Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:813

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
02-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1739u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 8:5, eerste lid, van de CAR/UWO. Ontslag op grond van gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte. De rechtbank stelt vast dat aan de eerste voorwaarde volgend uit artikel 8:5, tweede lid, aanhef en onder a, van de CAR/UWO is voldaan nu eiser gedurende 36 maanden buiten staat is (geweest) de aan hem opgedragen functie in volle omvang uit te oefenen. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder onvoldoende eisers arbeidsmogelijkheden binnen de gemeente (in zijn eigen en in andere functies) heeft onderzocht en dat onvoldoende is gebleken van activiteiten gericht op re-integratie en/of herplaatsing. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet voldaan aan zijn in artikel 8:5, tweede lid, onder b, van de CAR/UWO vervatte onderzoeksplicht. Verweerder was daarom niet bevoegd eiser te ontslaan. Verweerder zal, alvorens opnieuw tot ontslag te kunnen overgaan, alsnog een deugdelijk herplaatsingsonderzoek moeten verrichten. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB/ROE 16/1739

Uitspraak van de meervoudige kamer van 31 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. A.C.S. Grégoire),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen, verweerder

(gemachtigde: mr. G.P.F. van Duren).

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser met ingang van 17 december 2015 eervol ontslag verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte.

Bij besluit van 17 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2016.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn verschenen [naam 1] en

[naam 2].

Overwegingen

1. Eiser is laatstelijk werkzaam geweest als parkinghost voor 32 uur per week, aanvankelijk in dienst van de Stichting Toezicht Geleen en vanaf 1 juli 2013 bij de Gemeente Sittard-Geleen. Eiser ontving tevens een WAO-uitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Op 17 december 2012 is eiser uitgevallen voor zijn functie van parkinghost wegens lichamelijke en psychische klachten.

1.1

Bij besluit (op bezwaar) van UWV van 20 oktober 2015 is beslist dat eiser per

15 december 2014 recht heeft op een WAO-uitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het door eiser hiertegen ingestelde beroep werd bij uitspraak van deze rechtbank van 29 juni 2016 ongegrond verklaard, ECLI:NL:RBLIM:2016:5542.

1.2

Bij brief van 2 november 2015 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om aan eiser per 17 december 2015 eervol ontslag te verlenen uit de functie van parkinghost op grond van artikel 8:5 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Sittard-Geleen (hierna: CAR UWO). Eiser heeft zijn zienswijze over dat voornemen kenbaar gemaakt.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser met ingang van 17 december 2015 eervol ontslag verleend wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 8:5 van de CAR/UWO. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

3. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser - in afwijking van het advies van de commissie voor bezwaarschriften (hierna: commissie) - ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen argumenten bestaan voor de conclusie dat verweerder bij het ontslag onzorgvuldig heeft gehandeld en onvoldoende invulling heeft gegeven aan de op verweerder rustende inspanningsverplichtingen om eiser in eigen of ander werk te laten re-integreren. Volledigheidshalve voegt verweerder, bij wijze van verslaglegging van het herplaatsingsonderzoek, een vacatureoverzicht van juni 2014 tot en met december 2015 bij.

4. Eiser voert in beroep aan dat er ten eerste formele bezwaren zijn. Zo acht eiser het onjuist dat verweerder een beslissing op bezwaar heeft genomen zonder hem te informeren. Eiser twijfelt bovendien aan de bevoegdheid van de burgemeester tot het nemen en ondertekenen van de beslissing op bezwaar. Tevens is eiser van mening dat de rechtsmiddelenclausule een foutief adres bevat. Eiser is verder (inhoudelijk) van mening dat er geen bevoegdheid was tot het nemen van het ontslagbesluit. Uit geen enkel stuk kan worden opgemaakt dat er enige inspanning verricht is om te komen tot een herplaatsing in een andere functie. Eiser betwist dat met het overleggen van het vacatureoverzicht en hetgeen hierover is opgemerkt verweerder haar vermeende inspanningen om eiser te herplaatsen (voldoende) aannemelijk heeft gemaakt.

5. Verweerder stelt zich in zijn verweerschrift op het standpunt dat aan beide aanvullende voorwaarden uit artikel 8:5, tweede lid, van de CAR/UWO is voldaan. Op

17 december 2015 zijn de vereiste 36 maanden verstreken aangezien eiser onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest voor zijn functie van 17 december 2012 tot en met

17 december 2015. Verweerder is verder van mening al het mogelijke te hebben gedaan om eiser te herplaatsen in zijn eigen of een andere passende functie. Op basis van adviezen van UWV en de bedrijfsarts bleek de functie van parkinghost geen reële functie meer voor eiser. De door UWV geschetste alternatieve functies komen niet voor in de organisatie van verweerder. Na zorgvuldig onderzoek bleken deze functies er niet te zijn. Vanaf

21 januari 2015 was er sprake van volledige ongeschiktheid voor zijn functie. Eiser had geen mogelijkheden tot re-integratie. Vanaf april 2015 gaf de bedrijfsarts aan dat re-integratie in eigen of ander werk niet haalbaar is in de nabije toekomst en/of binnen een redelijke termijn. Verweerder verwijst naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Aan een ziekteontslag behoeft geen herplaatsingsonderzoek vooraf te gaan als het verrichten van arbeid, gelet op de gezondheid van betrokkene, als louter hypothetisch moet worden beschouwd. Het verrichten van arbeid was voor eiser niet meer dan een hypothetische mogelijkheid. Hoewel een herplaatsingsonderzoek volgens verweerder niet aan de orde was, heeft verweerder gekeken naar andere mogelijkheden om eiser te herplaatsen. Verweerder verwijst naar het overzicht van vacatures in de periode juni 2014 tot en met december 2015. Hieruit blijkt dat er geen mogelijkheden waren om eiser te herplaatsen. Deze functies waren gelet op eisers beperkingen niet passend en konden ook niet passend worden gemaakt, aldus verweerder.

6. Bij de beoordeling van de beroepsgronden is het navolgende wettelijk kader van belang.

In artikel 7:9, eerste lid, van de CAR/UWO is bepaald dat het college verplicht is zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met zijn ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen arbeid of passende arbeid te verrichten. Ingevolge het tweede lid bevordert het college de inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid buiten de openbare dienst van de gemeente, indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen de openbare dienst van de gemeente geen passende arbeid voorhanden is.

Ingevolge artikel 8:5, eerste lid, van de CAR/UWO kan aan de ambtenaar ontslag worden verleend op grond van gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend.

Op grond van het tweede lid mag een ontslag als bedoeld in het eerste lid slechts plaatsvinden indien:

a. er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 36 maanden;

b. het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de gemeentelijke dienst passende arbeid op te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.

7. De rechtbank stelt allereerst op grond van de gedingstukken vast dat aan de (eerste) voorwaarde, volgend uit artikel 8:5, tweede lid, aanhef en onder a, van de CAR/UWO, is voldaan nu eiser gedurende 36 maanden buiten staat is (geweest) de aan hem opgedragen functie in volle omvang uit te oefenen.

8. Wat betreft de door eiser gestelde – meest verstrekkende en inhoudelijke beroepsgrond – ten aanzien van de zorgvuldigheid van het herplaatsingsonderzoek overweegt de rechtbank als volgt.

8.1

Ingevolge artikel 8:5, tweede lid, aanhef en onder b, van de CAR/UWO kan een ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid wegens ziekte slechts worden verleend indien het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de gemeente passende arbeid op te dragen. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB moeten voorschriften over het herplaatsingsonderzoek nauwlettend worden nageleefd. Het herplaatsingsonderzoek moet zorgvuldig worden uitgevoerd, waarbij elke reële mogelijkheid tot herplaatsing moet worden aangegrepen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1223).

8.2

Volgens eveneens vaste rechtspraak van de CRvB is het alleen dan denkbaar dat aan een ziekteontslag geen herplaatsingsonderzoek vooraf behoeft te gaan, als het verrichten van arbeid, gelet op de gezondheidstoestand van de betrokkene als louter hypothetisch moet worden beschouwd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 april 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD0159).

9. De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat eiser een WAO-uitkering ontving gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35% en dat eiser op 17 december 2012 vanwege gezondheidsklachten is uitgevallen voor zijn werk als parkinghost. Gelet op de rapportages van de arbo- en/of bedrijfsarts heeft eiser in het eerste en tweede jaar van zijn ziekte gedeeltelijk gewerkt in zijn eigen functie van parkinghost. De diverse adviezen die de bedrijfsarts gedurende de re-integratieperiode heeft verstrekt, bevestigen dat eiser, zij het in beperkte mate, tot het verrichten van arbeid in staat moest worden geacht. Dat sprake was van een louter hypothetische situatie – zoals verweerder stelt – is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk. Verweerders standpunt – onder verwijzing naar de onder rechtsoverweging 8.2 genoemde uitspraak – dat aan het ziekteontslag geen herplaatsingsonderzoek behoeft vooraf te gaan, deelt de rechtbank dan ook niet. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat hoewel een herplaatsingsonderzoek volgens verweerder niet aan de orde was, verweerder desondanks gekeken heeft naar andere mogelijkheden om eiser te herplaatsen. Verweerder verwijst in dit kader naar een (in bezwaar) overgelegd overzicht van vacatures in de periode juni 2014 tot en met december 2015. Het gaat hierbij volgens verweerder om functies die niet passen en volgens verweerder ook niet passend te maken zijn. Verweerder is daarmee van mening dat er zich geen reële mogelijkheden voor herplaatsing hebben aangediend. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van verweerder lag de stelling dat er geen passende functies zijn en/of de functie niet passend te maken is, nader te onderbouwen. De enkele stelling van verweerder dat dit onderzoek wel heeft plaatsgevonden - onder het in bezwaar overleggen van een vacaturelijst - is hiertoe onvoldoende. Dat verweerder in dit kader meer heeft gedaan is de rechtbank niet gebleken. Verweerder heeft dit niet met verifieerbare gegevens onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende eisers arbeidsmogelijkheden binnen de gemeente (in zijn eigen en in andere functies) heeft onderzocht en dat onvoldoende is gebleken van activiteiten gericht op re-integratie en/of herplaatsing. De herplaatsingsinspanningen van verweerder dienen als te vrijblijvend en onvoldoende zorgvuldig te worden aangemerkt. Eisers beroepsgrond slaagt.

10. Gelet op wat hiervoor onder rechtsoverweging 9 is vastgesteld en overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn in artikel 8:5, tweede lid, onder b, van de CAR/UWO vervatte onderzoeksplicht. Verweerder was daarom niet bevoegd eiser met ingang van 17 december 2015 te ontslaan.

11. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet voorts aanleiding het primaire besluit van 26 november 2015 te herroepen. Er bestaat namelijk geen ruimte voor verweerder om het gebrek te herstellen. Het betreft geen motiveringsgebrek, maar een materieel, onherstelbaar gebrek in de besluitvorming. Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat dit niet betekent dat verweerder eiser niet kan ontslaan. Wel zal verweerder alvorens opnieuw tot ontslag te kunnen overgaan, alsnog een deugdelijk herplaatsingsonderzoek moeten verrichten waaruit blijkt dat er geen reële mogelijkheden voor herplaatsing zijn. Nu het beroep slaagt behoeft hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd naar het oordeel van de rechtbank geen bespreking meer.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1).

14. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente moet worden toegewezen. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen bedragen, telkens te rekenen vanaf de datum van de respectievelijke oorspronkelijke betaalbaarstelling.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit van 26 november 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.980,-;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding van wettelijke rente zoals onder overweging 14 omschreven toe.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen (voorzitter) en mr. T.M. Schelfhout en mr. K.M.P. Jacobs, leden, in aanwezigheid van B. van Dael, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 31 januari 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.