Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:7977

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-05-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
4482670 CV EXPL 15-9229
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2017:7982
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsfouten advocaat? Verschuldigdheid declaraties?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 4482670 CV EXPL 15-9229

Vonnis van 31 mei 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam BV] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde [naam gemachtigde] ,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NILWIK B.V.,

gevestigd te Voerendaal,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. E.Ph. Roelofs.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Nilwik worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 29 maart 2017

  • -

    de akte van [eiseres]

  • -

    de akte van Nilwik.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bevoegdheid kantonrechter

2.1.1.

In het tussenvonnis van 29 maart 2017 heeft de kantonrechter geconstateerd dat de vordering van [eiseres] inclusief tot aan de dagvaarding verschenen rente meer beloopt dat € 25.000,-. Dit betekent dat de kantonrechter ingevolge artikel 93, aahef en onder a, Rv in beginsel niet bevoegd is. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.

2.1.2.

Nilwik heeft zich op het standpunt gesteld dat geen doorverwijzing hoeft plaats te vinden en heeft afstand gedaan van het recht om doorverwijzing te verlangen.

2.1.3.

[eiseres] heeft naar voren gebracht geen bezwaar te hebben tegen verwijzing naar de handelskamer, maar heeft desondanks ingestemd met het voorstel van Nilwik om de zaak bij de kantonrechter te laten. Hierbij merkt [eiseres] uitdrukkelijk op dat zij het recht wenst te behouden tegen het vonnis van de kantonrechter in beroep te kunnen gaan.

2.1.4.

Gelet op het standpunt van partijen zal de kantonrechter de zaak aan zich houden.

2.2.

De feiten en het geschil

2.2.1.

[eiseres] heeft in opdracht en voor rekening van Nilwik rechtskundige bijstand aan Nilwik verleend, waarvoor Nilwik € 25.663,27 aan [eiseres] heeft betaald (zie punt 2.1. en 2.2. van het tussenvonnis van 27 juli 2016). Een deel van de facturen heeft Nilwik, ondanks sommaties, echter onbetaald gelaten. [eiseres] vordert daarom veroordeling van Nilwik tot betaling van € 24.446,46, vermeerderd met rente vanaf veertien dagen na verzending van de onderscheiden declaraties, en kosten (zie punt 3.1. van het tussenvonnis van 27 juli 2016).

2.3.

Omvang van de opdracht

2.3.1.

Volgens [eiseres] hield de opdracht in het afhandelen van het saneringstraject. Teneinde deze opdracht efficiënt te kunnen uitvoeren heeft [eiseres] vervolgens een achttal dossiers aangelegd, te weten: sanering, Belastingdienst, [naam 1] (arbeid), [naam 2] (arbeid), St. Pensioenfonds Metaal en Techniek, St. Pensioenfonds Metaal en Techniek (hb), [naam 3] , Gemeente Voerendaal.

2.3.2.

Nilwik lijkt zich op het standpunt te willen stellen dat voor ieder dossier een aparte opdracht had moeten worden verstrekt of dat voor het aanleggen hiervan in ieder geval haar toestemming was vereist. Verder voert Nilwik aan dat de onderverdeling heeft geleid tot extra kosten.

2.3.3.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Nilwik betwist niet dat de afhandeling van het saneringstraject de onderwerpen omvatte zoals benoemd in de verschillende dossiers. Zonder meer valt dan ook niet in te zien hoe het categoriseren van de verschillende aspecten van de sanering in verschillende dossiers heeft geleid tot hogere declaraties. Het stond [eiseres] vrij om zelf te kiezen hoe zij een en ander administratief zou verwerken. Voor het onderverdelen van de verschillende sub-onderwerpen van de sanering in aparte ordners was geen toestemming van Nilwik nodig. De opdracht omvatte alle sub-onderwerpen - Nilwik heeft in ieder geval niet aangevoerd dat dit niet zo is - dus er waren ook geen aparte opdrachten nodig. Hierbij komt dat Nilwik tien facturen van [eiseres] , die waren gespecificeerd volgens het door [eiseres] gehanteerde systeem ( [naam 1] , [naam 2] , Algemeen, Belastingen en PMT), zonder protest heeft betaald. Het verweer van Nilwik slaagt niet.

2.4.

Prijsafspraak

2.4.1.

Volgens Nilwik heeft [eiseres] toegezegd dat de sanering voor € 10.000,- zou kunnen worden afgerond. Zij verwijst naar pagina 29 van het rapport van Intermezzo waarin € 20.000,- is berekend voor saneringskosten én ontslagprocedure.

2.4.2.

[eiseres] betwist dat er een prijsafspraak is gemaakt en voert ter onderbouwing aan dat Nilwik zonder protest ruim € 25.000,- heeft betaald en ook in latere correspondentie nooit heeft gesproken over de zogenaamde prijsafspraak. Bovendien hielden de werkzaamheden meer in dan enkel saneringswerkzaamheden; er zijn ook meerdere procedures gevoerd (de Belastingdienst, de Pensioenfondsen en [naam 1] ), aldus [eiseres] .

2.4.3.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Op Nilwik rust ingevolge artikel 150 Rv de bewijslast van de door haar gestelde afspraak. Zij heeft, gelet op de betwisting van [eiseres] , niet aannemelijk gemaakt dat de prijsafspraak daadwerkelijk is gemaakt. De kantonrechter neemt hierbij met name in aanmerking dat Nilwik de prijsafspraak in de correspondentie voorafgaand aan deze procedure nooit heeft benoemd, terwijl zij wel ruim 2,5 keer zoveel heeft betaald als volgens haar was afgesproken. In het dossier bevindt zich geen (begin van) bewijs dat deze betalingen onder druk zouden zijn gebeurd, zoals gesteld door Nilwik en betwist door [eiseres] .

2.5.

Het uurtarief

2.5.1.

[eiseres] heeft in opdracht van Nilwik werkzaamheden verricht. Dit betekent dat Nilwik haar loon verschuldigd is (artikel 7:405 BW).

2.5.2.

Nilwik stelt zich op het standpunt dat er vooraf geen uurtarief is overeengekomen. [eiseres] heeft niet aangevoerd dat er wél afspraken over haar honorarium zijn gemaakt. Tussen partijen staat derhalve vast dat in ieder geval niet uitdrukkelijk een tarief is overeengekomen voor de werkzaamheden van [eiseres] .

2.5.3.

Tussen partijen staat echter eveneens vast dat Nilwik in ieder geval de eerste negen declaraties zonder protest, tijdig en geheel heeft betaald (productie 1 bij conclusie van antwoord). Nilwik heeft niet aangevoerd dat hierin een ander uurtarief werd gehanteerd dan in de in het geding zijnde declaraties (met een totaalbedrag van 22.946,46), te weten € 150,- voor werkzaamheden van [naam advocaat 1] , minimaal € 200,- voor werkzaamheden van [naam advocaat 2] en minimaal € 257,- voor werkzaamheden van [naam advocaat 3] . De kantonrechter oordeelt daarom dat deze uurtarieven (stilzwijgend) zijn overeengekomen tussen partijen. In bepaalde facturen wordt een verhoogd tarief gerekend voor de werkzaamheden van [naam advocaat 3] (€ 262,-) en [naam advocaat 2] (€ 204,-). Dat aan deze verhoging een (uitdrukkelijke dan wel stilzwijgende) afspraak ten grondslag ligt, kan niet in rechte worden vastgesteld. Weliswaar stelt [eiseres] dat Nilwik wist van de tariefverhoging, omdat haar een opdrachtbevestiging is toegestuurd waarin het nieuwe tarief vermeld stond, maar dit betekent niet dat Nilwik hiermee heeft ingestemd. De kantonrechter oordeelt derhalve dat Nilwik niet meer verschuldigd is dan € 200,- per uur voor de werkzaamheden van [naam advocaat 3] , € 150,- per uur voor de werkzaamheden van [naam advocaat 1] en € 200,- per uur voor de werkzaamheden van [naam advocaat 2] . Voor zover meer is gedeclareerd dan deze bedragen, ligt de vordering dus voor afwijzing gereed. Dit betreft de volgende bedragen en declaraties:

17935 0:15 uur x (€ 262-€ 250=) € 12 x 7% (kantoorkosten) x € 21% btw = € 3,88

17963 6:20 uur x € 12 x 7% x 21% = € 98,40

18126 0:45 uur x € 12 x 7% x 21% = € 11,65

18131 6:30 uur x € 12 x 7% x 21% = € 100,99

18230 1:30 uur x € 12 x 7% x 21% = € 23,30

18246 3:45 uur x € 12 x 7% x 21% = € 58,26

18334 0:15 uur x € 12 x 7% x 21% = € 3,88

18335 2:15 uur x € 12 x 7% x 21% = € 34,96

18355 0:30 uur x € 12 x 7% x 21% = € 7,77

18500 3:20 uur x € 12 x 7% x 21% = € 51,79

18501 0:50 uur x (€ 204-€ 200=) € 4 x 7% x 21% = € 4,32

18508 0:20 uur x € 12 x 7% x 21% = € 5,18

18791 1:00 uur x € 12 x 7% x 21% = € 15,54

18919 0:40 uur x € 12 x 7% x 21% = € 10,36

18514 0:15 uur x € 12 x 7% x 21% = € 3,88

18631 2:05 uur x € 12 x 7% x 21% = € 32,37

Totaal € 466,53

2.5.4.

De vraag is dan of Nilwik het overige (€ 22.946,46 - € 466,53 =) € 22.479,93 wel verschuldigd is.

2.6.

Gedane betalingen

2.6.1.

[eiseres] heeft de stelling van Nilwik, dat zij al € 9.500,- in mindering heeft voldaan op de in het geding zijnde declaraties, niet betwist. Ook in zoverre ligt de vordering derhalve voor afwijzing gereed, zodat hoogstens nog (€ 22.479,93 - € 9.500 =) € 12.979,93 kan worden toegewezen.

2.7.

Werkzaamheden [naam advocaat 1]

2.7.1.

Volgens Nilwik is zij nooit ingelicht dat naast mr. [naam advocaat 3] ook mr. [naam advocaat 1] werkzaamheden zou verrichten. Nilwik is mr. [naam advocaat 1] dan ook geen honorarium verschuldigd, aldus Nilwik.

2.7.2.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Nilwik heeft [eiseres] opdracht gegeven haar belangen te behartigen. In rechte staat niet vast dat is afgesproken of dat het de bedoeling van partijen was dat slechts één advocaat van [eiseres] , te weten [naam advocaat 3] , de belangen van Nilwik mocht behartigen. Uit het dossier blijkt bovendien dat Nilwik rechtstreeks communiceerde met [naam advocaat 1] , wat niet strookt met haar stelling dat zij geen werkzaamheden mocht uitvoeren. Nilwik is het het honorarium van [naam advocaat 1] derhalve verschuldigd.

2.8.

Beroepsfouten

2.8.1.

Volgens Nilwik heeft [eiseres] een aantal beroepsfouten gemaakt, wat bij hem tot zeer veel schade heeft geleid. Deze schade vordert hij echter niet in reconventie, volgens eigen zeggen vanwege geldgebrek. Wat hier ook van zij: ingevolge artikel 150 Rv rust op Nilwik de bewijslast van de stelling dat [eiseres] bepaalde werkzaamheden niet deugdelijk heeft verricht.

2.8.2.

Nilwik stelt dat [eiseres] de volgende beroepsfouten heeft gemaakt:

  1. [eiseres] heeft het Bbz krediet-traject bij de Gemeente Voerendaal niet goed begeleid,

  2. [eiseres] heeft geen regeling met de Belastingdienst getroffen. Nilwik heeft het zelf geregeld,

  3. [eiseres] heeft in de procedure tegen de pensioenfondsen onvoldoende bewijs overgelegd waardoor Nilwik de procedure heeft verloren en bovendien is de procedure nodeloos gevoerd omdat het [eiseres] duidelijk had moeten zijn dat vorderingen van pensioenfondsen nooit gesaneerd worden, en

  4. [eiseres] heeft Nilwik niet gewezen op het feit dat sprake was van kennelijk onredelijk ontslag van haar werknemer [naam 1] , waardoor Nilwik de procedure tegen [naam 1] heeft verloren.

2.8.3.

Beroepsfout 1: Bbz krediet

2.8.3.1. [eiseres] voert het volgende verweer. [eiseres] speelde in het Bbz-traject slechts een zijdelingse rol. Zij is enkel af en toe te hulp geschoten door informatie te verschaffen die Nilwik zelf niet gaf. De gevraagde Bbz-lening is uiteindelijk afgewezen buiten de schuld van [eiseres] : de privéuitgaven van Nilwik waren te hoog, zij had spaargelden niet kenbaar gemaakt, inkomsten verzwegen etc.

2.8.3.2. Nilwik heeft hiertegen het volgende aangevoerd. [eiseres] had ervoor moeten en kunnen zorgen dat de kritiek van de gemeente op Nilwik in privé werd weerlegd dan wel in het juiste kader werd geplaatst. Het feit dat de onderneming nog bestaat ondanks de afwijzing van het Bbz-krediet spreekt boekdelen.

2.8.3.3. De kantonrechter overweegt als volgt. Er blijkt niet uit het dossier dat [eiseres] voor 1 mei 2014 (producties 16 en 18 van [eiseres] ) bemoeienis heeft gehad met de Bbz-aanvraag. Voor zover uit de stukken blijkt is [eiseres] pas na de afwijzing van de aanvraag in het Bbz-traject betrokken. Hierna is ook pas voor het eerst een declaratie aan Nilwik verzonden met als omschrijving Gemeente Voerendaal (productie 1 van Nilwik). Er kan dus niet in rechte worden vastgesteld dat [eiseres] gedurende het aanvraagtraject al in opdracht van Nilwik werkte, laat staan dat zij hierbij een beroepsfout heeft gemaakt. Overigens, zelfs als [eiseres] wel eerder bij de aanvraag betrokken was, dan valt gelet op de reden van afwijzing zonder meer niet in te zien waarom [eiseres] een verwijt kan worden gemaakt hiervan. Nilwik heeft niet gesteld, laat staan bewezen, welke acties van [eiseres] gevergd konden worden die tot een andere uitkomst zouden hebben geleid. Hoe had de kritiek op Nilwik privé kunnen worden weerlegd dan wel in het juiste kader kunnen worden geplaatst? Daarover stelt Nilwik niets, wat zij gelet op het verweer van [eiseres] wel had moeten doen. In rechte kan niet worden vastgesteld dat [eiseres] in het Bbz-traject is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen. Dit kan dus geen reden vormen om de vordering van [eiseres] (deels) af te wijzen.

2.8.4.

Beroepsfout 2: Belastingdienst

2.8.4.1. In het tussenvonnis van 27 juli 2016 is aan Nilwik te bewijzen opgedragen dat zij met de Belastingdienst een financiële regeling is overeengekomen.

2.8.4.2. De kantonrechter oordeelt dat zij hierin niet is geslaagd. Uit het door Nilwik overgelegde bewijs (producties 19 en 20) blijkt immers dat bij de Belastingdienst een brief van [eiseres] in behandeling is genomen, wat in eerste instantie tot een afwijzingsbesluit heeft geleid, dat vervolgens een beroepschrift is ingediend (van de hand van [eiseres] zo blijkt uit productie 22 van [eiseres] ) en dat de afwijzingsbeschikking, waarbij is toegezegd dat de Belastingdienst geen invorderingsmaatregelen meer zal treffen (de kantonrechter neemt aan dat dit ‘de regeling’ is), vervolgens is verzonden aan [eiseres] . Hieruit volgt dat [eiseres] de betreffende regeling heeft mogelijk gemaakt.

2.8.4.3. Weliswaar heeft Nilwik, zo blijkt uit de door haar overgelegde bewijsstukken, regelmatig telefonisch [naam medewerker Belastingdienst] van de Belastingdienst benaderd, maar dit is onvoldoende voor het oordeel dat de regeling dankzij haar tot stand is gekomen, reeds omdat Dekkers aangeeft dat hij zich niet kan herinneren wat de inhoud van die gesprekken was.

2.8.4.4. Nu Nilwik niet is geslaagd in de aan haar gegeven bewijsopdracht staat tussen partijen vast dat de regeling tot stand is gekomen dankzij [eiseres] . Andere verwijten heeft Nilwik [eiseres] niet gemaakt met betrekking tot de Belastingdienst. In rechte kan derhalve niet worden vastgesteld dat [eiseres] ten aanzien van haar werkzaamheden betreffende de Belastingdienst is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen. Dit kan dus geen reden vormen om de vordering van [eiseres] (deels) af te wijzen.

2.8.5.

Beroepsfout 3: Pensioenfondsen – eerste aanleg

2.8.5.1. [eiseres] heeft het volgende verweer gevoerd. Schulden aan pensioenfondsen worden wel degelijk gesaneerd. Wel is Nilwik door [eiseres] en de heer [naam medewerker Intermezzo] van Intermezzo erop gewezen dat het saneren van schulden aan pensioenfondsen lastig is. Van [eiseres] kon in deze procedure niet worden verwacht dat zij in strijd met de waarheid zou stellen dat met alle andere crediteuren een regeling was getroffen. Met de Belastingdienst was immers op dat moment nog geen regeling getroffen, nota bene vanwege Nilwik zelf omdat zij de lopende verplichtingen steeds niet voldeed.

2.8.5.2. Nilwik heeft hiertegen het volgende aangevoerd. [eiseres] is tekortgeschoten omdat zij stelde dat er een crediteurenakkoord was maar dit niet heeft aangetoond. Als dat niet klopte dan had zij Nilwik een en ander schriftelijk moeten bevestigen en de kantonrechter kunnen verzoeken in een later stadium bewijs aan te leveren. Desalniettemin liep de vordering van de Pensioenfondsen door. Zowel Intermezzo als [eiseres] hebben uitdrukkelijk aangegeven dat de Pensioenfondsen akkoord moesten gaan met ontvangst van het dubbele percentage, maar dat bleek niet zo te zijn. De kwade kansen zijn nooit besproken. [eiseres] had direct met de Pensioenfondsen in discussie moeten gaan om een regeling te treffen. [eiseres] had immers al heel snel kunnen ontdekken dat sanering van de openstaande vorderingen bij Nilwik volstrekt onmogelijk was.

2.8.5.3. De kantonrechter overweegt als volgt. Het is Nilwik die jegens de Pensioenfondsen is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen, omdat zij, als werkgever, de verplichte bijdragen niet had betaald. Dit is de reden geweest dat zij door de Pensioenfondsen in rechte is betrokken (het lijkt erop dat Nilwik ervan uitgaat dat [eiseres] de procedure is gestart, maar dat is niet zo). Dat [eiseres] had kunnen (en moeten) voorkomen dat het tot een dagvaarding zou komen, en hoe zij dat had kunnen bewerkstelligen, heeft Nilwik niet aangevoerd, laat staan onderbouwd. Aangezien de Pensioenfondsen Nilwik hadden gedagvaard kon [eiseres] vervolgens weinig anders doen dan ofwel proberen een regeling te treffen, een conclusie van antwoord in te dienen of verstek te laten gaan. Dat het eerste mogelijk was geweest voor de datum dat Nilwik in de procedure moest verschijnen en dat dit had geleid tot een andere uitkomst of minder kosten, heeft [eiseres] niet (onderbouwd) gesteld. Dat Nilwik bij een bespreking van de kwade kansen, als dit inderdaad niet is gebeurd, verstek zou hebben laten gaan, heeft zij ook niet (onderbouwd) gesteld, nog los van het feit dat dit maar in beperkte mate een kostenbesparing zou hebben opgeleverd (Nilwik zou dan immers nog altijd zijn veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, de wettelijke rente en de proceskosten, zoals nu ook is gebeurd). [eiseres] heeft nog geprobeerd verweer te voeren tegen de vordering, wat inderdaad maar zeer beperkt mogelijk is vanwege het verplichte karakter van de bijdragen. Dat het verweer niet kon worden onderbouwd, is echter niet te wijten aan [eiseres] . Zij kon niet onderbouwen dat met alle andere crediteuren een regeling was getroffen, want dit was niet zo. [eiseres] had geen invloed op de timing van de procedure, die immers niet door haar maar door de Pensioenfondsen was geëntameerd. Ook op dit punt komt de kantonrechter derhalve tot het oordeel dat [eiseres] niet is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen. Ook dit is derhalve geen reden voor (een gedeeltelijke) afwijzing van de vordering van [eiseres] .

2.8.6.

Beroepsfout 3: Pensioenfondsen – hoger beroep

2.8.6.1. [eiseres] heeft het volgende als verweer gevoerd. Er is op verzoek van Nilwik een hoger beroepdagvaarding uitgebracht, maar die is niet aangebracht omdat Nilwik steeds niet betaalde. Wel is meermaals een herstelexploot uitgebracht om het recht op hoger beroep van Nilwik veilig te stellen. Vervolgens heeft [eiseres] de betreffende stukken tijdig, ondanks dat niet betaald was, naar de opvolgend advocaat gestuurd.

2.8.6.2. Nilwik voert hiertegen aan dat uit het feit dat door [eiseres] een herstelexploot is uitgebracht al blijkt dat [eiseres] erkent onjuist te hebben gehandeld doordat zij heeft verzuimd de dagvaarding tijdig ter rolle in te schrijven.

2.8.6.3. De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] juist heeft gehandeld. Zij heeft het recht op hoger beroep van Nilwik, ondanks dat zij niet betaalde, veiliggesteld en de nieuwe advocaat van Nilwik van alle stukken voorzien. Nilwik mocht niet van [eiseres] verwachten dat zij, ondanks het uitblijven van betalingen, een nieuwe procedure voor Nilwik zou opstarten. Ook dit is geen reden om de vordering van [eiseres] (deels) af te wijzen.

2.8.7.

Beroepsfout 4: [naam 1]

2.8.7.1. [eiseres] voert het volgende verweer. In de arbeidszaken heeft [eiseres] een sociaal plan geschreven dat succesvol ten uitvoer is gelegd. Eén werknemer heeft het voorstel geaccpteerd, de ander ( [naam 1] ) niet. Nilwik heeft vervolgens haar afvloeiingsvoorstel jegens [naam 1] vervallen verklaard. Overigens waren er inmiddels ook geen financiële middelen meer beschikbaar hiervoor.

2.8.7.2. Nilwik voert hiertegen het volgende aan. De procedure tegen [naam 1] is het gevolg geweest van foute advisering van [eiseres] . [eiseres] had moeten uitleggen dat een procedure veel duurder zou uitvallen dan het treffen van een regeling. Nilwik kon zo een regeling ook financieel dragen.

2.8.7.3. De kantonrechter overweegt dat niet vooraf vast stond dat de vordering van [naam 1] tegen Nilwik zou slagen. Immers is het vaste rechtspraak dat de enkele omstandigheid dat een werknemer zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen in het algemeen geen grond oplevert voor toewijzing van een vordering vanwege kennelijk onredelijk ontslag. Dat de procedure veel duurder zou uitvallen dan het treffen van een regeling, viel dus niet per se te voorzien. De kantonrechter heeft in haar vonnis van 25 februari 2015 in de zaak [naam 1] overwogen dat het geen pas maakt dat de wens van [naam 1] om de voorgenomen opzegging te laten toetsen in de gebruikelijke UWV-procedure is afgestraft met de mededeling van 26 mei 2014 van mr. [naam advocaat 1] (aangenomen mag worden in opdracht van Nilwik, nu hij niet heeft gesteld dat die mededeling zonder zijn instemming dan wel medeweten is gedaan) dat de regeling is komen te vervallen. Dit maakte volgens de kantonrechter met terugwerkende kracht de opzegging zonder enige compensatie alsnog kennelijk onredelijk. De reden voor toewijzing van de vordering van [naam 1] is dus gelegen in de weigering van Nilwik om alsnog een vergoeding te betalen aan [naam 1] . Dit komt voor rekening van Nilwik, niet van [eiseres] . Er is namelijk geen (begin van) bewijs dat deze weigering het gevolg is van advisering door [eiseres] . Ook dit is dus geen reden voor (een gedeeltelijke) afwijzing van de vordering van [eiseres] . Overigens is maar de vraag of een procedure voorkomen had kunnen worden als Nilwik haar aanbod wel gestand had gedaan. Die omvatte immers geen vergoeding voor door [naam 1] gemaakte overuren, die hij in de procedure wel vorderde en die ook werd toegewezen (€ 15.886,52 bruto). Het is dus maar de vraag of [naam 1] in tweede instantie wel akkoord was gegaan met de afvloeiingsregeling (die maar net de helft bedroeg van zijn vordering bij de kantonrechter). Ook dit is derhalve geen reden om de vordering van [eiseres] (deels) af te wijzen.

2.9.

Gedragsregels

2.9.1.

Volgens Nilwik heeft [eiseres] in strijd gehandeld met regels 26 en 27 van de Gedragsregels 1992.

2.9.2.

[eiseres] heeft hiertegen aangevoerd dat dit niet klopt omdat de financiële consequenties (regel 26) met Nilwik zijn besproken en ten uitvoer gelegd door maandelijks te declareren. Volgens [eiseres] is regel 27 niet aan de orde omdat Nilwik nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de hoogte van de declaraties.

2.9.3.

De kantonrechter overweegt als volgt. Dat regel 26 is overtreden door [eiseres] kan niet worden vastgesteld, omdat in rechte niet vaststaat dat [eiseres] een inschatting van de kosten heeft gemaakt (zie 2.4.3), laat staan dat de declaraties aanmerkelijk hoger waren dan die inschatting. Zelfs als wordt aangenomen dat [eiseres] in strijd heeft gehandeld met regel 27, wat niet vast staat, dan is Nilwik hierdoor niet in haar belangen geschaad. De declaraties zullen, zoals hierna zal blijken, namelijk alsnog worden begroot.

2.10.

De hoogte van de declaraties

2.10.1.

Uit voorgaande (zie 2.6.1) blijkt dat Nilwik in beginsel nog € 12.979,93 aan [eiseres] verschuldigd is. Zij heeft echter aangevoerd dat de declaraties te hoog en te summier gespecificeerd zijn en dat haar meer werkzaamheden in rekening zijn gebracht dan overeengekomen.

2.10.2.

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 27 juli 2016 aangekondigd dat hij, na ontvangst van alle dossiers van [eiseres] , het niet uigesloten acht dat een deskundige zal worden benoemd en partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.

2.10.3.

Nilwik stelt voor om mr. F. van Amstel te benoemen als deskundige en hem de volgende vragen voor te leggen:

  1. Heeft [eiseres] tijdig en op de juiste wijze aan Nilwik aangegeven dat zij in het kader van aan Nilwik te verstrekken advies steeds nieuwe dossiers zou aanleggen, zelfs acht dossiers?

  2. Heeft [eiseres] in de acht dossiers tijdig en op juiste wijze aangegeven welke advocaat van [eiseres] het dossier zou behandelen, tegen welk uurtarief en op welke wijze?

  3. Zijn in de acht dossiers de opdrachten door Nilwik op de juiste wijze en in voldoende mate omschreven?

  4. Heeft [eiseres] tijdig en op juiste wijze overleg gevoerd met Nilwik met betrekking tot de werkzaamheden zoals die in diverse dossiers die door [eiseres] zijn aangelegd, zouden worden verricht?

  5. Blijkt uit de acht dossiers dat Nilwik akkoord is gegaan respectievelijk instemming heeft betoond met de werkwijze van [eiseres] ?

  6. Voldoen de door [eiseres] aan Nilwik verzonden declaraties aan de financiële regels zoals die zijn neergelegd in regel 23, regel 25, regel 26 en regel 27 van de Gedragsregels voor de advocatuur?

  7. Staat de door [eiseres] bij Nilwik in rekening gebrachte tijd in verhouding tot de werkzaamheden respectievelijk is er sprake van een reële tijdsverantwoording ten opzichte van de inhoud van het dossier?

2.11.

[eiseres] heeft bezwaar gemaakt tegen benoeming van mr. Van Amstel en verzoekt de kantonrechter zelf een deskundige te benoemen. Volgens haar is vraag 1 te suggestief gesteld en zou die moeten luiden: “In hoeverre is het (on)gebruikelijk voor advocaten om voor een cliënt per onderwerp/zaak een dossier aan te leggen?” Vragen 2, 3, 4 en 6 berusten volgens [eiseres] op een feitelijke misslag. Vraag 5 moet volgens [eiseres] anders worden gefomuleerd, namelijk: “Blijkt uit de door [eiseres] overgelegde dossiers betreffende de behandeling van de sanering dat Nilwik akkoord is gegaan met de wijze waarop zij haar werkzaamheden heeft verricht in het kader van de sanering?” Ten aanzien van vraag 7 heeft [eiseres] geen opmerkingen.

2.12.

Gelet op hetgeen de kantonrechter hiervoor heeft overwogen, zijn de vragen 1 tot en met 5 niet meer relevant. De kantonrechter zal ermee volstaan de deskundige te vragen het aantal door [eiseres] aan de zaken van Nilwik bestede uren te begroten waarbij aansluiting kan worden gezocht bij de wijze van begroting zoals dat voor de wetswijziging van 1 januari 2015 gebruikelijk was.

2.13.

Vanwege het bezwaar van [eiseres] tegen de benoeming van mr. Van Amstel zal de kantonrechter deze advocaat niet als deskundige benoemen. De kantonrechter heeft mr. M.M.H.J. Rompelberg van Rompelberg Ruiter Advocaten bereid gevonden zich te laten benoemen als deskundige ter beoordeling van de redelijkheid van de door [eiseres] in rekening gebrachte honoraria. Uitgaande van een lijvig dossier van acht klappers begroot hij het bestuderen, analyseren en vergelijken daarvan met de onderscheidende regels op de aan de declaraties ten grondslag liggende urenstaten, alsmede het opstellen van een rapportage daaromtrent op (maximaal) 40 uur tegen een uurtarief van € 212,- (het Recofa-basistarief zonder opslagen), te vermeerderen met 6% kantoorkosten en 21% btw. Het voorschot komt hiermee neer op maximaal € 10.876,45.

2.14.

Partijen hebben zich nog niet uitgelaten over de hoogte van het voorschot, zodat de kantonrechter hen hiertoe normaliter nog in de gelegenheid zou stellen. Gelet echter op de verhouding tussen het voorschot en het maximaal toe te wijzen bedrag, alsmede dit voorschot en het totaalbedrag van alle facturen, is de kantonrechter voornemens een comparitie te gelasten teneinde een schikking te beproeven. Indien dit niet lukt, zal in een volgend vonnis een deskundige worden benoemd. Partijen zal daarom indien nodig ter comparitie tevens worden gevraagd of zij akkoord zijn met het door mr. Rompelberg berekende voorschot en, indien niet, wat het voor hen maximaal acceptabele voorschot is.

2.15.

De kantonrechter zal gelet hierop iedere verdere beslissing aanhouden.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

verwijst de zaak naar de rol van 7 juni 2017 voor opgave verhinderdata aan de zijde van beide partijen van juni tot en met september 2017,

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken.

type: GD