Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:8192

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
24-08-2017
Zaaknummer
03/661132-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Tussen de minderjarige en de verdachte is sprake geweest van een “normale” seksuele relatie die binnen de geschetste context niet in strijd is met de sociaal-ethische norm, hoewel er sprake was van een leeftijdsverschil van vier jaar. Van betekenis voor die context zijn: relatie duurde vijf jaar, na anderhalf jaar woonde verdachte bij minderjarige en haar ouders en sliepen zij met instemming van de ouders samen.

De ten laste gelegde seksuele handelingen zijn niet aan te merken als ontuchtig in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Familie en jeugd

Parketnummers: 03/661132-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 augustus 2017

in de strafzaak tegen

[de verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedag verdachte] 1992,

wonende te [woonplaats verdachte] , [adres verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. P.B.A. Acda, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 oktober 2016 en 18 juli 2017. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Namens de benadeelde partij is verschenen mr. S. Philippi, advocate te Venlo.

De onderhavige zaak is - met instemming van alle partijen - gelijktijdig en in het openbaar behandeld met de zaak onder parketnummer 03/702601-17,welke laatste dagvaarding ziet op de periode van het ten laste legde waarin verdachte minderjarig was.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte in de periode van 1 april 2010 tot en met 9 oktober 2013 buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het seksueel binnendringen in het lichaam van een meisje dat de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van zestien jaar had bereikt,

3 De voorvragen

De bevoegdheid van de rechtbank.

De rechtbank heeft zich ter zitting van 11 oktober 2016 - op vordering van de officier van justitie - onbevoegd verklaard voor een deel van de tenlastelegging, te weten de periode van 1 april 2010 tot 29 november 2010, aangezien verdachte toen nog minderjarig was.

De geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding betreffende een deel van de ten laste gelegde periode (namelijk van 1 april 2010 tot en met 9 oktober 2013) partieel nietig moet worden verklaard op grond van het volgende. Het slachtoffer, geboren op [geboortedag aangeefster] 1996, is vanaf 10 oktober 2012 zestien jaar oud, hetgeen innerlijk tegenstrijdig is met het bestanddeel “die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt”.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat de tenlastegelegde periode in 4 periodes verdeeld dient te worden.

De eerste de periode loopt van 1 april 2010 tot 29 november 2010 (gedagvaard onder parketnummer 03/702601-17) waarin verdachte minderjarig is. De andere periodes betreffen het bovenvermelde parketnummer (03/661132) en zijn als volgt te onderscheiden. De tweede periode loopt van 29 november 2010 tot oktober 2011, het moment waarop verdachte bij [de aangeefster] komt wonen en onderdeel van het gezin uitmaakt. De derde periode loopt van oktober 2011 tot 10 oktober 2012, de dag waarop [de aangeefster] 16 jaar wordt. De vierde periode loopt van 10 oktober 2012 tot 9 oktober 2013.

De vraag die beantwoord dient te worden is of de seksuele handelingen van verdachte gedurende de gehele ten laste gelegde periode als ontuchtig zijn aan te merken. Tegenover de verklaring van [de aangeefster] dat zij gedurende de hele periode gedwongen is tot seks staat de verklaring van verdachte dat er sprake was van een gewone (seksuele) relatie.

Het leeftijdsverschil is bij de beoordeling of er sprake is van ontuchtigheid van groot belang, in de jurisprudentie zijn daarvoor aanknopingspunten te vinden, maar naast het leeftijdsverschil worden ook andere omstandigheden meegewogen. Het gerechtshof Arnhem heeft in zijn arrest van 21 mei 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:330) seksuele handelingen, ondanks het feit dat er geen affectieve relatie was, niet als ontuchtig aangemerkt nu er sprake was van vrijwilligheid, het leeftijdsverschil tussen aangeefster (13 jaar en 10 maanden) en verdachte (16 jaar en 1 maand) niet aanmerkelijk was en de seksuele handelingen kennelijk door getuigen als normaal werden beschouwd.

In casu was er sprake van een relatie die op enig moment als normaal werd beschouwd door de omgeving. [de aangeefster] is in haar verklaring niet consistent over de (on)vrijwilligheid van de seksuele contacten en de getuigen verklaren wel over ruzies tussen verdachte en [de aangeefster] , maar niet specifiek in het kader van het al dan niet hebben van seks. De moeder heeft wel eens blauwe plekken bij [de aangeefster] gezien, maar [de aangeefster] verklaarde toen tegenover de moeder dat deze door iets anders waren veroorzaakt.

Voor de officier van justitie staat vast dat de ouders vanaf het moment dat verdachte bij de familie [de aangeefster] inwoonde de relatie en het hebben van seks hebben geaccepteerd. De door [de aangeefster] gestelde druk door verdachte kan niet nader worden onderbouwd. Als de omgeving de (seksuele) relatie accepteerde, hoe zou het dan voor verdachte duidelijk moeten zijn geweest dat dit strafrechtelijk niet kan?

De officier van justitie is van oordeel dat het leeftijdsaspect in de periode vóór de inwoning bij de familie van [de aangeefster] wel een belangrijke factor is. [de aangeefster] is 13 jaar en verdachte is 17 jaar. Van verdachte mocht op grond van het grote leeftijdsverschil een andere houding worden verwacht. Hoewel de ouders de relatie accepteerden, is niet gebleken dat de ouders in die periode het seksuele element accepteerden. De officier van justitie acht het leeftijdsaspect zo zwaarwegend dat er sprake is van ontuchtige handelingen zodat het onder voormeld parketnummer 03/702601-17 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie is van oordeel dat met betrekking tot de tweede periode, van 29 november 2010 tot oktober 2011, dus tot het moment waarop verdachte bij [de aangeefster] komt wonen, de ontuchtigheid eveneens wettig en overtuigend bewezen kan worden, zij het dat er wel sprake is van een glijdende schaal. Zij is daarom van oordeel dat een strafoplegging niet is aangewezen en vordert een schuldigverklaring zonder oplegging van straf.

Vanaf november 2011 tot 10 oktober 2012 is er geen sprake meer van ontuchtigheid van de seksuele handelingen, zodat verdachte van dat deel dient te worden vrijgesproken.

De officier van justitie merkt op dat de rechtbank ten aanzien van de vierde periode (van 10 oktober 2012 tot 9 oktober 2013) mogelijk tot het oordeel komt dat dat deel van de dagvaarding innerlijk tegenstrijdig is aangezien [de aangeefster] dan inmiddels 16 jaar oud is.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, op gronden zoals aangegeven in de overgelegde pleitnota, die aan het vonnis is gehecht, vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit vanwege – kort samengevat – het ontbreken van het ontuchtig karakter van de handelingen.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat verdachte en [de aangeefster] een affectieve relatie hebben gehad waarbij vanaf april 2010, toen [de aangeefster] 13 jaar was en verdachte 17 jaar, seksuele handelingen (waaronder het binnendringen van het lichaam) tussen hen plaatsvonden tot aan het einde van de relatie vijf jaar later, in elk geval tot 9 oktober 2012, het moment waarop [de aangeefster] zestien jaar is geworden. De tenlastegelegde seksuele handelingen kunnen in die zin dan ook bewezen worden geacht.

De vraag die vervolgens aan de orde is, is of deze seksuele handelingen als ontuchtig moeten worden aangemerkt in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Blijkens de wetsgeschiedenis strekt artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien.

Volgens vaste jurisprudentie kan onder omstandigheden aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtige karakter ontbreken. Als relevante omstandigheden in dat verband kunnen gelden de vaststelling dat die handelingen vrijwillig hebben plaatsgevonden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen evenals het bestaan van een affectieve relatie tussen beiden. Normale consensuele seksuele contacten tussen jongeren zijn als zodanig aan te merken en vallen derhalve buiten de strafwetgeving. De maatstaf hierbij is of de desbetreffende seksuele handeling algemeen als sociaal-ethisch is aanvaard. Bij het oordeel over het al dan niet ontuchtige karakter van bepaalde handelingen komt het in belangrijke mate neer op de weging en waardering van de omstandigheden van het geval.

Op grond van de volgende feiten en omstandigheden merkt de rechtbank de seksuele handelingen in kwestie niet als ontuchtig aan.

[de aangeefster] en verdachte kenden elkaar al sinds eind 2009 van wederzijdse activiteiten met hun respectievelijke vriendengroep (zoals bijvoorbeeld bezoek aan de kermis en samen zwemmen). Verdachte heeft toen kort ‘verkering’ gehad met een (toen 13-jarige) vriendin van [de aangeefster] . Op een gegeven moment zijn [de aangeefster] en verdachte met elkaar gaan praten en msn-en. Op 28 maart 2010 kregen zij een relatie en binnen 2 weken was het de eerste keer dat zij seks met elkaar hadden waarbij sprake was van penetratie (seksueel binnendringen).

Het leeftijdsverschil van 4 jaar acht de rechtbank gelet op deze omstandigheden niet dusdanig groot dat moet worden aangenomen dat in een dergelijke situatie seksuele handelingen altijd als ontuchtig zijn aan te merken.

Hoewel verdachte en [de aangeefster] hier tegenovergesteld over verklaren komt de rechtbank voorts niet tot de conclusie dat er tussen hen geen sprake was van een seksuele relatie gebaseerd op basis van wederzijdse vrijwilligheid. Dit baseert de rechtbank op de volgende omstandigheden. Verdachte en [de aangeefster] kwamen vanaf het begin van hun relatie bij elkaar over de vloer en hun ouders waren op de hoogte van de relatie. Het werd ook toegestaan dat zij samen op hun respectievelijke slaapkamer verbleven. Na anderhalf jaar kwam verdachte in het gezin van [de aangeefster] wonen en sliep hij met medeweten van de ouders bij haar op de kamer. In het begin op een matras op de grond naast haar hoogslaper, later in een tweepersoonsbed.

Ook is uit de verklaringen van verdachte, [de aangeefster] en de moeder van [de aangeefster] gebleken dat er in ieder geval op drie verschillende momenten met de moeder is gesproken over het hebben van seks met elkaar. Hieruit is impliciet de goedkeuring van een ouder af te leiden, evenals uit het feit dat [de aangeefster] en verdachte op een zelfde slaapkamer sliepen, in een tweepersoonsbed. Voor de omgeving van [de aangeefster] was niet en is nooit duidelijk geworden dat er sprake zou zijn van dwang, er waren wel strubbelingen en ruzies tussen verdachte en [de aangeefster] , maar deze gingen voor zover getuigen dit hoorden, niet over seks.

[de aangeefster] heeft pas aangifte gedaan van seks onder dwang nadat de relatie was verbroken en haar nieuwe vriend verhaal was gaan halen bij verdachte. Dit plaatst zowel de beginperiode als het eind van de relatie in een bepaald licht, zeker gelet op het feit dat de relatie vijf jaar heeft geduurd.

Gezien bovenstaande feiten en omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat tussen [de aangeefster] en de verdachte sprake is geweest van een “normale” seksuele relatie die binnen de geschetste context, waarbij de goedkeuring door de ouders van belangrijke betekenis is, niet in strijd is met de sociaal-ethische norm.

Nu de seksuele handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde feit.

5 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

5.1.

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [de aangeefster] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend met betrekking tot de als gevolg van het tenlastegelegde geleden materiële en immateriële schade.

5.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard aangezien de vordering ziet op een langere periode dan is tenlastegelegd. Bovendien is de vordering te complex en niet van eenvoudige aard.

5.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel afgewezen dient te worden, primair gelet op het feit dat hij vrijspraak heeft bepleit en subsidiair aangezien de vordering te complex is om in de strafzaak te behandelen.

5.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu verdachte van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt, wordt vrijgesproken.

De benadeelde partij kan haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Aangezien de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard, zal de verdachte niet worden veroordeeld in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt. Niet gebleken is dat verdachte (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van de civiele vordering. De rechtbank heeft deze kosten vastgesteld op nihil.

6 De beslissing

De rechtbank:

De partiële nietigverklaring dagvaarding

- verklaart de dagvaarding betreffende tenlastegelegde de periode van 10 oktober 2012 tot en met 9 oktober 2013 partieel nietig;

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde feit;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

- verklaart de benadeelde partij [de aangeefster] niet-ontvankelijk in haar vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt tot heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. Wassenberg, voorzitter, mr. drs. C.M.J. van den Acker en mr. drs. E.J.M. Boogaard-Derix, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.C. Tolkamp-Gazenbeek, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 augustus 2017.

Mr. drs. C.M.J. van den Acker en mr. drs. E.J.M. Boogaard-Derix zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2010 tot en met 9 oktober 2013 te Baarlo, gemeente Peel en Maas, in elk geval in het arrondissement Limburg, met [de aangeefster] , geboren op [geboortedag aangeefster] 1996, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, meermalen althans eenmaal (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [de aangeefster] ;