Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:7974

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
5215398 CV EXPL 16-6464 (hoofdzaak), 5477621 CV EXPL 16-9563 (vrijwaringszaak)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:1153
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdzaak en vrijwaring.

Partijen in de hoofdzaak hebben een huurkoopovereenkomst gesloten ten aanzien van een auto. De auto is door het OM in beslag genomen. Auto werd niet teruggegeven aan gebruiker. Toen eigenaar teruggave vroeg, bleek de auto al te zijn verkocht aan een derde. Eigenaar heeft huurkoopovereenkomst ontbonden en vordert restant lening en bijkomende kosten minus de verkoopopbrengst van de auto van de gebruiker. De gebruiker heeft de Staat in vrijwaring opgeroepen omdat het Openbaar Ministerie de auto niet in beslag had mogen nemen.

Uitleg overeenkomst, toepassing algemene voorwaarden, bevoegdheid civiele rechter, relativiteitsvereiste onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4294
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummers: 5215398 CV EXPL 16-6464 (hoofdzaak)

5477621 CV EXPL 16-9563 (vrijwaringszaak)

Vonnis van de kantonrechter van 12 juli 2017

in de hoofdzaak

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BMW FINANCIAL SERVICES B.V., handelend onder de naam ALPHERA FINANCIAL SERVICES (hierna te noemen: Alphera),

gevestigd te Rijswijk,

eisende partij in de hoofdzaak, verweerster in het incident,

gemachtigde mr. drs. P.J.M. Veuger,

tegen:

[gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] , handelend onder de naam [handelsnaam] (hierna te noemen: [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] ),

wonend te [woonplaats] ,

gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,

gemachtigde mr. R.W.J.L. Loonen,

in de vrijwaringszaak

[eiser in de vrijwaringszaak] ,

eisende partij in de vrijwaringszaak,

gemachtigde mr. R.W.J.L. Loonen,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

meer speciaal HET MINISTERIE VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE (hierna: de Staat),

zetelend te ’s-Gravenhage,

gedaagde partij in de vrijwaringszaak,

gemachtigde mr. B. Bos.

1 De procedure

in de hoofdzaak

1.1.

Het verloop van de procedure na het vonnis in incident van 12 oktober 2016, waarbij [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] is toegestaan de Staat in vrijwaring op te roepen, blijkt uit:

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

in de vrijwaringszaak

1.3.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    de akte uitlaten productie van Ummels.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

2.1.

[gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident, eiser in vrijwaringszaak] heeft in juni 2015 een huurkoopovereenkomst gesloten met Alphera ter zake een Ford F150 Pick Up, kenteken [kenteken] (hierna: het voertuig). Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.

2.1.1.

In de voorwaarden die volgens Alphera van toepassing zijn staat onder meer het volgende:

5 Betaling

(…)

5.6.

Als u niet of niet op tijd een betalingsverplichting bent nagekomen, heeft Kredietaanbieder het recht de vordering uit handen te geven aan onder meer een incassobureau. Alle buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten die hieruit voortkomen zijn voor uw rekening. (…). De buitengerechtelijke incassokosten zijn in ieder geval 15% van het door u verschuldigde bedrag, met een minimum van EUR 225,- per keer.

(…)

8 Opeisbaarheid, Ontbinding

8.1.

In bepaalde gevallen heeft Kredietaanbieder het recht om de Overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen en het hele verschuldigde bedrag vervroegd op te eisen, alsmede het Voertuig in te nemen. Dit betekent dat u het totale aan Kredietaanbieder verschuldigde bedrag, eventuele rente en eventuele kosten en vergoeding voor schade in één keer aan Kredietaanbieder moet terugbetalen. Kredietaanbieder heeft dit recht, voor zover nodig na ingebrekestelling en zonder tussenkomst van een rechter, in de volgende gevallen:

(…)

b. Als (…) er beslag wordt gelegd op het Voertuig, (…), het voertuig door politie of justitie in beslag wordt genomen (…).

(…)’

2.1.2.

In de algemene voorwaarden die volgens [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident, eiser in vrijwaringszaak] van toepassing zijn staat onder meer het volgende:

3. Betaling

(…)

3.5.

Cliënt is bij niet of niet tijdige voldoening van enige betalingsverplichting gehouden tot betaling van alle buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten (…). Of daartoe aanleiding bestaat is geheel ter beoordeling van Kredietaanbieder. De buitengerechtelijke incassokosten bedragen in ieder geval 15%

3.6.

van het door Cliënt verschuldigde bedrag, met een minimum van EUR 225,00 per geval.

(…)

4 Opeisbaarheid

Het totaal van het door Cliënt aan Kredietaanbieder verschuldigde bedrag is terstond in zijn geheel opeisbaar en Kredietaanbieder is bovendien zonder nadere ingebrekestelling bevoegd de Overeenkomst, (…), te ontbinden, onverminderd haar aanspraken op vertragingsrente, boete en kosten, alsmede vergoeding van eventuele verdere schade, indien:

(…)

b. (…) er beslag op het Object wordt gelegd, het Object door politie of justitie in beslag wordt genomen (…)’

2.2.

De kentekenregistratie van de auto was opgenomen in het RTL-register, dat auto’s in eigendom van leasemaatschappijen registreert.

2.3.

Het Openbaar Ministerie heeft in 2015 beslag gelegd op het voertuig.

2.4.

Op 9 oktober 2015 heeft de rechter-commissaris een machtiging conservatoir beslag afgegeven.

2.5.

Op 13 oktober 2015 heeft de enkelvoudige raadkamer het klaagschrift ex artikel 552a Sv van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident, eiser in vrijwaringszaak] ten aanzien van het voertuig ongegrond verklaard, omdat die eigendom was van Alphera.

2.6.

Op 14 oktober 2015 heeft Alphera op verzoek van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident, eiser in vrijwaringszaak] bevestigd dat ter zake het voertuig sprake was van een huurkoopovereenkomst.

2.7.

Alphera heeft het Openbaar Ministerie op 25 januari 2016 verzocht het voertuig terug te geven. Dit verzoek werd gehonoreerd, maar teruggave bleek niet mogelijk omdat het voertuig op 12 januari 2016 was verkocht en geleverd aan een derde voor € 21.666,-.

2.8.

Dit bedrag is vermeerderd met rente (€ 21.764,27) op 12 april 2016 overgemaakt aan Alphera.

2.9.

Alphera heeft [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident, eiser in vrijwaringszaak] gesommeerd het restant van de lening en bijkomende kosten minus de overboeking van het Openbaar Ministerie te voldoen. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident, eiser in vrijwaringszaak] heeft dit, ondanks sommaties, niet gedaan.

3 Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.

Alphera vordert dat [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot betaling van € 12.813,24 (hoofdsom € 29.479,85, contractuele rente tot 13 april 2016 € 675,68 en buitengerechtelijke incasskosten € 4.421,98, minus € 21.764,27 opbrengst Ford), vermeerderd met wettelijke (handels)rente + 5%, proceskosten en nakosten.

3.2.

[gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] voert verweer.

in de vrijwaringszaak

3.3.

[eiser in de vrijwaringszaak] vordert dat de Staat bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot betaling van al hetgeen waartoe [eiser in de vrijwaringszaak] in de hoofdzaak wordt veroordeeld, met inbegrip van de kostenveroordeling en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding en de proces- en nakosten in de vrijwaringszaak.

3.4.

De Staat voert verweer.

4 De beoordeling

in de hoofdzaak

Hoofdsom en rente

4.1.

[gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] voert ten aanzien van de hoofdsom het volgende verweer. Alphera had niet het recht om de overeenkomst te ontbinden omdat zij dit niet onmiddellijk na inbeslagname maar pas na verkoop heeft gedaan, zij [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] na een door hem gezonden e‑mail van 18 november 2015 niet in staat heeft gesteld zich opnieuw te beklagen over de inbeslagname, zij te lang heeft gewacht alvorens zelf teruggave te vorderen en zij het Openbaar Ministerie niet aansprakelijk heeft gesteld voor de geleden schade. Alphera had het voertuig dus ter beschikking moeten stellen en pleegt wanprestatie nu zij dit niet heeft gedaan. Er is sprake van schuldeisersverzuim en rechtsverwerking. Als Alphera direct had gerevindiceerd, was het voertuig teruggegeven aan [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] , die dan de overeenkomst had kunnen uitdienen en uiteindelijk het voertuig in eigendom zou hebben gekregen. Eventuele schade voor Alphera is daarom haar eigen schuld. Daarbij komt dat het voertuig veel meer zou hebben opgebracht als Alphera die zelf zou hebben verkocht in plaats van het Openbaar Ministerie. De restschuld is hierdoor veel te hoog.

4.2.

Alphera voert hiertegen het volgende aan. Alphera heeft behalve een e-mail van 13 oktober 2015, waarop Alphera adequaat heeft gereageerd (zie 2.6), nooit verzoeken ontvangen van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] , dus ook niet een e-mail van 18 november 2015. Alphera was bovendien niet verplicht onmiddellijk de overeenkomst te ontbinden, zeker niet nu de leasetermijnen nog gewoon werden voldaan. Alphera had, als zij tot revindicatie was overgegaan, de overeenkomst eerst ontbonden omdat anders het risico zou hebben bestaan dat opnieuw beslag zou worden gelegd. In geval van ontbinding zou het voertuig niet opnieuw ter beschikking zijn gesteld aan [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] . Alphera zou het voertuig dan hebben verkocht voor een soortgelijke prijs als het Openbaar Ministerie. In dat geval zou de vordering dus hetzelfde zijn, aldus Alphera. Bovendien zou het voertuig wellicht ook aan Alphera niet zijn teruggegeven, bijvoorbeeld in het geval er strafbare feiten mee zijn gepleegd.

4.3.

Volgens [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] zou het voertuig wel zijn teruggegeven omdat sprake was van zekerheidsbeslag, geen bewijsbeslag.

4.4.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De algemene voorwaarden zijn naar hun bewoordingen duidelijk. In het geval van inbeslagname door politie of justitie is het totaal van het verschuldigde bedrag terstond in zijn geheel opeisbaar. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] heeft de hoogte van het verschuldigde bedrag (€ 29.479,85) niet betwist. De hierover berekende rente heeft hij pas bij dupliek, dus tardief, en bovendien ongemotiveerd, betwist. Beide liggen derhalve in beginsel voor toewijzing gereed.

4.5.

Eigen schuld aan de zijde van Alphera is hier niet aan de orde, nu het geen schadevergoedingsvordering, maar een nakomingsvordering betreft. Van schuldeisersverzuim is geen sprake want onder de huurkoopovereenkomst rustte op Alphera geen verplichting een in beslaggenomen voertuig te revindiceren en weer ter beschikking te stellen aan Ummels. Dat Alphera de e-mail van 18 november 2016 heeft ontvangen (waarvan nog de vraag is of dit wél tot de conclusie kan leiden dat sprake is van schuldeisersverzuim) of dat zij bij verkoop een hogere prijs had kunnen bedingen dan het Openbaar Ministerie, is door [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] in het geheel niet onderbouwd. Dit had gelet op het verweer van Alphera wel gemoeten. De slotsom is daarom dat [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] de hoofdsom en de rente over dit bedrag verschuldigd is. De manier waarop Alphera haar vordering heeft ingekleed, houdt echter in dat rente over rente gevorderd wordt, terwijl dit ingevolge artikel 6:119 lid 2 en artikel 119a lid 3 BW pas mag na afloop van een jaar, wat niet het geval is. Alphera heeft niet aangevoerd dat in de algemene voorwaarden van de wettelijke regeling is afgeweken. De kantonrechter zal daarom de wettelijke rente vanaf 13 april 2016 alleen toewijzen over de hoofdsom en niet over de meegevorderde € 675,68 aan wettelijke rente tot 13 april 2016.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.6.

[gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] betwist buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd te zijn. Ten eerste omdat de algemene voorwaarden onvoldoende grondslag bieden (artikel 3.6. spreekt enkel over een minimum van € 225,- en artikel 3.5., waarop Alphera geen beroep doet, geeft niet aan over welke grondslag de 15% wordt berekend). Ten tweede omdat sprake is van eigen schuld bij Alphera. Ten derde omdat de vordering pas op 25 januari 2016 uit handen is gegeven, waarna enkel twee brieven zijn verstuurd. Ten vierde omdat ze in geen verhouding staan tot de vordering (36%).

4.7.

Alphera voert hiertegen aan dat de verkeerde voorwaarden waren overgelegd maar dat artikel 5.6. van de van toepassing zijnde algemene voorwaarden voldoende duidelijk zijn en dat van eigen schuld geen sprake is.

4.8.

[gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] voert hiertegen aan dat deze versie van de algemene voorwaarden tardief is ingebracht en dat deze bovendien niet de voorwaarden zijn die hij heeft ontvangen. Voorts moeten eventuele buitengerechtelijke incassokosten worden berekend over de achterstand in termijnbetaling, die er niet was, dan wel de restantschuld in plaats van de hoofdsom.

4.9.

De kantonrechter laat in het midden welke versie van de algemene voorwaarden van toepassing is. Uit beide versies (zie 2.1.1 en 2.1.2) blijkt voldoende duidelijk dat 15% moet worden betaald over ‘het verschuldigde bedrag’. Nergens staat dat hieronder slechts de achterstand in termijnbetaling moet worden verstaan, zoals aangevoerd door [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] , en hij heeft ook geen feiten en omstandigheden aangevoerd op basis waarvan hij dit wel mocht verwachten. Het verschuldigde bedrag is naar het oordeel van de kantonrechter de hoofdsom. Op het moment dat op grond van de algemene voorwaarden de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd werden, was de verkoopopbrengst - die overigens op grond van 6:44 BW in de eerste plaats in mindering strekt van de kosten (waaronder de buitengerechtelijke incassokosten), vervolgens in mindering van de verschenen rente en ten slotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente - immers nog niet door Alphera ontvangen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten liggen dus in beginsel voor toewijzing gereed.

4.10.

Partijen zijn een vast bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten overeengekomen, ongeacht of deze zijn gemaakt. Dit betekent dat feitelijk sprake is van een boetebeding in de zin van artikel 6:91 BW. Alphera hoefde niet te stellen welke buitengerechtelijke incassokosten zij heeft gemaakt, omdat partijen expliciet zijn overeengekomen dat dit voor de verschuldigdheid van de vergoeding niet van belang is.

4.11.

Van eigen schuld is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. De kosten zijn immers niet verschuldigd omdat Alphera niet tijdig heeft gerevindiceerd, maar omdat het voertuig in beslag is genomen. Dat de buitengerechtelijke incassokosten een aanzienlijk deel van de vordering vormt, is ook geen reden tot afwijzing. Matiging is slechts aan de orde als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] heeft hiertoe geen feiten en omstandigheden aangevoerd. De verweren van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] slagen niet. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke incassokosten toewijzen en deze kosten, zoals gevorderd, vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 april 2016.

Proceskosten

4.12.

[gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van Alphera, die worden begroot op:

dagvaarding: € 79,35

griffierecht: € 941,00

salaris gemachtigde: € 600,00 (2 punten x tarief € 300,-)

totaal € 1.620,35

4.13.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen op hierna te vermelden wijze.

in het vrijwaringsincident

4.14.

In het vrijwaringsincident was de beslissing omtrent de proceskosten aangehouden. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] zal ook hierin worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op € 100,- aan salaris gemachtigde.

in de vrijwaringszaak

4.15.

Volgens [eiser in de vrijwaringszaak] was de inbeslagname onrechtmatig nu het Openbaar Ministerie onmiddellijk wist dan wel, vanwege de registratie in het RTL-register en de mededeling van [eiser in de vrijwaringszaak] ten aanzien van de huurkoopovereenkomst, moest weten dat de auto [eiser in de vrijwaringszaak] niet in eigendom toebehoorde.

4.16.

Volgens de Staat heeft zij niet onrechtmatig gehandeld, omdat de inbeslagneming op rechtmatige gronden heeft plaatsgevonden en er geen sprake is van gebleken onschuld bij [eiser in de vrijwaringszaak] . Hierbij komt dat [eiser in de vrijwaringszaak] Alphera tijdig had moeten inlichten over het beslag, zodat Alphera zich in een vroeg stadium tot het Openbaar Ministerie had kunnen wenden. Op 13 oktober 2015 kwam vast te staan dat Alphera derde belanghebbende ten aanzien van het voertuig was (zie 2.5). Pas op 25 januari 2016 heeft Alphera teruggave verzocht, toen het voertuig al verkocht was (zie 2.7). Met het overmaken van de verkoopopbrengst is de gebruikelijke procedure gevolgd. Overigens is het niet aan de civiele rechter om over de rechtmatigheid van de inbeslagname te oordelen, aangezien de strafrechter hierover al heeft geoordeeld. Ten slotte voert de Staat aan dat er geen causaal verband bestaat tussen het handelen van het Openbaar Ministerie en de schade die [eiser in de vrijwaringszaak] vordert.

4.17.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De beklagprocedure van artikel 552a Sv wordt naar vaste rechtspraak aangemerkt als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, zodat in een geval waarin op grond van art. 552a beklag mogelijk is, zoals in deze zaak, in beginsel geen beroep op de civiele rechter kan worden gedaan. Dit uitgangspunt geldt echter niet als een oordeel wordt gevraagd over schadeveroorzakende onrechtmatigheden in de toepassing van de regels rondom inbeslagneming, omdat via artikel 552a Sv geen schadevergoeding kan worden gevraagd. De kantonrechter zal de vordering van [eiser in de vrijwaringszaak] daarom inhoudelijk behandelen.

4.18.

Naar vaste jurisprudentie kan de Staat uitsluitend uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk worden gehouden voor de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen als:

1. een dwangmiddel is toegepast in strijd met de wet dan wel met veronachtzaming van fundamentele vereisten, of

2. achteraf uit een strafvonnis of anderszins uit het strafdossier blijkt dat de verdenking op grond waarvan het dwangmiddel is toegepast, ten onrechte heeft bestaan.

4.19.

Artikel 94a lid 4 Sv bepaalt dat goederen die toebehoren aan een ander dan beslagene (in dit geval Ummels) alleen in beslag kunnen worden genomen indien voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden (een zogenoemde schijnconstructie). In beginsel had het Openbaar Ministerie het voertuig dus niet in beslag mogen nemen; het betrof immers een goed dat niet toebehoorde aan [eiser in de vrijwaringszaak] en de Staat heeft niet aangevoerd dat er aanwijzingen waren dat sprake was van een schijnconstructie. Dit maakt echter niet dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser in de vrijwaringszaak]. De geschonden norm strekt niet tot bescherming tegen de schade zoals de [eiser in de vrijwaringszaak] die heeft geleden. Artikel 94a lid 4 Sv beoogt niet de beslagene ( [eiser in de vrijwaringszaak] ), maar de rechthebbende (Alphera) te beschermen, zo volgt naar het oordeel van de kantonrechter uit artikelen 552a en 552ca Sv en de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II, vergaderjaar 1989-1990, 21 504, nr. 3, p. 46). Niet voor niets werd het voertuig niet aan [eiser in de vrijwaringszaak] teruggegeven (zie 2.5). De vordering van [eiser in de vrijwaringszaak] zal worden afgewezen.

4.20.

[eiser in de vrijwaringszaak] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van de Staat, die worden begroot op 2 punten x tarief € 300,- = € 600,-.

5 De beslissing

De kantonrechter

in de hoofdzaak

5.1.

veroordeelt [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] om aan Alphera tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 12.813,24, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente + 5% over € 12.137,56 vanaf 13 april 2016 tot de dag van algehele voldoening,

5.2.

veroordeelt [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] tot betaling van de proceskosten van Alphera, tot vandaag begroot op € 1.620,35,

5.3.

veroordeelt [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door Alphera volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,- aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in het vrijwaringsincident

5.6.

veroordeelt [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] tot betaling van de proceskosten van Alphera, tot vandaag begroot op € 100,-

in de vrijwaringszaak

5.7.

wijst het gevorderde af,

5.8.

veroordeelt [eiser in de vrijwaringszaak] tot betaling van de proceskosten van de Staat, tot vandaag begroot op € 600,-,

5.9.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken.

type: GD