Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:8167

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2193
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Het verzoek van eiser om schadevergoeding wegens (onder meer) nadelige fiscale gevolgen van een nabetaling van te weinig betaalde partnertoeslag is door verweerder afgewezen. De rechtbank oordeelt dat verweerder geacht moet worden de onrechtmatigheid van de vaststelling van de partnertoeslag te hebben erkend nu hij die vaststelling achteraf als onjuist heeft aangemerkt en heeft herzien. Het standpunt van verweerder, dat ten tijde van de aanvraag sprake was van schending van de inlichtingenplicht van artikel 49 van de AOW en verweerder om die reden niet schadeplichtig is als gevolg van het verkeerd korten van inkomsten, volgt de rechtbank hierbij niet. De rechtbank is tevens van oordeel dat verweerder eiser op grond van artikel 4:7 van de Awb in de gelegenheid had moeten stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen nu bij de toekenning is afgeweken van de gegevens die eiser bij de aanvraag heeft verstrekt. Dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen de vaststelling van de toeslag acht de rechtbank voorts verontschuldigbaar, nu in het toekenningbesluit geen melding is gemaakt van de afwijking van de aanvraag en in de bij het besluit gevoegde berekening niet is aangegeven dat rekening is gehouden met inkomsten uit arbeid bij een thuishulporganisatie. De rechtbank acht de onzorgvuldigheid in de voorbereiding en de lacune in de motivering van het toekenningsbesluit van dien aard dat de schade die door de latere nabetaling is ontstaan aan dat besluit is toe te rekenen en derhalve voor rekening van verweerder moet komen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 16/2193

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. L.M.E. Embregts),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. M.F. Sturmans).

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser

om vergoeding van geleden schade afgewezen.

Bij besluit van 20 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2017. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld van zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan eiser is bij besluit van 7 juni 2011 per september 2011 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW) toegekend van bruto € 413,42. Daarbij is een toeslag toegekend voor zijn partner, onder gedeeltelijke korting van haar inkomsten uit arbeid. De partner, mevrouw [naam] . Bij de aanvraag om toekenning van een AOW-uitkering is desgevraagd door eiser doorgegeven dat zijn partner inkomen uit arbeid heeft. Op het formulier inkomstenopgave heeft hij vermeld dat zij werkte als gastouder bij Via Viela. Desgevraagd heeft eiser een betalingsbewijs dienaangaande aan verweerder gestuurd. Verweerder heeft na raadpleging van (kennelijk) Suwinet geconstateerd dat de partner van eiser over de periode van 1 januari 2011 tevens inkomsten van Meander Hulp Thuis heeft genoten. Deze inkomsten heeft verweerder mede in aanmerking genomen bij de vaststelling van de partnertoeslag.

2. Bij besluit van 27 december 2012 heeft verweerder de toeslag op het AOW-pensioen over de periode september 2011 tot en met december 2012 gewijzigd omdat het inkomen van de partner per 1 september 20111 is gewijzigd. Hierdoor is in 2013 een nabetaling gedaan aan eiser van € 3.516,93 netto (€ 4.673,66 bruto). Deze nabetaling ineens heeft ertoe geleid dat eiser zich geconfronteerd zag met enkele voor hem nadelige fiscale gevolgen. Zo heeft hij in 2013 € 507,- meer aan inkomstenbelasting betaald dan wanneer de nabetaling niet ineens was gedaan in 2013. De verschuldigde premie volksverzekeringen valt door de nabetaling € 558,- hoger uit. Daarnaast heeft eiser door de nabetaling geen recht meer op huurtoeslag over 2013. Eiser houdt verweerder aansprakelijk voor deze nadelige fiscale gevolgen. Daarom heeft hij bij brief van 27 oktober 2015 verzocht om een schadevergoeding van € 4.564,-, bestaande uit voornoemde bedragen alsook uit de kosten van het procederen tegen de Belastingdienst (€ 650,- advocaatkosten en € 167,- griffierecht).

3. Verweerder heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen en het tegen de afwijzing gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, omdat volgens hem geen sprake is van een aan verweerder toe te rekenen onrechtmatig handelen. De nabetaling is een gevolg van het feit dat niet eerder dan naar aanleiding van een hercontrole in november 2012 is gebleken dat de inkomsten van de partner lager waren dan waarvan bij de toekenning van de AOW-uitkering en partnertoeslag is uitgegaan. Tevens is gebleken dat het dienstverband bij Meander Thuishulp per 11 augustus 2011 is beëindigd. Het had volgens verweerder op de weg van eiser gelegen om tijdig melding te maken van de juiste, gewijzigde inkomsten.

4. Eiser is het niet met verweerder eens. Hij stelt zich op het standpunt dat hij geen onjuiste gegevens heeft verstrekt en dat hij ook niet op de hoogte was van het feit dat verweerder gedurende genoemde periode van onjuiste inkomstengegevens is uitgegaan. Hierbij geldt volgens hem geen verplichting om tijdig de juiste inkomstengegevens door te geven, omdat verweerder deze gegevens zelf opvraagt bij de Belastingdienst. De weigering om de geleden schade te vergoeden is volgens eiser in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Hierbij stelt eiser zich tevens op het standpunt dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde inherente afwijkingsbevoegdheid. In beroep stelt eiser zich tevens op het subsidiaire standpunt dat, voor zover sprake is van rechtmatig handelen van verweerder, eiser recht heeft op nadeelcompensatie.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

6. Per 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen van kracht met uitsluiting van een aantal artikelen. Gelet op het overgangsrecht, als genoemd in artikel IV van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50), is in deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold tot 1 juli 2013. De gestelde schade is immers veroorzaakt door een besluit of handeling op een tijdstip gelegen vóór 1 juli 2013.

7. Bij de toetsing van een zelfstandig schadebesluit als hier aan de orde wordt volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) aansluiting gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en voorts dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij aan het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (uitspraak van 28 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0611).

8. Desgevraagd ter zitting heeft eiser naar voren gebracht dat volgens hem de besluiten van 7 juni 2011 (het toekenningbesluit) en van 27 december 2012 (het herzieningsbesluit dat heeft geleid tot de nabetaling) onrechtmatig zijn. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen deze besluiten. Dit betekent dat in beginsel uitgegaan moet worden van de rechtmatigheid van deze besluiten. Dit lijdt alleen dan uitzondering, als verweerder de onrechtmatigheid van het besluit zou hebben erkend dan wel wanneer sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden, waarbij te denken valt aan de situatie dat het eiser niet kan worden tegengeworpen dat hij ter zake geen rechtsmiddelen heeft aangewend.

9. Niet in geschil is dat verweerder de onrechtmatigheid van het besluit van

27 december 2012 niet heeft erkend. De rechtbank stelt vast eiser niet is tegen te werpen dat hij tegen dat besluit geen bezwaar heeft gemaakt. Dit betrof een hem begunstigend besluit en er was voor hem geen reden om de vaststelling van de nabetaling als zodanig onjuist te achten. Wat betreft het toekenningsbesluit van 7 juni 2011 is de rechtbank van oordeel dat verweerder geacht moet worden de onrechtmatigheid van de vaststelling van de partnertoeslag wel te hebben erkend nu hij die vaststelling achteraf als onjuist heeft aangemerkt en heeft herzien. De vraag is echter of de – onweersproken – geleden schade redelijkerwijs is toe te rekenen aan verweerder of dat deze voor rekening en risico van eiser moet blijven. Ter beantwoording van die vraag stelt de rechtbank vast dat verweerder bij de berekening van de hoogte van de partnertoeslag ambtshalve – kennelijk op basis van informatie uit Suwinet over de periode voorafgaand aan de aanvraag – is uitgegaan van het bestaan van inkomsten uit arbeid bij Meander Hulp Thuis. Eiser heeft die inkomsten bij de aanvraag niet opgegeven en hoefde dat naar het oordeel van de rechtbank ook niet te doen, omdat die inkomsten er al voor de ingangsdatum van de AOW-uitkering niet meer waren. Het standpunt van verweerder, dat ten tijde van de aanvraag sprake was van schending van de inlichtingenplicht van artikel 49 van de AOW zoals dat artikel op dat moment gold en verweerder om die reden niet schadeplichtig is als gevolg van het verkeerd korten van inkomsten, volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank is tevens van oordeel dat verweerder eiser op grond van artikel 4:7 van de Awb in de gelegenheid had moeten stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen nu bij de toekenning is afgeweken van de gegevens die eiser bij de aanvraag heeft verstrekt. Dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen de vaststelling van de toeslag acht de rechtbank voorts verontschuldigbaar, nu in het toekenningbesluit geen melding is gemaakt van de afwijking van de aanvraag en in de bij het besluit gevoegde berekening niet is aangegeven dat rekening is gehouden met inkomsten uit arbeid bij Meander Hulp Thuis. Weliswaar was uit die berekening wel af te leiden dat verweerder was uitgegaan van een hoger bedrag aan inkomsten dan eiser had opgegeven maar de rechtbank acht die berekening niet dermate inzichtelijk voor een leek dat eiser is tegen te werpen dat hij niet heeft begrepen dat van een fout (in zijn nadeel) sprake was. De rechtbank acht de onzorgvuldigheid in de voorbereiding en de lacune in de motivering van het toekenningsbesluit van 7 juni 2011 van dien aard dat de schade die door de latere nabetaling is ontstaan aan dat besluit is toe te rekenen en derhalve voor rekening van verweerder moet komen.

10. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het verzoek om vergoeding van schade die is geleden als gevolg van een gestelde onrechtmatige overheidsdaad ten onrechte heeft afgewezen.

11. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank acht de onderbouwing van de schade niet op alle gevorderde posten zodanig dat de hoogte daarvan thans is vast te stellen. De rechtbank zal daarom niet zelf in de zaak voorzien. De rechtbank acht anderzijds de zaak wel zo duidelijk dat partijen het eens moet kunnen worden over de hoogte van de schade. De derhalve sis er geen reden voor een zogeheten bestuurlijke lus. Verweerder dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 495,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.A.M. Bocken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

24 augustus 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 24 augustus 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.