd tarief) en voor anderen aankopen bij Xella kunnen doen (en dat ook met grote regelmaat in praktijk brengen), zou een dergelijk schriftelijk vastgelegd beleid zonder meer wenselijk maken, om zo vermenging van privé belangen van werknemers met de belangen van Xella te voorkomen. Dat geldt uiteraard ook voor het laten zagen van platen tijdens pauzes, nog daargelaten dat hierdoor de Arbeidstijdenwet mogelijk wordt overtreden.

4.3.2.

Xella heeft de stelling dat [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] op verzoek van [naam productiemanager 2] , vanwege het overvolle bedrijfsterrein van Xella in Landgraaf, op zoek is gegaan naar kopers van ‘puinplaten’, inhoudelijk niet voldoende gemotiveerd bestreden. De juistheid van die stelling van [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] staat daarmee vast, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen en het bewijsaanbod ter zitting dienaangaande (dat nadien schriftelijk door de gemachtigde van Xella bij faxbericht van 23 augustus 2017 is herhaald) zonder vervolg blijft. Het had op de weg van Xella gelegen om, indien zij van mening was dat een verklaring van [naam productiemanager 2] relevant was, die verklaring tijdig in het geding te brengen dan wel [naam productiemanager 2] als informant mee te nemen naar de zitting. Dat heeft zij evenwel nagelaten. Wat hier verder ook van zij, uit het navolgende zal blijken dat hetgeen anderszins (naast het feit dat [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] dus op initiatief van [naam productiemanager 2] op zoek is gegaan naar kopers van ‘puinplaten’ vanwege het overvolle bedrijfsterrein) door [naam productiemanager 2] met [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] is besproken, niet van doorslaggevend belang is om de in rechtsoverweging 4.3. weergegeven hamvraag te kunnen beantwoorden.

4.3.3.

Volgens Xella heeft [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] zich schuldig gemaakt aan een (poging tot) diefstal en/of verduistering van 30m² aan betonplaten. Door kordaat optreden van [naam productiemanager 1] is dat voorkomen en heeft [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] alsnog voor 90m² betaald. [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] is daarentegen van mening dat hij van meet af aan, als tussenpersoon van Amebo, ongeveer 90m² aan betonplaten bij zijn werkgever heeft willen afnemen, waarvan 30m² uit ‘puinplaten’ zou bestaan en 60m² uit nieuwe platen.

4.3.4.

Ter zitting is komen vast te staan dat [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] op 12 mei 2017 is aangesproken door [naam productiemanager 1] . Toen [naam productiemanager 1] aan [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] te kennen gaf dat de 30m² volgens hem geen ‘puinplaten’ waren en tegen de normale prijs (want geen ‘puinplaten’ en niet bestemd voor [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] zelf) moesten worden afgerekend, is [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] daar geen discussie met hem over aangegaan. Hij heeft – namens Amebo – meteen ingestemd met de hogere prijs van € 3.067,34 (inclusief btw en zaagwerk). Het feit dat [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] geen discussie met [naam productiemanager 1] is aangegaan, betekent nog niet dat [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] geen verklaring heeft kunnen geven voor het verschil in de af te rekenen en de te verladen platen, zoals Xella hem tegenwerpt. [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] , omtrent wie de kantonrechter ter zitting zelf heeft kunnen vaststellen dat hij geen persoon is die uitvoerig zijn verhaal doet, leefde namelijk in de veronderstelling dat de kwaliteit van die 30m² ‘puinplaten’ die van [naam productiemanager 1] alsnog als nieuwe platen moesten worden aangemerkt, dat verschil in prijs wel degelijk kon verklaren. Dat [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] de intentie heeft gehad om 30m² nieuwe betonplaten gratis mee te (laten) nemen, door te doen alsof het om 30m² ‘puinplaten’ ging, is niet komen vast te staan. Niet uit de ter zitting door Xella toegelichte stellingen, niet uit de door haar overgelegde bijlagen, is die intentie aangetoond. Illustratief in dit verband is dat [naam productiemanager 1] ter zitting desgevraagd te kennen heeft gegeven dat hij na 12 mei 2017 [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] hierover nimmer meer om opheldering heeft gevraagd. Sterker nog: toen [naam productiemanager 1] van expeditieleider [naam expeditieleider] hoorde dat er op 16 mei 2017 acht extra platen klaar zouden zijn gezet, was voor [naam productiemanager 1] zonder nader onderzoek (hoor en wederhoor) duidelijk dat [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] zich (wederom) schuldig had gemaakt aan een (poging tot) diefstal. Het had op de weg van [naam productiemanager 1] gelegen om, in het bijzijn van een HR-medewerker van Xella, [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] hiermee te confronteren en te verifiëren of zijn veronderstelling omtrent de intenties van [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] wel juist was. Van een goed werkgever mag worden verwacht dat hoor en wederhoor plaatsvindt bij een werknemer die ernstig verwijtbaar handelen wordt verweten. Dat geldt temeer als dat een werknemer betreft met een respectabel dienstverband van 28 jaar die al geruime tijd in een leidinggevende functie werkzaam is. Xella volstond echter met een non-actiefstelling op 14 juni 2017 (!), zonder dat [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] in de gelegenheid werd gesteld om zijn kant van het verhaal te geven. Grondig onderzoek door Xella – zoals gezegd: de ‘stills’ van de videopnamen zijn een volstrekt onvoldoende onderbouwing – ter staving van de ernstige verwijten aan het adres van [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] ontbreekt. Dat [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] , die de betonplaten afnam voor Amebo en niet voor zichzelf, door zijn (voorgenomen) handelwijze op enigerlei wijze zou zijn bevoordeeld, staat evenmin vast.

4.3.5.

Voorts hecht de kantonrechter grote betekenis aan het feit dat [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] , nadat [naam productiemanager 1] op 12 mei 2017 een nieuwe prijs voor de Amebo-lading vastgesteld had, direct met die nieuwe prijs van € 3.067,34 heeft ingestemd zonder daarover met Amebo te overleggen én dat betaling van die prijs kort daarna ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Ofschoon [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] heeft toegelicht waarom contante betaling van dit bedrag op 12 mei 2017 niet mogelijk was – niemand aanwezig om geld in ontvangst te nemen; storing aan printers waardoor geen laadbon gemaakt kon worden – staat vast dat de betaling van € 3.067,34 op 15 mei 2017 namens Amebo alsnog door [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] is verricht. Daarvan is ook een factuur door [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] overgelegd, met daarop handgeschreven voldaan per kas, een handtekening en
15-05-2017, evenals een stempel van Xella.

4.4.

De conclusie van het voorgaande is dat niet is komen vast te staan dat [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat van Xella in redelijkheid niet kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst met [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] te laten voortduren. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de ‘e-grond’ wordt mitsdien afgewezen.

H-grond?

4.5.

De wetgever heeft (in de Handelingen I 2013/14, 33818, 32, p. 10) benadrukt dat onderdeel h van art. 7:669 lid 3 BW niet kan worden gebruikt voor het repareren van een op één van de benoemde (andere) gronden onvoldoende onderbouwd voorgenomen ontslag. Mitsdien kan de door Xella niet of nauwelijks geadstrueerde h-grond ook niet leiden tot toewijzing van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Slotsom

4.6.

De conclusie is dat er géén sprake is van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in art. 7:671b lid 1 onderdeel a BW in verbinding met art. 7:669 leden 1 en 3 onderdelen e en h BW. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt derhalve afgewezen.

Tegenverzoeken [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken]

4.7.

Deze tegenverzoeken zijn ingesteld onder de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt ontbonden. Nu daarvan geen sprake is, wordt aan de beoordeling van die subsidiair door [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] ingestelde tegenverzoeken niet meer toegekomen.

Proceskosten

4.8.

Xella dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de aan de zijde van [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] gerezen proceskosten. Die kosten worden aan de zijde van [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] tot op heden begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter komt aldus tot het navolgende oordeel:

5.1.

Het verzoek van Xella tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] wordt afgewezen, evenals de tegenverzoeken van [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] die tot uitgangspunt nemen dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt ontbonden.

5.2.

Xella wordt verder veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [verweerder, tevens verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] tot de datum van deze beschikking bepaald op een bedrag van € 400,00.

5.3.

Deze beschikking wordt voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.