Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:828

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
02-02-2017
Zaaknummer
5604847 CV 16-11685
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Werkgever gaat, na daarover met werknemer (en later: met diens gemachtigde) te hebben gesproken en onderhandeld, over tot eenzijdige aanpassing van werktijden van werknemer. Werknemer kan zich niet in die aanpassing vinden en vordert in kort geding om te mogen blijven werken conform de bedongen werktijden. Geen eenzijdig wijzigingsbeding overeengekomen. Aangezien er sprake is van een wijziging van een individuele arbeidsvoorwaarde – niet zijnde een kernarbeidsvoorwaarde – dient er getoetst te worden aan het bepaalde in art. 7:611 BW. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847 (Stoof/Mammoet), worden daarbij drie stappen onderscheiden. Aan de hand van deze drie stappen toetst de voorzieningenrechter of werkgever vooralsnog gerechtigd moet worden geacht tot (eenzijdige) aanpassing van de werktijden van werknemer. De conclusie is dat het voorstel van werkgever tot wijziging van de arbeidsovereenkomst met werknemer naar voorlopig oordeel redelijk geacht moet worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/569
AR-Updates.nl 2017-0122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 5604847 CV EXPL 16-11685

MD

Vonnis van de kantonrechter in kort geding van 26 januari 2017

in de zaak van:

[eiser]

wonend te [woonplaats] aan de [adres]

eiser

gemachtigde mr. C.H.J. Voncken-Crijns

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

hajnadi klimaattechniek b.v.

gevestigd en kantoorhoudend te Kerkrade

gedaagde

gemachtigde mr. M.H.M. Murrer

Partijen zullen hierna [eiser] respectievelijk Hajnadi genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- een exploot van dagvaarding alsmede de bijbehorende doch eerst bij ‘akte’ in het geding gebrachte producties 1 tot en met 18;

- de producties 1 tot en met 4 van Hajnadi;

- de mondelinge behandeling d.d. 19 januari 2017, alwaar de voorzieningenrechter heeft meegedeeld dat de onleesbare aanvullende productie 19 van [eiser] buiten beschouwing wordt gelaten nu die productie te laat – namelijk binnen 24 uur voor de zitting – en onder protest van Hajnadi in het geding is gebracht;

- de ter zitting door de gemachtigde van Hajnadi voorgedragen pleitnota.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Hajnadi drijft een onderneming die is gespecialiseerd in klimaatbeheersing. Tachtig procent van de klanten van Hajnadi bestaat uit woningcorporaties, twintig procent uit particuliere klanten. Met deze woningcorporaties heeft Hajnadi prestatiecontracten gesloten. In die prestatiecontracten is bepaald dat Hajnadi bij een storing binnen een uur ter plekke moet zijn. Als Hajnadi er niet in slaagt om binnen twee uur weer warmte in de door de woningcorporatie verhuurde woning te krijgen, verbeurt zij doorgaans een boete.

2.2.

[eiser] is sedert 12 juni 2006 krachtens arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij Hajnadi in dienst als service- en onderhoudsmonteur. Zijn laatstelijk genoten loon bedroeg € 2.417,73 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Metaal en Techniek (deel a) en de cao voor het Technisch Installatiebedrijf (deel b) van toepassing.

2.3.

De groep van service- en onderhoudsmonteurs binnen Hajnadi bestaat (inclusief [eiser] ) uit twaalf werknemers, exclusief enkele leerlingen.

2.4.

Bij Hajnadi is geen ondernemingsraad ingesteld.

2.5.

In de arbeidsovereenkomst is onder de kop ‘werktijden’ opgenomen dat de werkzaamheden van 08.00 uur tot 16.45 uur worden verricht. In de arbeidsovereenkomst is géén eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen.

2.6.

Vanaf 12 juni 2006 tot 1 november 2012 heeft [eiser] zijn werkzaamheden verricht van maandag tot en met vrijdag van 8.00 uur tot 16.45 uur. Vanaf 1 november 2012 heeft [eiser] zijn werkzaamheden van maandag tot en met vrijdag van 8.30 uur tot 17.15 uur verricht. [eiser] verricht vanaf de ingangsdatum van zijn arbeidsovereenkomst met Hajnadi tevens consignatiediensten en werkt ook regelmatig over.

2.7.

Op 1 april 2016 is [eiser] 55 jaar geworden.

2.8.

In de cao Metaal en Techniek is in art. 21 lid 4 – voor zover hier relevant – bepaald dat een werknemer van 55 jaar en ouder verplicht kan worden tot het verrichten van maximaal vijf overuren per vier weken. Op 25 april 2016 heeft [eiser] geweigerd om op dinsdag 26 april 2016 consignatiedienst te verrichten, onder verwijzing naar deze cao-bepaling. Bij brief van 25 april 2016 heeft Hajnadi aan [eiser] bericht dat het maximaal aantal overuren voor die maand nog niet is bereikt en dat deze ‘werkweigering’ zal worden opgenomen in zijn personeelsdossier.

2.9.

In de periode nadien hebben partijen (later bijgestaan door de respectieve gemachtigden) met elkaar gesproken en gecorrespondeerd over een wijziging van de werktijden. Dat heeft niet tot een minnelijke oplossing geleid, ondanks het feit dat van beide zijden diverse varianten voorgesteld zijn.

2.10.

Bij brief van 2 december 2016 heeft de gemachtigde van Hajnadi aan de gemachtigde van [eiser] bericht dat Hajnadi met ingang van 1 januari 2017 overgaat tot (eenzijdige) aanpassing van de werktijden van [eiser] . De werktijden zijn vanaf die

datum als volgt:

- in het tijdvak oktober tot en met maart tussen 10.15 uur en 19.00 uur;

- in het tijdvak april tot en met september van 8.30 uur tot 17.15 uur.

Verder bericht de gemachtigde van Hajnadi in haar brief dat het huidige uurloon wordt gehandhaafd, evenals de overeengekomen consignatiediensten. Voorts heeft de gemachtigde van Hajnadi in dit schrijven bericht dat Hajnadi zich zal houden aan de in rechtsoverweging

2.8.

weergeven cao-bepaling.

2.11.

Met ingang van 1 januari 2017 is [eiser] daadwerkelijk zijn werkzaamheden gaan verrichten overeenkomstig de voor dit tijdvak door Hajnadi voorgeschreven werktijden.

2.12.

[eiser] is de enige werknemer binnen de groep service- en onderhoudsmonteurs van Hajnadi voor wie de werktijden (eenzijdig) zijn gewijzigd. De overige elf werknemers binnen de groep service- en onderhoudsmonteurs van Hajnadi zijn allen jonger dan 55 jaar, zodat de in de cao voorziene limiet van vijf overuren per vier weken voor hen niet geldt.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, mede tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. Hajnadi te gebieden om hem binnen 24 uur na betekening van dit vonnis in staat te stellen zijn werkzaamheden te verrichten conform zijn bedongen werktijden, te weten van 08.30 uur tot 17.15 uur, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat Hajnadi daarmee in gebreke blijft;

II. Hajnadi te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij niet heeft ingestemd met de eenzijdige wijziging van zijn werktijden door zijn werkgever met ingang van 1 januari 2017. Hij wijst erop dat de in de arbeidsovereenkomst andere werktijden zijn overeengekomen dan de werktijden die Hajnadi vanaf die datum ten aanzien van hem heeft doorgevoerd. Hij beschouwt het werkrooster zoals dat tot dusver gold als strikte ‘arbeidsvoorwaarde’. Deze wijziging is in strijd met het bepaalde in art. 6:248 lid 2 BW en/of art. 6:258 BW, aldus [eiser] . Bovendien is er geen sprake van een zodanig zwaarwichtig belang aan de zijde van Hajnadi dat zijn belang dat door deze wijziging wordt geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Volgens [eiser] brengt de wijziging van de werktijden het risico met zich dat hij en zijn partner hierdoor gezondheidsproblemen krijgen. Verder heeft [eiser] ter zitting aangevoerd dat ook zijn sociale leven door de aanpassing van de werktijden in de knel komt doordat hij in ’s avonds minder tijd heeft: hij is verantwoordelijk voor het verzorgen van het avondeten thuis en hij speelt in een bandje dat in de avond repeteert. Ten slotte heeft hij ter zitting nog gesteld dat hij door het verlate aanvangstijdstip van zijn werkzaamheden geen contact meer heeft met andere monteurs.

3.3.

Voor zover [eiser] verweer voert, wordt daarop hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Om een voorziening te kunnen treffen als gevorderd, moet worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans bestaat dat [eiser] het gelijk aan zijn zijde zal krijgen als één van de partijen een bodemprocedure begint, en moet [eiser] er tevens spoedeisend belang bij hebben dat op het oordeel in de bodemprocedure vooruit wordt gelopen. Daarbij dient de voorzieningenrechter uit te gaan van de feiten met de beperkte onderzoeksmogelijkheden die het kort geding hem biedt, aangezien formele bewijslevering in deze procedure in beginsel niet plaatsvindt.

4.2.

De vorderingen van [eiser] zijn naar hun aard spoedeisend, nu de eenzijdige wijziging van zijn werkrooster met ingang van 1 januari 2017 door Hajnadi is doorgevoerd.

4.3.

Vooropgesteld wordt verder dat geen eenzijdig wijzigingsbeding is overeengekomen, zodat er niet getoetst dient te worden aan het bepaalde in art. 7:613 BW. Verder blijkt uit de vordering van [eiser] zelf dat een werkrooster met de uren tussen 8.30 en 17.15 uur als overeengekomen werktijd in de periode 1 november 2012 tot 1 januari 2017 moet worden beschouwd.

4.4.

Anders dan Hajnadi bepleit heeft, is de wijziging in de werktijden van [eiser] een wijziging in zijn arbeidsvoorwaarden. Ofschoon een wettelijke definitie van het begrip arbeidsvoorwaarden ontbreekt, hanteert de voorzieningenrechter de volgende ruime definitie: alle afspraken die door de werkgever en werknemer in het kader van de arbeidsovereenkomst zijn gemaakt. In het onderhavige geval is sprake van een individuele wijziging op een wezenlijk onderdeel van die arbeidsvoorwaarden. De omstandigheid dat het totaal aantal te werken uren en het daarop gebaseerde loon door de wijziging van de werktijden geen verandering ondergaan (en er dus geen sprake is van ‘extra uren’ zoals [eiser] ter zitting heeft gesteld, doch van ‘verschoven uren’), maakt dat niet anders.

4.5.

Aangezien er sprake is van een wijziging van een individuele arbeidsvoorwaarde – niet zijnde een kernarbeidsvoorwaarde – dient er getoetst te worden aan het bepaalde in art. 7:611 BW. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847 (Stoof/Mammoet), moeten in een dergelijk geval drie stappen worden onderscheiden:

1. Is er sprake van gewijzigde omstandigheden die nopen tot wijziging van de arbeidsovereenkomst?

2. Is het gedane voorstel tot wijziging van de overeenkomst in het licht van alle omstandigheden van het geval redelijk?

3. Kan aanvaarding van het voorstel in redelijkheid van de werknemer worden gevergd?

Hierna zal aan de hand van deze drie stappen getoetst worden of Hajnadi vooralsnog gerechtigd moet worden geacht tot (eenzijdige) aanpassing van de werktijden van [eiser] .

4.5.1.

Benadrukt wordt dat [eiser] , ten opzichte van de overige elf werknemers binnen de groep service- en onderhoudsmonteurs van Hajnadi, in een unieke positie is komen te verkeren doordat hij 55 jaar is geworden. Ofschoon het [eiser] vrijstond om zijn werkgever te wijzen op de nieuwe verplichtingen ingevolge de cao Metaal en Techniek die vanwege het bereiken van die leeftijd ontstonden, kan er niet aan voorbij worden gegaan dat Hajnadi hierdoor beperkt wordt in het totale aantal door [eiser] te verrichten overuren per vier weken. Het bereiken van de 55-jarige leeftijd en het strikte beroep op onverkorte naleving van die cao-bepaling vormen tezamen gewijzigde omstandigheden als bedoeld in Stoof/Mammoet. Daar komt nog bij dat Hajnadi uitvoerig heeft toegelicht dat de markt waarin zij opereert, is veranderd doordat er steeds meer prestatiecontracten zijn afgesloten (zie rechtsoverweging 2.1.) en dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er – vooral in najaar en winter – tussen 17.00 en 19.00 uur een piekbelasting is (klanten komen thuis van hun werk en constateren dan pas dat hun cv-ketel niet werkt). De conclusie is dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden die redelijkerwijs nopen tot een wijziging van de arbeidsovereenkomst van [eiser] .

4.5.2.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is het voorstel tot wijziging redelijk. Partijen hebben driekwart jaar gepoogd om in onderling overleg tot een oplossing te komen, waarbij Hajnadi heeft getracht om rekening te houden met de belangen van [eiser] .

Voorts worden er in de wijziging per 1 januari 2017 twee in duur identieke tijdvakken gehanteerd, zodat [eiser] gedurende zes maanden gewoon conform zijn ‘oude werktijden’ (van 8.30 tot 17.15 uur) kan blijven werken. [eiser] miskent dat de verschuiving van zijn werktijden in het tijdvak oktober tot en met maart (tussen 10.15 uur en 19.00 uur) relatief beperkt is en dat zijn werktijden niet zijn verlengd, maar zijn verschoven.

4.5.3.

Bij de derde stap op grond van Stoof/Mammoet is cruciaal of Hajnadi kan rechtvaardigen waarom alléén de werktijden van [eiser] , en niet ook die van de overige elf monteurs, zijn aangepast. Daarover is ter zitting uitvoerig gedebatteerd. Hajnadi heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij door het bereiken van de 55-jarige leeftijd van [eiser] én zijn beroep op het bepaalde in art. 21 lid 4 van de cao Metaal en Techniek beperkt is in haar oplossingen. De andere werknemers binnen de groep monteurs zijn tijdens consignatiediensten namelijk beschikbaar om tot 19.00 uur (en daarna) werkzaamheden te verrichten, zonder dat daaraan op grond van de cao een maximum is gekoppeld (uiteraard binnen de grenzen van de Arbeidstijdenwet). Ook heeft Hajnadi toegelicht dat het collectief verzetten naar een starttijd van 10.15 uur leidt tot onvoldoende bezetting in de ochtenduren. Aldus heeft Hajnadi het aanpassen van de werktijden van [eiser] genoegzaam kunnen rechtvaardigen. De door [eiser] aangevoerde persoonlijke omstandigheden kunnen niet tot een ander voorlopig oordeel leiden. Vooropgesteld wordt dat [eiser] slechts gesteld heeft dat de kans bestaat dat er gezondheidsproblemen bij hem en zijn partner ontstaan. Nog daargelaten dat volstrekt onduidelijk is of dit risico zich verwezenlijkt, ontbreekt iedere
– van bevoegde medische zijde ondersteunde – onderbouwing van deze stelling. Daarnaast is de wijziging van de werktijden dermate beperkt dat het sociale leven van [eiser] daardoor niet wordt aangetast in de mate die hij wil doen voorkomen. Met een iets andere dagindeling moet het zeker mogelijk zijn om ook in het ‘late tijdvak’ zijn hobby’s en overige bezigheden te blijven uitoefenen. De verminderde contacten met overige monteurs leggen evenmin voldoende gewicht in de schaal: de monteurs verrichten hun werkzaamheden doorgaans alleen en hebben het meest contact met de baliemedewerkers wanneer zij ’s ochtends hun materialen komen ophalen. De contacten met de overige monteurs zijn daardoor sowieso al beperkt. Bovendien heeft Hajnadi ter zitting te kennen gegeven dat zij het wenselijk acht dat alle monteurs bij de maandelijkse vergadering aanwezig zijn en dat bij het plannen van die vergadering rekening wordt gehouden met het werkrooster van [eiser] . De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat Hajnadi die toezegging ook nakomt.

4.6.

De conclusie uit het voorgaande is dat het voorstel van Hajnadi tot wijziging van de arbeidsovereenkomst met [eiser] met ingang van 1 januari 2017 in het licht van de hiervoor beschreven omstandigheden naar voorlopig oordeel redelijk geacht moet worden. Bij afweging van de belangen van beide partijen dient het belang van Hajnadi te prevaleren, zodat aanvaarding van het voorstel in redelijkheid van [eiser] kon worden gevergd. [eiser] heeft in dit kort geding de voorzieningenrechter er niet van overtuigd dat zijn vordering voldoende body heeft om naar verwachting de bodemrechter tot toewijzing te brengen: de voorwaarde waaraan minimaal voldaan zou moeten zijn om bij kort geding gedaan te krijgen dat ingegrepen wordt in het inmiddels gewijzigde urenrooster. Zijn vordering wordt daarom afgewezen.

4.7.

[eiser] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De kosten aan zijde van Hajnadi worden tot op heden begroot op
€ 600,00 aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vordering van [eiser] af;

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die aan de zijde van Hajnadi op € 600,00 bepaald zijn.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.