Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:8057

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
17-08-2017
Zaaknummer
5979230 CV EXPL 17-4067
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorbarige poging tot gerechtelijke incasso. Betalingsregeling waarin schuldeiser CAK - al dan niet bij vergissing - slechts een deel van de vordering van eigen bijdragen thuiszorg door het ter incasso ingeschakelde deurwaarderskantoor liet opnemen.

81-jarige debiteur betwist met succes ontvangst van een recente (kort voor dagvaarding gedateerde) brief waarin CAK tracht eenzijdig die regeling aan te passen. Zij blijft aflossingen verrichten conform eerdere afspraak. CAK wordt (vooralsnog) gehouden aan de oorspronkelijke regeling.

Opeisbaarheid van het restant wordt belet door opschortende werking van de (niet vervallen geachte) regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 5979230 CV EXPL 17-4067

Vonnis van de kantonrechter van 16 augustus 2017 (bij vervroeging)

in de zaak

het zelfstandige bestuursorgaan CAK (voorheen Centraal Administratie Kantoor)

verder ook aan te duiden als “CAK”

gevestigd te Den Haag

eisende partij

gemachtigde M.T.O. Bakker, werkzaam bij “GGN Mastering Credit N.V.” te Tilburg of Rotterdam (“GGN”)

tegen

[gedaagde]

verder ook aan te duiden als “ [gedaagde] ”

wonend te [woonplaats] aan de [adres]

gedaagde partij

in persoon procederend

1 De procedure

CAK heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 9 mei 2017 in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in het exploot van dagvaarding. Tegelijk met dit exploot is een formulier van het Rotterdamse kantoor van “GGN” aan [gedaagde] betekend, waarin enige uitleg gegeven is omtrent hetgeen haar na dagvaarding te wachten of te doen staat. Andere producties zijn eerst in schriftelijk voortgezet debat ingebracht.

[gedaagde] heeft voor de rolzitting van 24 mei 2017 (de datum waartegen de zaak aangebracht was) schriftelijk van antwoord gediend, onder verwijzing naar één bijgevoegde productie.

Onder vermindering van eis en toevoeging van een subsidiaire vordering heeft CAK vervolgens op 28 juni 2017 gerepliceerd. Hij heeft zich daarbij alsnog beroepen op vijf - deels meervoudige - producties.

Voor de rolzitting van 26 juli 2017 heeft [gedaagde] in haar per brief ingediende dupliek volhard bij het eerder gevoerde verweer.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak - bij vervroeging - op vandaag gesteld is.

2 De vordering en het daartegen gerichte verweer

2.1

CAK vorderde bij exploot (als eiser) veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van een bedrag van € 401,39, te vermeerderen met de wettelijke rente over de gehele som vanaf 9 mei 2017 (datum dagvaarding) tot de datum van voldoening, alsmede tot betaling van de aan de zijde van CAK te liquideren proceskosten. Volgens CAK had [gedaagde] buiten rechte de vordering niet betwist doch zelfs erkend door het aangaan van een betalingsregeling. Die regeling ‘is destijds vervallen, omdat gedaagde deze niet is nagekomen’. Mocht dit in rechte anders blijken te zijn (en mocht alsnog verweer gevoerd worden), dan ‘geeft eiser om proceseconomische redenen de voorkeur aan het schriftelijk voortzetten (…….) boven het houden van een comparitie van partijen’.

2.2

CAK baseert zijn hoofdvordering van € 432,40 op een reeks grondslagen die in een ingewikkeld en/of-schema op de tweede pagina van het exploot uiteengezet zijn. Hij geeft daarvoor als verklaring of excuus ‘de grote juridische hervorming binnen de zorgregelingen per 1 januari 2015’. Waar het in deze zaak echter gaat om vijf vrijwel identieke facturen voor ‘eigen bijdrage’ uit een periode die loopt van 6 mei 2016 tot en met 20 mei 2016, valt niet in te zien waarom CAK niet had kunnen volstaan met beschrijving van de situatie onder de sinds 1 januari 2015 geldende Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). CAK is belast met de vaststelling en inning van eigen bijdragen voor onder meer (zoals hier het geval is) ‘zorg zonder verblijf’ (ondersteuning in de thuissituatie). CAK heeft ten aanzien van [gedaagde] in 2016 vijfmaal bij beschikking een eigen bijdrage opgelegd van € 86,46 (tezamen € 432,40). [gedaagde] is tegen die beschikkingen niet (via bezwaar en/of beroep op grond van de Awb) opgekomen. Deze beschikkingen hebben aldus formele rechtskracht, hetgeen rechtvaardigt dat CAK bij de civiele rechter nakoming van de niet ingeloste betalingsverplichting vordert.

2.3

In een aantal algemeen geformuleerde passages van het exploot verwijst CAK naar volgens hem - al dan niet na ‘(herhaalde) aanmaning’ - ingetreden ‘betalingsverzuim van gedaagde’ maar hij legt niet uit hoe, wanneer en waarom precies van zulk verzuim sprake was of is. CAK liet in het exploot ook een aan het slot onder het kopje “Verweer” aan de orde gestelde ‘betalingsregeling’ onbesproken die af zou kunnen doen aan de opeisbaarheid van de vordering (en dan vanzelf verzuim uitsluit). Bij repliek d.d. 28 juni 2017 en in reactie op het verweer van [gedaagde] heeft CAK niet alleen de vijf facturen (zonder inhoudelijke toelichting) in kopie overgelegd, maar ook iets meer naar voren gebracht over de op 2 november 2016 getroffen regeling. De in een productie neergelegde briefwisseling en ook het contact met de zoon van [gedaagde] (‘de heer [naam zoon gedaagde] ’) laat CAK onbesproken. Wel noemt CAK de afspraak dat [gedaagde] per maand € 23,00 zou gaan aflossen en erkent hij de correcte nakoming daarvan in de periode 1 december 2016 tot en met 1 april 2017 (betaling tot in totaal € 115,00) alsmede een al op 1 mei 2017 (dus ruimschoots vóór het moment van dagvaarding!) ontvangen bedrag van € 23,00. CAK had bij exploot de vordering slechts met die € 115,00 verminderd en voegde daar bij repliek dit extra bedrag van € 23,00 aan toe. Onvermeld bleef toen (op 28 juni 2017) of [gedaagde] ook per 1 juni 2017 € 23,00 afgelost heeft.

2.4

Maar dan komt het: bij repliek (waar CAK zich opeens als ‘eiseres’ aanduidt) duikt als prod.4 een brief op die eerder in het geheel niet in beeld was en waarvan de ontvangst later in de procedure door [gedaagde] uitdrukkelijk betwist zal worden. Op 6 maart 2017 zou [gedaagde] er per brief op geattendeerd zijn dat de hoofdsom waarvoor een regeling getroffen was, ‘opgehoogd’ was en dat daarmee tevens van [gedaagde] verlangd werd dat zij per maand (‘met ingang van 5 april 2017’) € 53,00 per maand ging aflossen. In de bewuste brief op naam van “GGN” is het aldus geformuleerd: “We hebben uw betalingsregeling aangepast naar aanleiding van de ophoging”. Of en - zo ja - hoe en wanneer de brief waarnaar prod.4 beoogt te verwijzen, door [gedaagde] ontvangen is / kan zijn, kan niet uit de door CAK ontplooide stellingen en overgelegde stukken zelf afgeleid worden. CAK gaat daar totaal niet op in en stelt zelfs niet met zoveel woorden dat de op 6 maart 2017 gedateerde brief daadwerkelijk verzonden is. Desalniettemin baseert CAK zijn volledige onderbouwing van de bewering dat [gedaagde] ‘de betalingsregeling niet nagekomen’ is op deze brief die volgens hem een andere regeling bewerkstelligd heeft dan waarvan [gedaagde] uitgegaan is. Op die stelling voortbouwend is CAK vervolgens gaan procederen.

2.5

Op basis van verondersteld betalingsverzuim aan de kant van [gedaagde] stelt CAK - na (herhaalde) aanmaning waarbij hij ‘geen betaling van voormeld verschuldigd (totaal)bedrag (had) kunnen verkrijgen’- zich ‘genoodzaakt (te hebben) gezien zijn vordering op gedaagde ter incasso uit handen te geven aan GGN, zijn incassotussenpersoon’. Acties die de incassogemachtigde “GGN” ondernomen heeft, zijn - met uitzondering van een brief van 20 september 2016 die tot een per 2 november 2016 getroffen betalingsregeling geleid heeft (voor maandelijkse aflossing van € 23,00) - niet beschreven, laat staan toegelicht.

2.6 ‘

Door de wanbetaling van gedaagde en/of het hierdoor uit handen geven van zijn vordering’ zegt CAK vermogensschade te lijden. Die schade is volgens hem samengesteld uit ‘de buitengerechtelijke incassokosten (berekend als overeengekomen dan wel conform gebruikelijk en billijk tarief)’ enerzijds en ‘de wettelijke rente vanaf de verzuimdatum’ anderzijds. Wat CAK met ‘overeengekomen’ kosten bedoelt, is onduidelijk, omdat hij zich ter zake slechts beroept op enige wettelijke bepalingen (de artikelen 6:96 en 6:119 BW - door CAK geschreven als ‘B.W.’ - in het bijzonder en zelfs op het hier niet toepasselijke art. 6:119a BW….).

2.7

Volgens CAK komt dit er op neer dat hij naast de hoofdsom recht kon doen gelden op bedragen van € 78,48 aan (vergoeding van) buitengerechtelijke incassokosten met inbegrip van omzetbelasting (btw) en van € 5,51 aan ‘rente tot vandaag’ (d.w.z. tot de datum van dagvaarding). Gevolg van deze laatste formulering is dat de dagvaardingsdatum zelf, nu verdere rente eerst ‘vanaf’ 9 mei 2017 en dus met ingang van 10 mei 2017 gevorderd is, hoe dan ook buiten het renteonderdeel in het petitum valt. De renteclaim ad € 5,51 vanaf een ongenoemd gelaten datum tot 10 mei 2017 heeft CAK niet voorzien van een bijgevoegde berekening. De klaarblijkelijk op art. 6:96 lid 2 aanhef en sub c BW leunende vordering van een bedrag aan invorderingskosten is bij exploot op geen enkele wijze gekoppeld aan een brief waarbij vergoeding van zulke kosten aangezegd is, laat staan aan een veertiendagenbrief in de zin van art. 6:96 lid 5 BW.

2.8

Zowel bij exploot als in zijn repliek heeft CAK volstaan met een uiterst globaal bewijsaanbod naar bewijsobject maar ook naar -middelen (laatstelijk bij repliek: ‘eiseres biedt aan het door haar gestelde door middel van alle middelen rechtens te bewijzen’). Hij heeft via zijn gemachtigde ‘de aanvullende betalingsregeling 2017 voor de resterende facturen’ tot maatstaf verklaard waarin volgens hem vastgelegd was dat [gedaagde] € 30,00 extra per maand diende te voldoen. Aan die voorwaarde heeft [gedaagde] niet voldaan, zodat zij in de ogen van CAK deze procedure aan zichzelf te wijten heeft.

2.9

Het verweer van [gedaagde] ( [gedaagde] ) is kort en bondig: CAK had en heeft geen enkele reden om haar te dagvaarden en/of een gerechtsdeurwaarder op het dak te sturen. Als (bijna) 81-jarige en slecht ter been zijnde inwoonster van [woonplaats] valt ook niet van haar te verwachten dat zij voor de rolzitting naar Maastricht afreist, zodat zij voor een verweer in twee ronden een beroep gedaan heeft op haar zoon voor het verzorgen van schriftelijk antwoord en dupliek. Bij antwoord heeft [gedaagde] verwezen naar een in 2016 getroffen betalingsregeling die zij trouw iedere maand nakwam en na zal blijven komen. Bijgesloten is een transactieoverzicht van de RABO-bank waarin aflossingen van € 23,00 per maand vermeld zijn voor het tijdvak 1 december 2016 tot en met 1 mei 2017. [gedaagde] zegt die bedragen in het haar uitgereikte stuk niet (althans niet duidelijk) tegen te komen. Er is geen grond om kosten van rechtbank en deurwaarder aan haar in rekening te brengen.

2.10

Bij dupliek liet [gedaagde] door haar zoon aantekenen hoe zij zich opwindt over de nieuwe bewering van CAK dat haar een brief gestuurd zou zijn op 6 maart 2017 en dat de vordering opeens uitgebreid is met extra bedragen. ‘Nooit en te nimmer’ zegt zij die brief van 6 maart 2017 ontvangen te hebben. Die kwam haar pas door de repliek onder ogen. Wel maakt [gedaagde] melding van een tweede dossier dat CAK onder nummer 24439560 aanhoudt. Ter inlossing van de schuld waarvoor zij in die zaak moet opkomen, is ook een betalingsregeling getroffen die er op neerkomt dat zij (naast de € 23,00) € 37,00 extra aan CAK aflost. [gedaagde] volhardt daarom volledig bij haar eerder geleverde verweer.

3 De beoordeling

3.1

De tachtigjarige (bijna eenentachtigjarige) mevrouw [gedaagde] (die zich in haar brieven [gedaagde] noemt) is boos. Boos omdat CAK in zijn beide processtukken een verkeerde voorstelling van zaken geeft en volgens haar een foutieve conclusie trekt op basis van een gebrekkig dossier. Het is inderdaad frappant dat CAK weliswaar bij exploot vagelijk refereert aan een ‘betalingsregeling’ en als excuus voor het desondanks overgaan tot processuele invordering wijst op gebrekkige nakoming daarvan door [gedaagde] , maar het schenden van de afgesproken voorwaarden tot opschorting van de rechtsvordering door de debiteur niet toelicht. De betalingsregeling zelf, die CAK bij repliek situeert op 2 november 2016, is - ook in voortgezet debat - niet overgelegd. Tussen partijen bestaat evenwel geen verschil van opvatting over het feit dat deze tot geen verdergaande verplichting leidde dan aflossing met een bedrag van € 23,00 per maand, kennelijk met ingang van 1 december 2016. Een verplichting waaraan [gedaagde] zich onweersproken netjes gehouden heeft (volgens haar eigen mededeling bij dupliek zelfs naast een maandelijkse aflossing van € 37,00 ter zake van een ander schulddossier van CAK).

3.2

In de per 1 december 2016 gefixeerde schuldsituatie ten aanzien van [gedaagde] is naar de mening van CAK (althans zo wordt bij repliek gesuggereerd) door een brief van 6 maart 2017 wijziging ten nadele van [gedaagde] gekomen. In de eerste plaats heeft CAK die kennelijk voor hem cruciale brief in strijd met zijn waarheids- en volledigheidsverplichting (art.21 Rv) pas bij repliek ingebracht. [gedaagde] heeft de ontvangst van een dergelijk document gemotiveerd betwist. Daartegenover moet CAK het aan zichzelf wijten dat hij op die betwisting in de fase waarin de procedure gekomen was, niet meer heeft kunnen reageren. Bovendien is zelfs de verzending niet met zoveel woorden gesteld, toegelicht en/of aannemelijk gemaakt. Daarom moet er van uitgegaan worden dat dit stuk [gedaagde] nooit (althans niet eerder dan na ontvangst van de repliek) bereikt heeft.

3.3

Daarbij komt nog eens dat CAK in zijn bewijsaanbod nalaat een op die ontvangst gericht en van middelen voorzien bewijsaanbod te doen. Hiermee faalt het beroep dat CAK doet op het ‘destijds vervallen’ zijn (tekst exploot) van ‘de getroffen betalingsregeling’ maar ook op de ‘aanvulling’ die CAK kennelijk in maart 2017 op het oog had.

3.4

Zelfs als er van uit had moeten worden gegaan dat de op briefpapier van “GGN” Rotterdam gestelde brief van 6 maart 2017 [gedaagde] op een of andere manier bereikt heeft, gaat het niet aan daaraan in het kader van het thans gevoerde debat enige waarde toe te kennen.

3.5 “

GGN” houdt [gedaagde] in die brief immers twee punten voor die niet door de beugel kunnen. De brief vangt aan met de constatering ‘dat de vordering opgehoogd is’ en dat ‘het verschuldigde bedrag nu € 426,89 is’. Om dan - na een schets van de samenstelling van dit bedrag - te vervolgen: “We hebben uw betalingsregeling aangepast naar aanleiding van de ophoging: Met ingang van 5 april 2017 moet u € 53,00 per maand betalen”. Dit betekent dat “GGN” namens CAK niet uitgaat van een ‘voorgestelde aanvullende betalingsregeling’ waarover nog overlegd moest worden (zoals CAK dit in zijn toelichting bij repliek ten onrechte typeert), maar een dictaat oplegt. Het spreekt evenwel vanzelf dat een eerder in november 2016 gemaakte afspraak juist niet eenzijdig gewijzigd kon worden. Daarvoor was opnieuw ook de andere partij nodig. Door [gedaagde] uitdrukkelijk te vragen met zo’n aanpassing - na akkoordbevinding en controle van het onderliggende motief - in te stemmen, had CAK die ontoelaatbare eenzijdigheid van een ‘omzetting’ ongedaan kunnen maken. Tegelijkertijd zou CAK bij (het uitblijven van) een reactie van [gedaagde] de vinger hebben kunnen leggen op een (waarschijnlijk te achten) misser in de verzending of bij de bezorging van het stuk.

3.6

Na deze constateringen resteert geen andere conclusie dan dat CAK een niet opeisbaar restant van een vordering wegens eigen bijdragen over het jaar 2016 ten onrechte, want voorbarig in het licht van een nog geldende (en nagekomen) betalingsregeling, aan de kantonrechter voorgelegd heeft. Het thans gevorderde wordt bij gebreke van opeisbaarheid afgewezen. CAK zal alsnog moeten doen wat tot dusver nagelaten is: op een fatsoenlijke manier met [gedaagde] en/of haar zoon afspraken maken over een aanpassing van de betalingsregeling (of -regelingen) waarin alle bedragen aan hoofdsom die CAK nog van [gedaagde] te goed heeft, meegenomen worden.

3.7

Daarbij past nog wel een kanttekening. Tot dusver heeft CAK (of heeft zijn gemachtigde) er niet of onvoldoende blijk van gegeven zich ten volle te realiseren dat de gemotiveerde stelplicht en bewijsverplichting inhouden dat CAK nevenvorderingen als wettelijke rente en te vergoeden incassokosten van een deugdelijke feitelijke onderbouwing voorziet die aansluit bij de wettelijke verzuimregeling. Dat [gedaagde] ter zake van de reeds getroffen of de bij wijze van voorstel nog te treffen regeling de bedragen aan rente en kosten voor haar rekening zou moeten nemen die CAK haar toebedacht heeft, spreekt bepaaldelijk niet voor zich. Partijen doen er daarom goed aan in het kader van een eindregeling de optelsom van hoofdsombedragen (eigen bijdragen) in de eerste plaats te vergelijken met de betalingen die reeds gedaan zijn en vervolgens een redelijk te achten bedrag af te spreken voor vertragingsrente en kosten. Omdat in het bijzonder die kosten min of meer verspild zijn aan inspanningen zonder aanwijsbaar nut (veeleer tot misverstand geleid hebben), terwijl het ontbreken van de goede wil bij [gedaagde] niet aangetoond is, zou een beperkte bijdrage van [gedaagde] aan de kosten van (door betalingsnood) vertraagde aflossing het streven moeten zijn. Meer dan dat komt de kantonrechter in de gegeven omstandigheden onredelijk voor.

3.8

Deze uitkomst rechtvaardigt tot slot dat CAK als in het ongelijk gestelde partij de proceskosten geheel zal moeten dragen en dat hij aan [gedaagde] voor de kosten van verweer in twee ronden een geschat bedrag van € 25,00 zal moeten vergoeden. Dit onderdeel van de beslissing kan niet uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad omdat daar niet op aangedrongen is. De kantonrechter vertrouwt er op dat CAK binnen veertien dagen na vonnisdatum zijn verplichting ter zake inlost.

4 De beslissing

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel:

- De vordering van CAK wordt (vooralsnog) afgewezen.

- CAK wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, hetgeen voor wat de kosten aan de zijde van gedaagde partij [gedaagde] betreft, betekent dat haar binnen veertien dagen na heden een bedrag van € 25,00 vergoed dient te worden.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: HS