Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:8407

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
01-09-2017
Zaaknummer
6055823 AZ VERZ 17-78
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst primair op grond van disfunctioneren en subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. Disfunctioneren is niet komen vast te staan. Ondanks kritiek van de werkgever is de arbeidsovereenkomst immers telkens verlengd en uiteindelijk zelfs voor onbepaalde tijd voortgezet. Een verbeterplan ontbrak. Werkgever heeft coachingstraject geen kans gegeven. Wel ontbinding op grond van verstoorde arbeidsverhouding. De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding en een billijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1068

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer 6055823 AZ VERZ 17-78

AANVULLENDE BESCHIKKING van 10 augustus 2017

TER MOTIVERING VAN BESCHIKKING van 12 juli 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BAKKERSLAND B.V.,

gevestigd te Kerkrade,

verzoekende partij,

gemachtigde mr. M.M.J.F. Sijben

tegen

[verweerder] ,

wonend te [woonplaats] ,

verwerende partij,

gemachtigde mr. M.R. Meulenberg-Ten Hoor.

Partijen zullen hierna Bakkersland en [verweerder] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van 12 juli 2017.

1.2.

In voornoemde beschikking is reeds beslist op het verzoek van Bakkersland. Hierna volgt, zoals in die beschikking aangekondigd, de motivering van die beslissing.

2 De feiten

2.1.

Bakkersland houdt zich bedrijfsmatig bezig met het bereiden van brood- en banketproducten.

2.2.

[verweerder] (geboren op [geboortedag] 1966) is op 2 november 2014 op grond van een arbeidsovereenkomst voor de bepaalde tijd van één jaar in dienst getreden bij Bakkersland in de functie van Teamleider Inpak/Verdeel/Expeditie. Het overeengekomen loon bedraagt laatstelijk € 2.494,32 bruto per vier weken exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.

2.3.

Op 16 februari 2015 heeft een “evaluatiegesprek” plaatsgevonden tussen [verweerder] en zijn toenmalig leidinggevende. Vervolgens hebben zogenoemde tweewekelijkse voortgangsgesprekken plaatsgevonden tussen [verweerder] en zijn (elkaar opvolgende) leidinggevenden, alsmede evaluatiegesprekken op 24 augustus en 2 oktober 2015. De schriftelijke verslagen van die gesprekken heeft Bakkersland als productie 3 overgelegd. Het laatste gespreksverslag in die bijlage dateert van 22 januari 2016. Er is weliswaar nog een “gespreksverslag” overgelegd van 13 maart 2017 (als onderdeel van productie 3), maar partijen zijn het erover eens dat dit geen gespreksverslag is. Dit betreft een vooraf gemaakte notitie door [naam leidinggevende 1] / [naam leidinggevende 2] (de leidinggevenden van [verweerder] op dat moment) met onderwerpen die tijdens het gesprek op die datum met [verweerder] besproken zouden worden. Voorts hebben nog evaluatiegesprekken plaatsgevonden op 8 februari 2016 en 15 maart 2016 (productie 8 en 9 van [verweerder] ).

2.4.

De arbeidsovereenkomst met [verweerder] is verlengd vanaf 2 november 2015 en aansluitend van 2 mei 2016 tot 30 oktober 2016. Daarna is de arbeidsovereenkomst met ingang van 30 oktober 2016 voor onbepaalde tijd voortgezet. Vanaf oktober 2016 werkte [verweerder] in de functie teamleider productie/inpak.

2.5.

In november 2016 heeft Bakkersland aan [verweerder] een extern coachingstraject aangeboden bij het bedrijf MTSR. Onderdeel van dat traject was een “QEEG onderzoek” (een onderzoek naar het functioneren van de hersenen). [verweerder] heeft dat onderzoek geweigerd.

2.6.

Vervolgens heeft Bakkerland aan [verweerder] een coachingstraject aangeboden bij Lavori (thans handelend onder de naam HBM Health & Talent; hierna: HBM).

2.7.

Op 31 december 2016 heeft HBM een “ACT-meting” verricht bij [verweerder] waarbij de volgende aandachtspunten naar voren kwamen:

  • -

    Flexibiliteit in stijl van leidinggeven wordt als minimaal ervaren;

  • -

    Zelfvertrouwen en onzekerheid in besluitvorming is een zichtbaar thema;

  • -

    Werksituatie en verleden spelen in negatieve zin een rol in huidige functioneren;

  • -

    Faciliterend en organiserend management/leiderschap is vooral van belang in de rol van teamleider.

HBK heeft een traject bestaande uit een intake-gesprek en coaching “tot 10 sessies” geadviseerd.

2.8.

[verweerder] heeft op 13 februari 2017 een intakegesprek gehad met [naam coach HBM] , zijn coach van HBM.

2.9.

Op 13 maart 2017 heeft [verweerder] een gesprek gehad met (in ieder geval) [naam leidinggevende 1] , één van zijn leidinggevenden bij Bakkersland. Daarbij is de voortgang van het coachingstraject besproken. Op dat moment had [verweerder] één sessie van het coachingstraject er op zitten.

2.10.

Op 4 april 2017 heeft bij HBM een evaluatiegesprek plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig [naam leidinggevende 1] , [naam leidinggevende 2] en [naam manager] (allen managers bij Bakkersland) en [naam regiomanager HBM] (regiomanager van HBM, hierna: [naam regiomanager HBM] ). [verweerder] was daar niet bij aanwezig.

2.11.

Op 6 april 2017 heeft HBM 10 extra coaching gesprekken voorgesteld.

2.12.

Op 19 april 2017 heeft [naam regiomanager HBM] aan Bakkersland geadviseerd het dienstverband met [verweerder] te beëindigen per 1 juli 2017 en/of [verweerder] een outplacementtraject aan te bieden.

2.13.

Op 25 april 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] , [naam leidinggevende 1] , [naam manager] en [naam coach HBM] . Tijdens dat gesprek is [verweerder] medegedeeld dat Bakkersland geen vertrouwen meer heeft in een vruchtbare samenwerking.

2.14.

Op 26 april 2017 heeft Bakkersland aan [verweerder] een voorstel gedaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de vorm van een vaststellingsovereenkomst.

2.15.

Bij brief van 4 mei 2017 heeft [verweerder] op dat voorstel gereageerd en een tegenvoorstel gedaan. Bakkersland heeft vervolgens op onbekende datum een aangepast voorstel gedaan dat door [verweerder] niet is geaccepteerd. [verweerder] is op 29 mei 2017 op non-actief gesteld.

3 Het geschil

3.1.

Bakkersland verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op de kortst mogelijke termijn te ontbinden onder toekenning van een transitievergoeding van € 3.089,97 bruto. Het verzoek is primair gegrond op de stelling dat er sprake is van disfunctioneren als bedoeld in art. 7:699 lid 3 sub d BW en subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in art. 7:669 lid 3 sub g BW.

3.2.

[verweerder] voert verweer.

4 De beoordeling

4.1.

De primaire grondslag van het verzoek onderbouwt Bakkersland met het betoog dat van aanvang af het functioneren van [verweerder] onder de maat was. Zij wijst dienaangaande op de door haar als productie 3 overgelegde gespreksverslagen. Het eerste verslag van een op 25 november 2014 gehouden evaluatiegesprek duidt er echter op dat de toenmalige leidinggevende ( [naam leidinggevende 3] ) tevreden was over het functioneren van [verweerder] , maar dat er wel “ontwikkeling mogelijk” was. Anders dan Bakkersland ziet de kantonrechter in dat verslag in ieder geval geen aanwijzing voor (dreigend) disfunctioneren van [verweerder] .

4.2.

De daarna gehouden gesprekken (althans de daarvan gemaakte verslagen) zijn kritischer van toon over de wijze waarop [verweerder] functioneert. Rode draad in die gesprekken is dat Bakkersland kritisch is over de leidinggevende capaciteiten van [verweerder] en dat hij teveel verzandt in details. In een verslag van 2 oktober 2015 staat dienaangaande zelfs vermeld dat de tijd begint te dringen en dat, indien geen echte verbetering in het leidinggevende aspect is waar te nemen, het tijdelijke contract niet zal worden verlengd. In de daaropvolgende gesprekken tot en met 22 januari 2016 blijft Bakkersland kritisch ten aanzien van het functioneren van [verweerder] . Wat voorts uit de verslagen van die gesprekken blijkt, is dat Bakkersland op vragen van [verweerder] om hulp om zijn functioneren te verbeteren min of meer afwijzend reageert en/of “de bal terugkaatst”. Zo wordt op zijn vraag om een “training leidinggevenden” te mogen volgen (verslag 13 november 2015) door [naam leidinggevende 1] geantwoord (verslag 30 november 2015) dat daarvoor de “voortgangsgesprekken” juist zijn bedoeld. In die gesprekken is echter voornamelijk besproken wat er in de visie van Bakkersland allemaal schort aan het functioneren van [verweerder] en wat [verweerder] zelf dient te doen om tot verbetering te komen. Incidenteel wordt aan [verweerder] een tip gegeven ter verbetering van zijn functioneren. Dat gericht is gewerkt aan concrete verbeterpunten in het functioneren van [verweerder] valt in de gespreksverslagen evenwel niet te lezen. Kort gezegd: een verbeterplan heeft al die tijd ontbroken.

4.3.

Wat van het voorgaande ook zij, het functioneren van [verweerder] was kennelijk niet onder de maat, want Bakkersland heeft de arbeidsovereenkomst op 2 november 2015 en 2 mei 2016 tijdelijk en met ingang van 30 oktober 2016 zelfs voor onbepaalde tijd voortgezet. Een andere uitleg kan de kantonrechter aan die voortzettingen niet geven, want Bakkersland heeft op 2 oktober 2015 zelf expliciet gesteld dat de arbeidsovereenkomst niet voortgezet zou worden als het functioneren van [verweerder] niet echt verbeterde. Ook [verweerder] mocht op grond daarvan ervan uitgaan dat hij op een voldoende niveau functioneerde. Bovendien is niet gebleken dat er in de periode na 15 maart 2016 tot eind 2016 door Bakkersland kritiek is geuit op het functioneren van [verweerder] . Bakkersland stelt dat dit tijdens diverse gesprekken wel degelijk is gebeurd, maar [verweerder] betwist dat en Bakkersland heeft geen schriftelijke verslagen van die (gestelde) gesprekken overgelegd.

4.4.

Bakkersland heeft vervolgens in november 2016 besloten aan [verweerder] een coachingstraject aan te bieden omdat zij kennelijk (opnieuw?) van mening was dat hij disfunctioneerde. De timing is opmerkelijk en roept vragen op aangezien [verweerder] op dat moment net een maand in vaste dienst van Bakkersland was en er, gelet op hetgeen in 4.3 is overwogen, vanuit mocht gaan dat hij voldeed aan de functievereisten van Teamleider. Bakkersland heeft niet kunnen uitleggen wat er in het functioneren van [verweerder] na 20 oktober 2016 is gewijzigd. Verder valt op dat het aanvankelijk aan [verweerder] aangeboden traject via MTSR ook zag op een hersenonderzoek. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom [verweerder] een dergelijk onderzoek diende te ondergaan. Het moet er derhalve voor gehouden worden dat [verweerder] dit onderzoek terecht geweigerd heeft.

4.5.

Vervolgens is het coachingstraject via HBM op 13 februari 2017 van start gegaan met een intakegesprek. Met [verweerder] is de kantonrechter van oordeel dat het er alle schijn van heeft dat Bakkersland dit traject geen kans heeft gegeven. Immers op 13 maart 2017 (na één sessie) heeft [naam leidinggevende 1] met [verweerder] reeds een gesprek ter evaluatie van de voortgang en daarbij (onbetwist) tegen [verweerder] gezegd dat er sprake was van weinig vooruitgang. Een dergelijke conclusie na één sessie is wel erg voorbarig. Vervolgens heeft Bakkersland op 25 april 2017, terwijl het coachingstraject nog bezig was (op advies van [naam regiomanager HBM] van 19 april 2017) eenzijdig besloten om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te beëindigen. Dat [verweerder] toen met de inhoud van dat advies en met beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft ingestemd, is niet gebleken. Het advies van [naam regiomanager HBM] valt voorts niet te rijmen met de later door [naam coach HBM] opgestelde (ongedateerde) eindevaluatie waarin, weliswaar in zeer algemene bewoordingen, een positief beeld van het coachingstraject wordt geschetst.

4.6.

Het voorgaande overziend is de kantonrechter van oordeel dat Bakkersland niet bewezen heeft dat er sprake is van ongeschiktheid van [verweerder] tot het verrichten van de bedongen arbeid. Voor zover het functioneren van [verweerder] na oktober 2016 te wensen overliet, hetgeen door [verweerder] gemotiveerd is betwist, heeft [verweerder] onvoldoende gelegenheid gekregen van Bakkersland om daar verbetering in aan te brengen. Het verzoek is derhalve niet toewijsbaar op de door Bakkersland aangevoerde primaire grondslag.

4.7.

De arbeidsovereenkomst is bij beschikking van 12 juli 2017 wel ontbonden op grond van de subsidiair aangevoerde grondslag. Dat de arbeidsverhoudingen zijn verstoord, is door [verweerder] ter zitting immers erkend. Ook hij ziet gelet daarop geen mogelijkheid meer om voor Bakkersland te blijven werken.

4.8.

Het einde van de arbeidsovereenkomst is overeenkomstig art. 7:671b lid 8 aanhef en onder a BW bepaald op 31 augustus 2017.

4.9.

Bakkersland stelt dat de aan [verweerder] te betalen transitievergoeding € 3.089,97 bruto bedraagt. [verweerder] heeft in reactie hierop gesteld dat dit bedrag juist is. Derhalve is Bakkersland veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan transitievergoeding.

4.10.

De aan [verweerder] toegekende billijke vergoeding is gegrond op het oordeel dat Bakkersland een ernstig verwijt gemaakt dient te worden van de verstoorde arbeidsverhouding. Dienaangaande wordt als volgt overwogen. Bakkersland heeft [verweerder] aanvankelijk twee wekelijks tot maart 2016 aanhoudend bekritiseerd op diens functioneren. Dat dit functioneren onder de maat was, kan zij echter niet volhouden aangezien de arbeidsovereenkomst telkens is voortgezet, laatstelijk zelfs voor onbepaalde tijd. Dat die kritiek een eerste aanzet is geweest van een verstoorde verhouding tussen partijen is aannemelijk, maar dit is dan wel te wijten aan Bakkersland. Voorts is [verweerder] al die tijd zijn werkzaamheden blijven verrichten en heeft hij gepoogd aan de kritiekpunten van Bakkersland tegemoet te komen. Bakkersland lijkt ook te betogen dat [verweerder] heeft geweigerd iets te doen met de kritiek van Bakkersland. Uit de gedingstukken blijkt echter het tegendeel. [verweerder] heeft zich steeds constructief opgesteld en (behoudens de terechte weigering van het eerste coachingstraject met QEEG) steeds medewerking verleend. Vervolgens heeft Bakkersland [verweerder] een ander coachingstraject aangeboden. Dat Bakkersland zodoende [verweerder] heeft willen helpen zijn functioneren te verbeteren, is echter niet aannemelijk. Het traject heeft namelijk alle kenmerken van een (aanloop naar een) exit-traject, aangezien reeds na één sessie [naam leidinggevende 1] met [verweerder] heeft besproken dat er weinig vooruitgang geboekt wordt. Bovendien heeft Bakkersland na iets meer dan een maand, nog voordat het traject was afgerond, reeds besloten om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te beëindigen en hem vrijgesteld van werkzaamheden. Als gevolg van dit aan Bakkersland ernstig te verwijten optreden is de arbeidsverhouding tussen partijen verstoord. Bakkersland dient om die reden aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen.

4.11.

Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding laat de kantonrechter buiten beschouwing dat [verweerder] thans door Bakkersland is vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden. De omstandigheid dat [verweerder] geen werkzaamheden meer verricht maar wel loon ontvangt dient gelet op de hiervoor geschetste voorgeschiedenis volledig voor rekening en risico van Bakkersland te blijven. Wel relevant is dat het loon van [verweerder] (omgerekend) € 2.918,35 bruto per maand bedraagt (inclusief vakantiebijslag). Ook relevant is dat [verweerder] door het ernstig verwijtbaar handelen van Bakkersland thans zich er min of meer noodgedwongen bij heeft moeten neerleggen en moeten erkennen dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter schat in dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen, indien het verzoek niet was ingediend, nog ongeveer een half jaar zou hebben geduurd - de arbeidsverhouding zou naar verwachting steeds verstoorder raken, Bakkersland zou [verweerder] nog meer gaan “zoeken”, [verweerder] zou nog meer “de hakken in het zand” gaan zetten of bezwijken onder de druk en partijen zouden alsnog in beider belang uit elkaar moeten gaan - en dat [verweerder] gedurende die periode dus nog in totaal circa € 15.000,00 loon ontvangen zou hebben. Een vergoeding tot deze hoogte wordt derhalve reëel geacht. Hierop strekt dan wel de transitievergoeding in mindering, zodat daarom aan [verweerder] afgerond € 12.000,00 bruto billijke vergoeding is toegewezen.

4.12.

Bakkersland is als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding.

5 De (aanvullende) beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verwijst naar en volhardt in zijn beslissing van 12 juli 2017.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Hoekstra en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW