Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:7969

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
17-08-2017
Zaaknummer
04 5688663
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen bevrijdende verjaring van erfdienstbaarheid van overpad. Artikel 3:306 BW juncto 3:105 BW, 3:107 BW, 3:108 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5688663 \ CV EXPL 17-1108

Vonnis van de kantonrechter van 16 augustus 2017

in de zaak van:

[eiser] ,

wonend [adresgegevens eiser]

,

eisende partij,

procederende in persoon,

tegen:

[gedaagde] ,

wonend [adresgegevens gedaagde]

,

gedaagde partij,

procederende in persoon.

Partijen worden verder aangeduid met “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ”.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het tussenvonnis van 5 april 2017;

  • -

    de akte van [eiser] ;

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde] ;

  • -

    het tussenvonnis van 3 mei 2017 waarbij een descente (= gerechtelijke plaatsopneming) is bepaald;

  • -

    de descente die heeft plaatsgevonden op 13 juli 2017;

  • -

    de voorafgaand aan de descente door beide partijen ingediende stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is sinds 1993 eigenaar van het perceel aan de [adres 1] te [G.] . [eiser] heeft het perceel met daarop een gebouwde onroerende zaak momenteel verhuurd. De huurster exploiteert in het gehuurde een cafétaria.

2.2.

[gedaagde] is sinds 1988 eigenaar van het aangrenzende perceel aan de [adres 2] te [G.] . Op het perceel van [gedaagde] bevindt zich eveneens een gebouwde onroerende zaak, waarin de zoon van [gedaagde] kantoor houdt.

2.3.

Beide bedoelde onroerende zaken liggen vrijstaand van elkaar. De ruimte daartussen is bestraat en behoort voor het grootste gedeelte toe aan [gedaagde] en voor een kleiner gedeelte aan [eiser] . Tot december 2014 was bedoelde ruimte vanaf de openbare weg vrij toegankelijk. In die ruimte stond een parkeerpaal (klappaaltje) waarvan zowel [eiser] als [gedaagde] een sleutel hadden.

2.4.

[gedaagde] heeft omstreeks december 2014 een schutting geplaatst om zijn perceel af te schermen van dat van [eiser] . Volgens [gedaagde] staat de schutting op zijn ( [gedaagde] ’s) grond op ongeveer 10 centimeter van de kadastrale erfgrens, volgens [eiser] staat de schutting op de erfgrens. Verder heeft [gedaagde] de toegang tot zijn perceel vanaf de openbare weg afgesloten met een dubbele poort. [gedaagde] heeft het klappaaltje daarbij verwijderd.

3 Het geschil

3.1.1.

[eiser] vordert – na wijziging van eis bij akte – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

[gedaagde] te veroordelen om binnen een termijn van 14 dagen na de betekening van dit vonnis, althans binnen een in goede justitie vast te stellen termijn, de poort en schutting ter plaatse van de erfafscheiding tussen de percelen [adres 2] te [G.] en [adres 1] te [G.] te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe een dwangsom van € 100,00 per dag voor elke dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft en tot een maximum van € 10.000,00 en bij het voortdurend in gebreke blijven met machtiging aan eiser om die verwijdering desnoods zelf op kosten van [gedaagde] te bewerkstelligen, een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.1.2.

[eiser] legt aan zijn vordering - samengevat - ten grondslag dat er door verjaring ten laste van het erf van [gedaagde] en ten gunste van zijn ( [eiser] ) erf een recht van erfdienstbaarheid (recht van overpad) is ontstaan. [eiser] kan dit recht door de plaatsing van de poort en de schutting (waarvoor [eiser] geen toestemming heeft verleend aan [gedaagde] ) nu echter niet meer uitoefenen. Verder stelt [eiser] door het plaatsen van de schutting nauwelijks nog lichtinval te hebben door de zijramen op de begane grond.

3.2.

[gedaagde] voert - samengevat - het volgende verweer. [gedaagde] betwist dat sprake is van (het bezit van) een erfdienstbaarheid gedurende twintig jaar; van bezit is geen sprake en [eiser] geeft bovendien niet aan wanneer de verjaringstermijn is aangevangen. [gedaagde] wenste het gebruik van zijn perceel door [eiser] vanwege vuil en andere overlast niet langer te tolereren en heeft daarom, overigens in goed overleg met de huurster, de schutting en poort geplaatst.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] heeft zijn eis bij akte gewijzigd. [gedaagde] heeft daartegen bij antwoordakte bezwaar gemaakt. De kantonrechter zal de eiswijziging toestaan, nu [gedaagde] daarmee niet in zijn processuele belangen wordt geschaad. Uit de inhoud van de dagvaarding blijkt immers reeds om welke percelen het precies gaat, zodat het van meet af aan voor [gedaagde] duidelijk had behoren te zijn dat in de oorspronkelijke eis sprake was van een kennelijke verschrijving.

4.2.

De kantonrechter stelt voorts vast dat gesteld noch gebleken is dat met betrekking tot de onderhavige percelen bij notariële akte en inschrijving daarvan in de openbare registers een recht van erfdienstbaarheid van overpad is gevestigd.

[eiser] stelt dat na meer dan 20 jaar een erfdienstbaarheid is ontstaan door verjaring. Twintig jaar is de termijn waarna geen rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit meer kan worden ingesteld (3:306 juncto 3:105 BW). [eiser] beroept zich dan ook op bevrijdende verjaring.

4.3.

Op grond van artikel 3:105 BW dient voor een geslaagd beroep op verkrijging door bevrijdende verjaring sprake te zijn van het bezit van een erfdienstbaarheid gedurende 20 jaar. Er gelden dus twee vereisten, namelijk: a) bezit en b) gedurende twintig jaar.

De kantonrechter is van oordeel dat aan beide vereisten niet is voldaan.

Ad a. bezit

4.2.

Of sprake is van bezit dient te worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 3:107 en 3:108 BW, te weten: naar verkeersopvatting en op grond van uiterlijke feiten. Daartoe zijn feitelijke omstandigheden nodig, zoals gedragingen of een bestendige toestand van een erf, waaruit naar verkeersopvatting een wilsuiting kan worden afgeleid om een bevoegdheid als gerechtigde tot een erfdienstbaarheid uit te oefenen. De gebruiker dient zich zodanig te gedragen dat de eigenaar daaruit niets anders kan afleiden dan dat de gebruiker pretendeert rechthebbende tot de erfdienstbaarheid te zijn.

4.3.

In de literatuur wordt verdedigd dat zonder zichtbaarheid vrijwel nooit bezit zal kunnen worden aangenomen. Van bezit van een erfdienstbaarheid van weg of overpad zal daarom alleen sprake zijn, wanneer 1) het bezit naar buiten blijkt uit de aanwezigheid van bijvoorbeeld een pad of deur die uitsluitend de bezitter van de erfdienstbaarheid van nut kan zijn, en 2) in gevallen waarin de weg zo vaak wordt gebruikt dat dit gebruik niet langer kan worden gezien als enkele op zichzelf staande inbreuken, maar als een onrechtmatige toestand (Van Vliet, NTBR 2004/38, p. 212-213).

4.4.

[eiser] heeft ter motivering van het gestelde bezit de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd:

- de plaats is altijd open geweest;

- er zat al in de jaren vijftig en zestig een horecagelegenheid in het pand van [eiser] ;

- voordat [gedaagde] de plaats afsloot reed er op gezette tijden (deels over de grond van [gedaagde] ) een vrachtwagen tussen de panden door naar achteren om te laden en lossen;

- [eiser] plaatste regelmatig zijn hoogwerker deels op het erf van [gedaagde] om onderhoudswerkzaamheden aan zijn pand te verrichten;

- de klanten van het cafétaria plaatsten hun fietsen, scootmobielen en dergelijke langs de zijgevel van het pand. Zij moesten daartoe om een schutting/poort heen lopen over de grond van [gedaagde] . [eiser] had de schutting/poort met een draaischarnier aan zijn gevel bevestigd, zodat deze weggedraaid kon worden als er een vrachtwagen door moest. De schutting/poort diende ter afscherming van de vuilcontainer.

Ad a.1. naar buiten toe blijkend bezit uit (bijvoorbeeld) de aanwezigheid van pad of deur

4.5.

Hiervan is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake, ook niet ten aanzien van de draaischutting. Een duidelijk ten gunste van het perceel van [eiser] afgebakend pad ontbreekt immers. Eerder is sprake van gedeeld gebruik.

Van bezit was wellicht wel sprake geweest indien [eiser] zelf een schutting had geplaatst op het perceel van [gedaagde] om zodoende een afgescheiden pad te creëren. Dat is echter niet het geval.

Ad a.2. veelvuldig gebruik

Voor zover van veelvuldig gebruik door de bezoekers van de cafétaria al sprake zou kunnen zijn, geldt dat [eiser] niet althans onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat dit meer dan twintig jaar heeft plaatsgevonden, zie hierna.

Ad b. twintig jaar

4.6.

Volgens [eiser] is de plaats altijd open geweest en is er al sinds de jaren vijftig en zestig een horecapand in het pand gevestigd. [eiser] beroept zich daarmee impliciet op de stelling dat het bezit reeds is aangevangen onder het oude BW. Voor gevallen waarin het gestelde bezit dateert van vóór de inwerkingtreding van het huidige BW (1 januari 1992), geldt op grond van artikel 95 van de Overgangswet Nieuw BW (verder: Ow) dat het bezit eerst vanaf 1 januari 1992 wordt verkregen en dat de verjaring dus eerst op 1 januari 2012 kan zijn voltooid. Voor een mogelijk geslaagd beroep op verjaring op basis van veelvuldig gebruik had [eiser] dan ook moeten stellen dat daarvan vanaf 1 januari 1992 of vanaf een tijdstip daarna gedurende twintig jaar sprake is geweest. Hij had dit kunnen concretiseren door te stellen wanneer de draaischutting is geplaatst. Nu [eiser] dit heeft nagelaten, heeft hij niet aan zijn stelplicht voldaan. Nadere bewijslevering is daarmee uiteraard niet aan de orde.

Conclusie

4.7.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat een erfdienstbaarheid is ontstaan op grond van verjaring. Dit betekent dat daarin geen grondslag ligt voor toewijzing van de vordering. [eiser] heeft nog gesteld dat er door de plaatsing van de schutting nauwelijks nog daglicht naar binnen treedt via de zijramen van de cafétaria. Voor zover [eiser] heeft bedoeld te stellen dat [gedaagde] in zoverre onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem, geldt dat de kantonrechter ter gelegenheid van de descente heeft vastgesteld dat voldoende lichtinval aanwezig is, zodat van een onrechtmatige daad geen sprake is. De vordering van [eiser] is daarmee evenmin toewijsbaar op deze grondslag.

Opgemerkt zij nog dat [eiser] ter gelegenheid van de descente heeft gesteld dat de schutting op de erfgrens staat. Nu [eiser] aan die stelling verder geen gevolgen verbindt, behoeft deze verder geen bespreking.

Al met al komt de kantonrechter dan ook tot de eindconclusie dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen.

4.8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op een bedrag van € 30,00 aan verletkosten.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] gevallen en tot op heden begroot op € 30,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.

type: EB

coll: