Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:8254

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-08-2017
Datum publicatie
11-09-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3662u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tenuitvoerlegging voorwaardelijk strafontslag. Na afronding disciplinair traject ambtenaar Belastingdienst in verband met loonbeslagen opnieuw vier loonbeslagen. Van ambtenaren werkzaam bij de Belastingdienst mag worden verlangd dat zij hun financiële verplichtingen stipt en correct nakomen. Het bestaan van financiële problemen vormt een integriteitsrisico voor de ambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst. Motiveringsgebrek met betrekking tot in aanmerking te nemen belangen wordt met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd, omdat de betrokken ambtenaar zijn standpunt ter zake ter zitting heeft kunnen toelichten en daarbij niets nieuws of anders naar voren is gebracht dan hij eerder naar voren heeft gebracht in de procedure. Persoonlijke omstandigheden en gestelde financiële gevolgen leiden niet tot een ander oordeel. De rechtbank is er niet van overtuigd dat de betrokken ambtenaar alles heeft gedaan wat nodig was om uit de financiële problemen te komen c.q. deze te voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 16/3662

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.W.M. van Doorn),

en

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. D.H.M. van der Veen-Lüers).

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser wegens ernstig plichtsverzuim op grond van het bepaalde in de artikelen 50, eerste lid, 80 en 81, eerste lid, aanhef en onder l en artikel 81, derde lid van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.

Bij besluit van 7 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is sinds 2006 werkzaam bij de Belastingdienst. Verweerder heeft eiser op

26 april 2013 de disciplinaire maatregel van een schriftelijke berisping opgelegd en een vermindering van zijn recht op vakantieaanspraak voor het jaar 2013 met 62 uur, omdat hij zijn financiële verplichtingen niet is nagekomen en er acht loonbeslagen in de periode van

maart 2010 tot februari 2013 zijn gelegd. Na afronding van het disciplinaire traject in 2013 is opnieuw vier maal beslag gelegd op eisers loon. Bij besluit van 15 juli 2014 is eiser tijdelijk belast met andere werkzaamheden in afwachting van het besluit inzake een nog in te dienen voorstel tot (on)voorwaardelijk ontslag.

2. Bij brief van 7 oktober 2014 is eiser in kennis gesteld van het voornemen tot voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar en vermindering van het recht op jaarlijkse vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal uren. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een zienswijze in te dienen.

3. Bij besluit van 24 november 2014 is aan eiser de straf van voorwaardelijk strafontslag met een proeftijd van twee jaar in combinatie met de straf van vermindering van het recht op de jaarlijkse vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal uren opgelegd. Verweerder heeft hieraan – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat eiser bij herhaling en gedurende een zeer lange periode structureel zijn financiële verplichtingen niet is nagekomen, waardoor schuldeisers zich genoodzaakt hebben gezien om loonbeslag te laten leggen, eiser hierop bij herhaling is aangesproken door zijn leidinggevende, meer dan eens kenbaar is gemaakt dat eiser zijn leidinggevende dient te informeren bij een mogelijk volgend loonbeslag en eiser is medegedeeld dat zijn gedrag kan leiden tot het opleggen van een disciplinaire straf. Eiser is eerder disciplinair gestraft voor zijn ongepaste gedrag en is duidelijk gewaarschuwd voor het feit dat herhaling van zijn onjuiste gedrag kan leiden tot het opleggen van zwaardere disciplinaire maatregelen, waarbij de straf van (on)voorwaardelijk ontslag niet uitgesloten wordt geacht. Ondanks de vele waarschuwingen en aangeboden hulp heeft eiser zijn ongewenste en onprofessionele gedrag niet veranderd. Van een ambtenaar van de Belastingdienst kan een dergelijk gedrag niet getolereerd worden. Het feit dat eiser er al sedert enkele jaren en bij herhaling op gewezen is dat het niet nakomen van zijn financiële verplichtingen waarvoor loonbeslag moet worden gelegd als plichtsverzuim moet worden aangemerkt, eiser al eerder bestraft is voor dezelfde gedraging als nu in geding, alsook het feit dat er diverse handreikingen zijn gedaan om eisers financiële problemen oplosbaar te maken, waarvan eiser eerst na enige tijd gebruik heeft willen maken, worden als strafverzwarende omstandigheden aangemerkt. Eiser heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend, zodat het in rechte vaststaat.

4. In verband met nieuwe loonbeslagen (op verzoek van Zorginstituut Nederland een maandelijkse inhouding van de bestuursrechtelijke premie van € 152,53 en een beslag in verband met een vordering van het Zorginstituut Nederland van 1.497,07 exclusief kosten en op verzoek van Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg in verband met een vordering van € 480,25) in de proefperiode is eiser bij besluit van 1 februari 2016 met onmiddellijke ingang geschorst in het belang van de dienst. Tevens heeft verweerder eiser de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, ontzegd. Deze maatregelen zijn vooralsnog voor de duur van drie maanden opgelegd.

5. Bij brief van 22 februari 2016 is eiser in kennis gesteld van de tenlastelegging plichtsverzuim. Hierin is opgenomen dat vaststaat dat na het opleggen van het voorwaardelijk strafontslag viermaal beslag is gelegd op eisers salaris. Eiser is in de gelegenheid gesteld schriftelijk verantwoording af te leggen voor de nieuwe loonbeslagen.

6. Bij brief van 1 april 2016 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van het voornemen tot tenuitvoerlegging van het bij besluit van 24 november 2014 opgelegde voorwaardelijk ontslag. Bij besluit van diezelfde datum is eiser met ingang van de tweede dag na dagtekening van dit besluit onder wijziging van de grondslag geschorst voor de tijd die nodig is om een besluit te nemen naar aanleiding van het voornemen om de straf van voorwaardelijk ontslag ten uitvoer te leggen. Tevens is de ontzegging van de toegang tot de gebouwen verlengd tot het moment dat er een besluit is genomen naar aanleiding van het voornemen tot opleggen van onvoorwaardelijk strafontslag en is eisers bezoldiging met ingang van de tweede dag na die waarop het besluit is verzonden, gedurende tenminste zes weken voor één derde deel ingehouden. Ook is eiser bij een andere brief van diezelfde datum in kennis gesteld van het voornemen om na verloop van zes weken over te gaan tot inhouding van de volledige bezoldiging.

7. Bij het primaire besluit is verweerder overgegaan tot tenuitvoerlegging van het bij besluit van 24 november 2014 voorwaardelijk opgelegde ontslag. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

8. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en daaraan ten grondslag gelegd dat vaststaat dat op eisers salaris tot viermaal toe beslag is gelegd, waarvan (ten minste) drie maal binnen de proeftijd. Gelet hierop is sprake van een soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor eiser op 24 november 2014 disciplinair is gestraft. Niet is gebleken dat het plichtsverzuim eiser niet kan worden aangerekend.

De omstandigheden die door eiser zijn aangegeven zoals de financiële problemen als gevolg van de slechte verkoop van zijn woning en de achteruitgang van salaris bij de overstap van het UWV naar de Belastingdienst kunnen niet als verontschuldiging voor het (niet) tijdig voldoen van de betalingsverplichtingen worden aangemerkt. De door eiser ondernomen acties zijn onvoldoende. Bovendien heeft eiser geen openheid van zaken gegeven. Verweerder komt aan de evenredigheidstoets niet toe.

9. Eiser heeft zich niet met dit besluit kunnen verenigen en heeft daartoe in beroep aangevoerd dat hij alles heeft gedaan wat in zijn macht lag om actief schoon schip te maken. Hij heeft in zijn privélasten bezuinigd op alle posten waarop bezuinigd kan worden, zo heeft hij levensverzekeringen afgekocht om schulden mee af te betalen. Eiser heeft ook de door verweerder aangeboden hulp via de bedrijfsmaatschappelijk werker geaccepteerd, maar deze kon niets meer voor hem betekenen na een afwijzing op een verzoek om een oplossing via het sociaal fonds te vinden. Er is sprake van onmacht en eiser heeft wel degelijk openheid van zaken gegeven. Verweerder had in bezwaar in moeten gaan op de door eiser overgelegde financiële gegevens. Eiser stelt verder dat verweerder wel degelijk de evenredigheid van het opgelegde strafontslag had moeten beoordelen. Bijzondere omstandigheden zijn in dit geval dat eiser zijn vaste bron van inkomsten heeft verloren, geen recht heeft op een WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid en hij terugvalt op een inkomen op bijstandsniveau. Mede hierdoor raakt eiser nog verder in de schulden. Andere bijzondere omstandigheden zijn de leeftijd van eiser (60 jaar), zijn onberispelijke staat van dienst van 37 dienstjaren en het feit dat het goed functioneren van eiser nooit ter discussie heeft gestaan. Daarnaast was eiser ook met hulp van een budgetcoach bezig met het opzetten van een structurele en stabiele financiële situatie.

10. De rechtbank overweegt als volgt.

11. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT2637 en 8 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8508) moet bij de toetsing van een besluit tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk strafontslag beoordeeld worden of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf rechtvaardigt. Naast die beoordeling is er geen plaats meer voor een evenredigheidstoetsing. Beoordeeld moet dus worden of de gestelde voorwaarde voor de tenuitvoerlegging is vervuld, en zo ja, of de voor die tenuitvoerlegging in aanmerking te nemen belangen zijn afgewogen en of in redelijkheid tot die tenuitvoerlegging kon worden gekomen. Gezien het karakter van een besluit tot tenuitvoerlegging is deze belangenafweging van beperkte betekenis. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan van een bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van tenuitvoerlegging in een geval waarin de voorwaarde voor die tenuitvoerlegging is vervuld.

12. Bij het voorwaardelijk strafontslag is bepaald dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd indien eiser zich gedurende een periode van twee jaar niet schuldig maakt aan soortgelijk of enig ander ernstig plichtsverzuim. Vast staat dat eiser nadat hem voorwaardelijk strafontslag was opgelegd opnieuw in financiële problemen is geraakt zonder

dit bij zijn leidinggevende te melden en zichzelf opnieuw in de situatie heeft gebracht dat meermalen beslag op zijn loon is gelegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze gedragingen terecht heeft gekwalificeerd als soortgelijk ernstig plichtsverzuim. Daarbij wordt verweerder gevolgd in zijn opvatting dat van ambtenaren werkzaam bij de Belastingdienst, mag worden verlangd dat zij hun financiële verplichtingen stipt en correct nakomen en dat het bestaan van financiële problemen een integriteitsrisico vormt voor de ambtenaar en de Belastingdienst. Dit brengt mee dat de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf van ontslag zijn vervuld. Dat verweerder eerst in het verweerschrift een standpunt ten aanzien van de in aanmerking te nemen belangen heeft ingenomen leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek in verweerders besluitvorming met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren, omdat eiser zijn standpunt ter zitting heeft kunnen toelichten en daarbij niets nieuws of anders naar voren is gebracht dan hij al eerder naar voren had gebracht in de procedure. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over zijn persoonlijke omstandigheden en de financiële gevolgen die een ontslag op deze grond meebrengen, kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om van zijn ontslagbevoegdheid gebruik te maken. Daarbij is van belang dat eiser de rechtbank er niet van heeft kunnen overtuigen dat hij alles heeft gedaan wat nodig was om uit de financiële problemen te komen c.q. deze te voorkomen.

13. Het beroep is ongegrond.

14. De rechtbank ziet vanwege het door eiser terecht aangevoerde bevoegdheidsgebrek (zie o.w. 12) aanleiding verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Tevens bestaat aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens (voorzitter), en mr. E.P.J. Rutten en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. I.M.T. Wijnands, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 24 augustus 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.