Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:8188

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
24-08-2017
Zaaknummer
03/702601-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Tussen de minderjarige en de verdachte is sprake geweest van een “normale” seksuele relatie die binnen de geschetste context niet in strijd is met de sociaal-ethische norm, hoewel er sprake was van een leeftijdsverschil van vier jaar. Van betekenis voor die context zijn: relatie duurde vijf jaar, na anderhalf jaar woonde verdachte bij minderjarige en haar ouders en sliepen zij met instemming van de ouders samen.

De ten laste gelegde seksuele handelingen zijn niet aan te merken als ontuchtig in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Familie en Jeugd

Parketnummer: 03/702601-17

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken d.d. 1 augustus 2017

in de strafzaak tegen de destijds minderjarige

[de verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedag verdachte] 1992,

wonende te [woonplaats verdachte] , [adres verdachte] ,

De verdachte wordt bijgestaan door mr. P.B.A. Acda, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 juli 2017. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Namens de benadeelde partij is verschenen mr. S. Philippi, advocate te Venlo.

De onderhavige zaak is - met instemming van alle partijen - gelijktijdig en in het openbaar behandeld met de (aangehouden) zaak onder parketnummer 03/661132-16, welke dagvaarding ziet op hetzelfde strafbare feit, maar dan vanaf het moment waarop verdachte meerderjarig is geworden.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte in de periode van 1 april 2010 tot 29 november 2010 buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het seksueel binnendringen in het lichaam van een meisje dat de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van zestien jaar had bereikt.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat de vraag beantwoord dient te worden of de seksuele handelingen van verdachte gedurende de ten laste gelegde periode (1 april 2010 - 29 november 2010) als ontuchtig zijn aan te merken. Tegenover de verklaring van [de aangeefster] dat zij gedurende de hele periode gedwongen is tot seks staat de verklaring van verdachte dat er sprake was van een gewone (seksuele) relatie.

Het leeftijdsverschil is bij de beoordeling of er sprake is van ontuchtigheid van groot belang. In de jurisprudentie zijn wel aanknopingspunten te vinden, maar naast het leeftijdsverschil worden ook andere omstandigheden meegewogen. Het gerechtshof Arnhem heeft in zijn arrest van 21 mei 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:330) seksuele handelingen, ondanks het feit dat er geen affectieve relatie was, niet als ontuchtig aangemerkt nu er sprake was van vrijwilligheid, het leeftijdsverschil tussen aangeefster (13 jaar en 10 maanden) en verdachte (16 jaar en 1 maand) niet aanmerkelijk was en de seksuele handelingen kennelijk door getuigen als normaal werden beschouwd.

In casu was er sprake van een relatie die op enig moment als normaal werd beschouwd door de omgeving. [de aangeefster] is in haar verklaring niet consistent over de (on)vrijwilligheid van de seksuele contacten en getuigen verklaren wel over ruzies tussen verdachte en [de aangeefster] , maar niet specifiek in verband met het al dan niet hebben van seks.

Voor de officier van justitie staat vast dat de ouders de relatie en het hebben van seks hebben geaccepteerd. De door [de aangeefster] gestelde druk door verdachte kan niet nader worden onderbouwd. Als de omgeving de (seksuele) relatie accepteerde, hoe zou het dan voor verdachte duidelijk zijn geweest dat dit strafrechtelijk niet kan?

De officier van justitie is van oordeel dat het leeftijdsaspect in de periode vóór de inwoning bij de familie van [de aangeefster] wel een belangrijke factor is. [de aangeefster] was toen 13 jaar en verdachte was 17 jaar. Van verdachte mocht op grond van het grote leeftijdsverschil een andere houding worden verwacht. Hoewel de ouders de relatie accepteerden, is niet gebleken dat de ouders in die periode het seksuele element accepteerden. De officier van justitie acht het leeftijdsaspect in de ten laste gelegde periode (1 april 2010 - 29 november 2010) zo zwaarwegend dat er sprake is van ontuchtige handelingen zodat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie acht verdachte ook strafbaar en vordert een werkstraf van 60 uur subsidiair 30 dagen jeugddetentie.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, op gronden zoals aangegeven in de overgelegde pleitnota, die aan het vonnis is gehecht, vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit vanwege - kort samengevat - het ontbreken van het ontuchtig karakter van de handelingen.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat verdachte en [de aangeefster] in de ten laste gelegde periode een affectieve relatie hebben gehad waarbij vanaf april 2010, toen [de aangeefster] 13 jaar was en verdachte 17 jaar, seksuele handelingen (waaronder het binnendringen van het lichaam) tussen hen plaatsvonden. De tenlastegelegde seksuele handelingen kunnen in die zin dan ook bewezen worden geacht.

De vraag die vervolgens aan de orde is, is of deze seksuele handelingen als ontuchtig moeten worden aangemerkt in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Blijkens de wetsgeschiedenis strekt artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien.

Volgens vaste jurisprudentie kan onder omstandigheden aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtige karakter ontbreken. Als relevante omstandigheden in dat verband kunnen gelden de vaststelling dat die handelingen vrijwillig hebben plaatsgevonden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen evenals het bestaan van een affectieve relatie tussen beiden. Normale consensuele seksuele contacten tussen jongeren zijn als zodanig aan te merken en vallen derhalve buiten de strafwetgeving. De maatstaf hierbij is of de desbetreffende seksuele handeling algemeen als sociaal-ethisch is aanvaard. Bij het oordeel over het al dan niet ontuchtige karakter van bepaalde handelingen komt het in belangrijke mate neer op de weging en waardering van de omstandigheden van het geval.

Op grond van de volgende feiten en omstandigheden merkt het de rechtbank de seksuele handelingen in kwestie niet als ontuchtig aan.

[de aangeefster] en verdachte kenden elkaar al sinds eind 2009 van wederzijdse activiteiten met hun respectievelijke vriendengroep (zoals bijvoorbeeld bezoek aan de kermis en samen zwemmen). Verdachte heeft toen kort ‘verkering’ gehad met een (toen 13-jarige) vriendin van [de aangeefster] . Op een gegeven moment zijn [de aangeefster] en verdachte met elkaar gaan praten en msn-en. Op 28 maart 2010 kregen zij een relatie en binnen 2 weken was het de eerste keer dat zij seks met elkaar hadden waarbij sprake was van penetratie (seksueel binnendringen). Het leeftijdsverschil van 4 jaar acht de rechtbank gelet op deze omstandigheden niet dusdanig groot dat moet worden aangenomen dat in een dergelijke situatie seksuele handelingen altijd als ontuchtig zijn aan te merken.

Hoewel verdachte en [de aangeefster] hier tegenovergesteld over verklaren komt de rechtbank voorts niet tot de conclusie dat er tussen hen geen sprake was van een seksuele relatie op basis van wederzijdse vrijwilligheid. Dit baseert de rechtbank op de volgende omstandigheden. Verdachte en [de aangeefster] kwamen vanaf het begin van hun relatie bij elkaar over de vloer en hun ouders waren op de hoogte van de relatie. Het werd ook toegestaan dat zij samen op hun respectievelijke slaapkamer verbleven.

[de aangeefster] , die niet geheel consistent is in haar verklaringen met betrekking tot de door haar gestelde druk en het uitgeoefende geweld door de verdachte, verklaart met betrekking tot het begin van de relatie dat zij ’ook wel eens van die momenten had waarop zij er ook zin in had’.

Voor de omgeving van [de aangeefster] was niet en is nooit duidelijk geworden dat er sprake zou zijn van dwang, er waren wel strubbelingen en ruzies tussen elkaar, maar deze gingen voor zover de getuigen dit hoorden, niet over seks.

[de aangeefster] heeft pas aangifte gedaan van seks onder dwang nadat de relatie was verbroken en haar nieuwe vriend verhaal was gaan halen bij verdachte. Dit plaatst ook de beginperiode van de relatie in een bepaald licht, zeker gelet op het feit dat de relatie vijf jaar heeft geduurd.

Gezien bovenstaande feiten en omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat tussen [de aangeefster] en de verdachte sprake is geweest van een “normale” seksuele relatie tussen twee jeugdige personen die binnen de geschetste context, waarbij de goedkeuring door de ouders van belangrijke betekenis is, niet in strijd is met de sociaal-ethische norm.

Dit beeld wordt nog versterkt nu uit het dossier blijkt dat verdachte rond oktober 2010 in het gezin van [de aangeefster] mocht komen wonen en daarbij, kennelijk met goedvinden van de ouders, de slaapkamer en het tweepersoonsbed deelde met [de aangeefster] .

Nu de seksuele handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde feit.

4 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

4.1.

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [de aangeefster] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend met betrekking tot de als gevolg van het tenlastegelegde geleden materiële en immateriële schade.

4.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard aangezien de vordering ziet op een langere periode dan is tenlastegelegd. Bovendien is de vordering te complex en niet van eenvoudige aard.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel afgewezen dient te worden, primair gelet op het feit dat hij vrijspraak heeft bepleit en subsidiair aangezien de vordering te complex is om in de strafzaak te behandelen.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu verdachte van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt, wordt vrijgesproken.

De benadeelde partij kan haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Aangezien de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard, zal de verdachte niet worden veroordeeld in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt. Niet gebleken is dat verdachte (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van de civiele vordering. De rechtbank heeft deze kosten vastgesteld op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde;

Benadeelde partij(en) en schadevergoedingsmaatregel(en)

- verklaart de benadeelde partij [de aangeefster] niet-ontvankelijk in haar vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. Wassenberg, voorzitter, mr. drs. C.M.J. van den Acker en mr. drs. E.J.M. Boogaard-Derix, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van

mr. E.A.C. Tolkamp-Gazenbeek, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van

1 augustus 2017.

Mr. drs. C.M.J. van den Acker en mr. drs. E.J.M. Boogaard-Derix zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2010 tot 29 november 2010 te Baarlo, gemeente Peel en Maas, in elk geval in het arrondissement Limburg, met [de aangeefster] , geboren op [geboortedag aangeefster] 1996, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, meermalen althans eenmaal (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [de aangeefster] .