Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:83

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-01-2017
Datum publicatie
13-01-2017
Zaaknummer
5311201 aAZ VERZ 16-169
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst. Verzoek wijziging procespartij wordt toegestaan. Art. 225 Rv en art. 227 Rv zijn niet van toepassing op verzoekschriftprocedure. Nadat getuigen zijn gehoord, wordt de arbeidsovereenkomst op de e-grond ontbonden. Omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van werknemer, wordt transitievergoeding afgewezen. (Voorwaardelijke) tegenverzoeken van werknemer worden eveneens afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0027
AR 2017/253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 5311201 AZ VERZ 16-169

Beschikking van de kantonrechter van 6 januari 2017

MD

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ARRIVA multimodaal b.v.,

statutair gevestigd en kantoor houdend te Heerenveen,

verzoekende partij, verwerende partij in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken,

gemachtigde mr. R.J.C. Brouwer,

tegen:

[verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] ,

wonend aan de [adres] ,

[woonplaats] ,

verwerende partij, verzoekende partij in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken,

gemachtigde mr. A.M.C. Kuijer.

Partijen zullen hierna Arriva en [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] genoemd worden.

1 De verdere procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het getuigenverhoor aan de zijde van Veolia d.d. 24 november 2016 waarvan proces-verbaal is opgemaakt;

- het verzoek wijziging procespartij van Veolia d.d. 30 november 2016 en de antwoordakte van [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] d.d. 22 december 2016;

- het tegenverhoor aan de zijde van [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] d.d. 19 december 2016 waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

1.2.

Vervolgens hebben partijen om beschikking gevraagd, die is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Voor de omschrijving van de feiten wordt verwezen naar de tussenbeschikking van 27 oktober 2016 (hierna: de tussenbeschikking).

3 Het verzoek, het verweer en de (voorwaardelijke) tegenverzoeken

3.1.

Ook hier geldt dat voor een beschrijving wordt verwezen naar de tussenbeschikking.

4 De verdere beoordeling

Procedureel

4.1.

De rechtsvoorgangster van Arriva, Veolia, heeft een verzoek wijziging procespartij gedaan. Alhoewel zij daarin heeft verwezen naar de art. 225 en 227 Rv, is de kantonrechter van oordeel dat deze bepalingen niet op de verzoekschriftprocedure van toepassing zijn (in gelijke zin: gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 25 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1852). Nu [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] bij antwoordakte heeft kunnen reageren op dit verzoek en uit zijn reactie niet blijkt dat hij daardoor in zijn (processuele) belangen is geschaad, zal het verzoek tot wijziging procespartij worden toegestaan. Om die reden is in de kop van deze beschikking alléén Arriva als verzoekende en verwerende partij in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken opgenomen, nu zij de rechtsopvolgster van Veolia is. Het verweer dat Veolia geen belang heeft bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan geen stand houden, omdat haar rechtsopvolgster Arriva daarbij wel voldoende belang heeft. Eventueel (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] ten tijde van het dienstverband met Veolia wordt door de overgang van de concessie en de overgang van alle direct herleidbare werknemers (inclusief [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] ) van Veolia naar Arriva niet weggenomen. Voorts miskent [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] dat blijkens het verzoek wijziging procespartij ook Arriva uitdrukkelijk heeft verzocht om de arbeidsovereenkomst met [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] te ontbinden. Op de vraag of herplaatsing in de rede ligt, zal hierna in rechtsoverweging 4.4. worden ingegaan.

Inhoudelijk

4.2.

Bij tussenbeschikking is Arriva opgedragen om door alle middelen rechtens, meer in het bijzonder door middel van het horen van getuigen, te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] op 9 mei, 25 mei en 29 juni 2016 te vroeg zijn dienst heeft beëindigd.

9 mei 2016

4.2.1.

Uit de verklaringen van de getuigen blijkt dat alleen [naam teamleider] , teamleider bij Arriva, op 9 mei 2016 heeft gezien dat [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] zijn dienst vroegtijdig heeft beëindigd. [naam manager] , manager bij Arriva, heeft verklaard dat hij dit zelf niet gezien. De getuige [naam steward 1] (steward bij Arriva) heeft zowel op 9 mei, 25 mei en 29 juni niet samengewerkt met [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] . Getuige [naam steward 2] (eveneens steward bij Arriva) heeft alléén over 25 mei 2016 kunnen verklaren. Genoegzaam is komen vast te staan dat – los van de vraag of [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] ook op 9 mei 2016 te vroeg zijn dienst heeft beëindigd – de waarnemingen van [naam teamleider] aanleiding waren om nader te onderzoeken of [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] vaker zijn dienst voortijdig beëindigde.

25 mei 2016

4.2.2.

[naam teamleider] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij op 25 mei 2016 samen met [naam manager] heeft gepost en geconstateerd dat [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] om 12 minuten voor 1.00 uur met zijn auto kwam langsrijden. Volgens [naam teamleider] is het onmogelijk om, als men met de trein van 20 voor 1.00 uur aankomt, 10 minuten later op de parkeerplaats te zijn waarop de auto van [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] stond en waarin hij wegreed. Het lopen van het station naar de parkeerplaats bij het Nedtrain-gebouwtje kost zo’n 6 á 8 minuten, maar voor die wandeling moet men eerst nog zijn spullen opbergen en ‘afstorten’ in het dienstgebouw. Ook [naam manager] heeft – samengevat – verklaard dat hij op 25 mei 2016 samen met [naam teamleider] heeft gepost (bij het weggetje tussen het oude en het nieuwe CBS-kantoor in Heerlen) en gezien heeft dat [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] ongeveer 12 minuten voor 1.00 uur langs kwam rijden in zijn privé auto.

4.2.3.

[naam steward 2] heeft – zoals reeds vermeld – alléén over 25 mei 2016 kunnen verklaren. Verder heeft hij over die datum als volgt verklaard:

“Ik kan zeggen dat ik met de heer [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] op 25 mei [2016] heb samengewerkt. We hadden toen een late dienst die formeel eindigt om 1.00 uur. We zijn toen met de trein aangekomen om 00.43 uur, op spoor 1. We zij toen naar de kantine en het kantoor van ons gelopen. Dat is een afstand van ongeveer 700 meter. We hebben daar gesynchroniseerd en de spullen opgeborgen in de kast. We hebben toen gewacht op einde tijd en we zijn toen naar huis gegaan. We zijn samen vertrokken en hebben gelopen naar de parkeerplaats waar onze auto’s stonden. We zijn toen vrijwel gelijker tijd weggereden, ik als eerste.

(…)

Als ik moet lopen van het kantoor/de kantine naar de parkeerplaats, duurt dat 6 á 7 minuten.

Op 25 mei 2016 hebben wij echt gewacht op kantoor tot 1.00 uur, voordat we dus samen vertrokken”.

4.2.4.

De verklaring van [naam steward 2] over 25 mei 2016 strookt geheel niet met hetgeen [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] (die zichzelf overigens niet als partij-getuige heeft laten horen) tijdens de mondelinge behandeling op 25 oktober 2016 en in zijn verweerschrift heeft gesteld.

Volgens [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] was hij immers “ruim op tijd” op zijn standplaats (Heerlen), terwijl uit de verklaring van [naam steward 2] blijkt dat [naam steward 2] en [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] pas met de allerlaatste trein op de standplaats Heerlen zijn gearriveerd. Los van de vraag of dit ruim of niet ruim op tijd is, heeft [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat hij – vanwege dat ruim op tijd terug zijn – op het station oudere passagiers, die moeite hadden met de trappen, heeft geholpen met het uitchecken van hun vervoersbewijzen. [naam steward 2] heeft daarentegen verklaard dat hij en [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] , nadat zij met de trein om 00.43 uur in Heerlen waren aangekomen, rechtstreeks naar de kantine zijn gelopen. Bovendien heeft [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] aangegeven dat hij alleen naar Heerlen is doorgereisd, zodat hij niet meer heeft kunnen werken (controles moeten immers altijd met z’n tweeën worden verricht). Ook deze lezing verhoudt zich geenszins met de verklaring van collega [naam steward 2] , die heeft verklaard dat hij samen met [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] is teruggereisd naar Heerlen.

4.2.5.

De conclusie uit het vorenstaande is dat genoegzaam is komen vast te staan dat [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] , terwijl hij op 25 mei 2016 tot 01.00 uur dienst had, voortijdig zijn dienst heeft

beëindigd.

29 juni 2016

4.2.6.

Uit de verklaringen van zowel [naam manager] als [naam teamleider] volgt dat toen zij op 29 juni 2016 stonden te posten, zelf hebben gezien dat de auto van [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] ongeveer 12 minuten voor 01.00 uur langsreed. Hiertegenover staat de blote ontkenning van [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] , die verder op geen enkele wijze wordt ondersteund. [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] heeft zichzelf verder ook niet onder ede als partij-getuige laten horen. Derhalve gaat de kantonrechter ervan uit dat [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] ook op 29 juni 2016 zijn dienst te vroeg heeft beëindigd, nu er geen enkele aanleiding is om aan de juistheid van de verklaringen van [naam manager] en [naam teamleider] te twijfelen.

Conclusie ten aanzien van bewijslevering

4.3.

De conclusie is dat Arriva in haar bewijslevering is geslaagd. De getuigen [naam steward 1] en [naam steward 2] hebben verklaard dat anderen ook wel eens een dienst eerder beëindigen en dat het een kwestie van geven en nemen is. [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] kan – indien al juist, hetgeen door Arriva uitdrukkelijk is betwist – dit eerder beëindigen van zijn diensten niet rechtvaardigen. [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] gaat immers volledig voorbij aan het feit dat hij in het gesprek met [naam manager] op
23 februari 2016 is aangesproken op het feit dat hij zijn diensten eerder beëindigde. In de brief van 25 februari 2016, waarbij de inhoud van het gesprek van 23 februari 2016 is bevestigd en waarvan die inhoud als niet weersproken vaststaat, staat immers:

“In hetzelfde gesprek [op 23 februari 2016] ben je aangesproken op het feit dat je een half uur eerder dan het einde van de dienst naar huis bent gegaan. Je kon hier geen goede reden voor geven. Ook hierover zijn afspraken gemaakt: je gaat je voortaan strikt houden aan de eind- en begintijden van je dienst”. Met andere woorden: [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] was een gewaarschuwd mens. Gelet op het gesprek en de inhoud van deze brief was voor [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] zonder meer duidelijk dat niet werd toegestaan dat hij zijn diensten eerder beëindigde.

E-grond

4.4.

In de tussenbeschikking is reeds overwogen dat, wanneer Arriva slaagt in haar bewijslevering, het ontbindingsverzoek op de e-grond (verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer) zal worden toegewezen. Daaraan lag mede ten grondslag dat [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] – die als BOA geacht wordt zijn wettelijke bevoegdheden te kennen – ook niet consistent is geweest in zijn stellingen over het innemen van mobieltjes van reizigers op korte trajecten om te voorkomen dat ze wegrennen voordat de bekeuring is uitgeschreven. Tijdens de mondelinge behandeling op 25 oktober 2016 heeft [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] zelfs erkend dat hij als BOA weet dat hij geen mobieltjes mag innemen om dit wegrennen te voorkomen. Ook heeft hij ter zitting te kennen geven dat hij deze methode zelf heeft bedacht: “in een opwelling de eerste keer, maar het werkt”. In het verweerschrift wordt daarentegen de suggestie gewekt dat hij de methode van het innemen van mobieltjes heeft overgenomen van collega’s (“het is een handelswijze die door stewards vaak wordt gebruikt”). Voorts staat vast dat [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] hierover geen overleg heeft gevoerd met zijn directe leidinggevenden, terwijl hij wist dat er geen wettelijke basis was voor het innemen van mobieltjes van reizigers. Desgevraagd heeft [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] ter zitting geantwoord dat hij niet weet waarom hij dit niet met zijn werkgever heeft overlegd. Dit, in samenhang bezien met het feit dat Arriva in haar bewijslevering is geslaagd, leidt tot het oordeel dat de e-grond alleen al daarom voldragen is. De overige voorvallen die Arriva heeft aangevoerd ter invulling van de e-grond (beweerde schending re-integratieverplichtingen, beweerd plichtsverzuim wegens roken op perron, het niet volledig dragen van bedrijfskleding en het aanspreken van twee minderjarige reizigers met “schatjes”) behoeven daardoor geen beoordeling meer. Ook aan een beoordeling van de subsidiaire grond van het ontbindingsverzoek wordt niet meer toegekomen. Herplaatsing ligt gelet op art. 7:669 lid 1 BW niet in de rede, omdat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] . Met toepassing van het bepaalde in art. 7:671b lid 8, onderdeel b, BW zal de arbeidsovereenkomst tussen partijen worden ontbonden met ingang van 1 februari 2017.

Transitievergoeding

4.5.

In casu is sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] : het herhaaldelijk zonder voorafgaande toestemming van de werkgever voortijdig beëindigen van de dienst na daarvoor mondeling en schriftelijk te zijn gewaarschuwd én het zonder bevoegdheid in beslag nemen van mobiele telefoons van reizigers, terwijl hij wist dat hij daartoe geen bevoegdheid had, maken dat daarvan sprake is. Vanwege dat ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] kan aan hem ingevolge het bepaalde in art. 7:673 lid 7, onderdeel c, BW geen transitievergoeding worden toegekend. Ook in de tussenbeschikking was dit reeds aangekondigd voor het geval Arriva in de bewijslevering zou slagen.

(Voorwaardelijke) tegenverzoeken

4.6.

[verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] heeft, indien het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen, verzocht rekening te houden met de opzegtermijn en aan hem een billijke vergoeding van € 20.000,00 bruto ten laste van Arriva toe te kennen. Uit voorgaande overwegingen volgt dat er geen aanleiding bestaat om toepassing te geven aan het bepaalde in art. 7:671b, lid 8, onderdeel a, BW (zo begrijpt de kantonrechter althans het verzoek om rekening te houden met de opzegtermijn) en dat er geen grondslag bestaat om aan [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] een billijke vergoeding toe te kennen. De tegenverzoeken van [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] worden mitsdien afgewezen.

4.7.

Aangezien er aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen vergoeding wordt verbonden, kan reeds aanstonds een eindbeslissing worden gegeven en behoeft Arriva niet in de gelegenheid te worden gesteld om haar verzoek in te trekken.

Proceskosten (in het verzoek en de tegenverzoeken):

4.8.

[verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] dient als de geheel in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, die aan de zijde van Arriva tot op heden worden begroot op
€ 717,00 (zijnde € 117,00 griffierecht plus € 600,00 aan salaris gemachtigde waarbij
€ 100,00 is inbegrepen voor het bijwonen van de enquête aan de eigen zijde en € 100,00 voor het bijwonen van de contra-enquête).

5 De beslissing

De kantonrechter:

In het verzoek

5.1.

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van
1 februari 2017;

5.2.

wijst het meer of anders verzochte af;

In de tegenverzoeken

5.3.

wijst het verzochte af;

In het verzoek en de tegenverzoeken

5.4.

veroordeelt [verweerder, verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken] tot betaling van de kosten van deze procedure, aan de zijde van Arriva tot op heden begroot op € 717,00;

5.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Hoekstra en is in het openbaar uitgesproken.