Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:7964

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
17-08-2017
Zaaknummer
04 5673476
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringnemer is verantwoordelijk voor de betaling van premie en eigen risico/eigen bijdrage van de verzekerde, ook al is hij zelf voor ziektekosten bij een andere verzekeringsmaatschappij verzekerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4348
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5673476 \ CV EXPL 17-757

Vonnis van de kantonrechter van 16 augustus 2017

in de zaak van:

de onderlinge waarborgmaatschappij ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ CENTRALE ZORGVERZEKERAARS GROEP, ZORGVERZEKERAAR U.A.,

gevestigd te Tilburg,

eisende partij,

gemachtigde GGN Mastering Credit N.V.,

tegen:

[gedaagde] ,

wonend [adresgegevens gedaagde]

,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. M.M.F. Starmans.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Eisende partij vordert – samengevat – veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 176,65, vermeerderd met rente en kosten.

2.2.

Gedaagde partij voert verweer.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Eisende partij vordert betaling van het eigen risico ad € 7,26 betreffende een rekening van de apotheek met als behandeldatum 4 december 2014. Dit eigen risico is bij factuur van 27 februari 2015 in rekening gebracht. Verder vordert eisende partij betaling van het bij factuur van 25 december 2015 in rekening gebrachte eigen risico ad € 126,34 betreffende onder meer rekeningen van de apotheek en een behandeling bij Meditta Diagnostiek BV. Daarnaast vordert eisende partij € 40,00 aan incassokosten en € 3,05 aan reeds verschenen rente.

3.2.

Gedaagde partij heeft tegen de vordering een aantal verweren gevoerd die hierna zullen worden besproken.

Verzekeringnemer

3.3.

Gedaagde partij voert allereerst aan dat hij vanaf 1 januari 2015 niet meer bij eisende partij verzekerd is. Eisende partij erkent dit maar stelt dat gedaagde partij verzekeringnemer is en dat zijn echtgenote als verzekerde is vermeld. Gedaagde partij is aansprakelijk voor tijdige en correcte betaling van de premie en eigen risico/eigen bijdrage van zijn echtgenote, aldus eisende partij.

De kantonrechter overweegt als volgt. Het gevorderde bedrag ad € 7,26 betreft eigen risico van de maand december 2014. Tot en december 2014 was gedaagde partij verzekeringnemer en verzekerde bij eisende partij, zodat het op dit punt gevoerde verweer geen doel treft.

Het gevoerde verweer treft evenmin doel voor wat betreft het bij factuur van 25 december 2015 in rekening gebrachte risico. Door gedaagde partij zelf is het polisblad 2015 in de procedure gebracht. Op dit polisblad staat gedaagde partij als verzekeringnemer vermeld en zijn echtgenote, [naam] , als verzekerde. Verder zijn alle facturen en overige correspondentie aan gedaagde partij verzonden, zonder dat van enig protest hiertegen is gebleken. Uit voorgaande feiten en omstandigheden volgt dan ook dat gedaagde partij als verzekeringnemer met eisende partij gecontracteerd heeft en verantwoordelijk en aansprakelijk is voor de te verrichten betalingen. Dat en op welke wijze de echtgenote vanaf 1 maart 2016 zelf verzekeringnemer is geworden, acht de kantonrechter niet relevant voor de beoordeling van het thans voorgelegde rechtsgeschil.

Eigen risico ad € 7,26

3.4.

Gedaagde partij voert meerdere verweren tegen het gevorderde eigen risico ad € 7,26. Zo stelt gedaagde partij dat ter zake een betalingsregeling is getroffen en dat het gevorderde bedrag is voldaan, terwijl gedaagde partij bij dupliek de verschuldigdheid van het gevorderde bedrag betwist. Daartoe voert gedaagde partij aan dat zijn echtgenote op 4 december 2015 niet bij de apotheek is geweest om medicatie aan te schaffen. Ter adstructie legt gedaagde partij een overzicht van de huisarts over waaruit blijkt wanneer de echtgenote bij de huisarts en bij de apotheek is geweest.

De kantonrechter verwerpt dit laatste verweer omdat dit tardief is gevoerd. Hoewel eisende partij eerst bij repliek de facturen en bijbehorende overzichten in het geding heeft gebracht, heeft gedaagde partij niet betwist deze te hebben ontvangen. Gedaagde partij heeft notabene ter zake dit eigen risico een betalingsregeling getroffen hetgeen volgt uit de brief van 4 mei 2015 die bij productie 3 bij repliek is overgelegd. Het verweer dat bij dupliek is gevoerd is bovendien tegenstrijdig met het treffen van een betalingsregeling en het bij conclusie van antwoord aanvoeren dat alles betaald is. De kantonrechter merkt verder nog op dat uit het overzicht van de huisarts niet kan worden afgeleid op welke datum de apotheek gefactureerd heeft.

3.5.

Ten aanzien van het bij antwoord gevoerde verweer dat de vordering is voldaan, overweegt de kantonrechter als volgt. Gedaagde partij voert een bevrijdend verweer. Het is dan ook aan gedaagde partij om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en deze vervolgens ook aan te tonen waaruit blijkt dat de vordering ook daadwerkelijk is betaald. Hierin is gedaagde partij niet geslaagd. Gedaagde partij legt weliswaar een overzicht over met gedane betalingen, maar hieruit kan zonder nadere toelichting niet worden afgeleid dat nu juist dit deel van de vordering is voldaan.

Uit voornoemde brief van 4 mei 2015 volgt dat partijen een betalingsregeling hebben getroffen waarvan het gevorderde eigen risico ad € 7,26 deel uitmaakt. Deze brief vermeldt als relatienummer: 430098928. Uit de als productie 4 bij repliek overgelegde brieven van 5 augustus 2015 en 12 november 2015, met hetzelfde relatienummer als de brief van 4 mei 2015, blijkt dat de regeling is komen te vervallen omdat deze niet werd nagekomen. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft gedaagde partij niet aangetoond dat het gevorderde bedrag van € 7,26 is betaald, zodat dit verweer wordt gepasseerd. Dit brengt vervolgens met zich dat de vordering van eisende partij op dit punt kan worden toegewezen.

Eigen risico ad € 126,34

3.6.

Volgens de bij repliek overgelegde factuur heeft het bedrag van € 126,34 betrekking op verrichtingen en geneesmiddelen d.dis 16 maart 2015 ad € 57,25 (Meditta Diagnostiek BV, 25 september 2015 ad € 7,19 (apotheek), 26 oktober 2015 € 8,07 (apotheek) en 30 november 2015 ad € 53,83 (apotheek). Bij conclusie van antwoord voert gedaagde partij aan niet te weten waarop het bedrag van € 126,34 betrekking heeft. Nadat eisende partij bij repliek de betreffende factuur d.d. 25 december 2015 heeft overgelegd voert gedaagde partij aan zich niet te kunnen herinneren op 16 maart 2015 Meditta Diagnostiek BV een bezoek te hebben gebracht. Ten aanzien van het in rekening gebrachte eigen risico is gedaagde partij van mening deze te hebben betaald. Bij voortduring is er middels betalingsregelingen aan eisende partij betaald.

3.7.

De kantonrechter stelt ten aanzien van dit eigen risico voorop dat het gedaagde partij duidelijk had moeten en kunnen zijn waarop dit betrekking heeft. Als niet betwist staat vast dat gedaagde partij de facturen heeft ontvangen, zodat inzichtelijk had moeten zijn welke bedragen voor welke verrichtingen of geneesmiddelen in rekening zijn gebracht.

Het verweer zich niet te kunnen herinneren aan Meditta Diagnostiek BV een bezoek te hebben gebracht op 16 maart 2015 wordt bij gebrek aan onderbouwing verworpen. Gedaagde partij had zijn verweer moeten onderbouwen door middel van bijvoorbeeld een verklaring van Meditta Diagnostiek BV.

Ten aanzien van het verweer te hebben betaald verwijst de kantonrechter naar hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 3.5. is overwogen. Ook hier heeft gedaagde partij niet aangetoond te hebben betaald.

Het bedrag van € 126,34 wordt toegewezen evenals de daarover gevorderde rente.

Buitengerechtelijke incassokosten

3.8.

Eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden.

Eisende partij heeft aan gedaagde partij een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het aan incassokosten gevorderde bedrag wordt daarom toegewezen.

3.9.

De kantonrechter acht geen termen aanwezig gedaagde partij toe te laten tot nadere bewijslevering.

3.10.

Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 101,00

  • -

    griffierecht 117,00

  • -

    salaris gemachtigde 60,00 ( 2 x tarief € 30,00)

totaal € 278,00

3.11.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 176,65, vermeerderd met de wettelijke rente over € 133,60 vanaf 10 januari 2017 tot aan de voldoening,

4.2.

veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten aan de zijde van eisende partij gevallen en tot op heden begroot op € 278,00,

4.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.

type: PL

coll: EB