Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:7955

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-08-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
5860735/cv/17-3016
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Overeenkomst door/ten behoeve van minderjarige. Materiële en formele procespartij. Dwang?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4291
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 5860735 \ CV EXPL 17-3016

Vonnis van de kantonrechter van 9 augustus 2017

in de zaak van:

de stichting [naam stichting] h.o.d.n. [eiser],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

gedaagde partij in verzet,

gemachtigde GGN Mastering Credit N.V.

tegen:

[gedaagde] ,

wonend te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

eisende partij in verzet,

gemachtigde mr. K.J.C. van Bekkum,

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het navolgende:

  • -

    het door de kantonrechter op 15 februari 2017 tussen [eiser] als eisende partij en [gedaagde] als gedaagde partij bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer 5632780 CV EXPL 17-277

  • -

    de verzetdagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in verzet

  • -

    de conclusie van repliek in verzet.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Er is een overeenkomst tot stand gekomen, op grond waarvan [gedaagde] bij [eiser] een opleiding zou volgen tot kok.

2.2.

[gedaagde] is in gebreke gebleven met de betaling van het cursusgeld en/of andere bijdragen.

3. Het geschil

3.1.

[eiser] heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 310,19, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten.

3.2.

Bij verstekvonnis van 15 februari 2017 is de vordering, behoudens de gevorderde incassokosten en daarmee tot een bedrag van € 261,79, aan [eiser] toegewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.3.

[gedaagde] vordert in het verzet te worden ontheven van de bij het verstekvonnis uitgesproken veroordeling en dat de vordering van [eiser] alsnog wordt afgewezen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Uit de overgelegde processtukken blijkt dat het verzet tijdig is ingesteld, zodat [gedaagde] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.

4.2.

[gedaagde] heeft aan zijn verzet ten grondslag gelegd dat hij op het moment van de totstandkoming van de overeenkomst minderjarig was. Op grond van art. 1:234 jo 3:32 BW betekent dit volgens [gedaagde] dat hij op het moment van die totstandkoming in beginsel handelingsonbekwaam was, zodat er rechtsgeldig geen overeenkomst tot stand is gekomen tussen [gedaagde] en [eiser] . Kennelijk was [eiser] zich (uiteindelijk) bewust van het feit dat [gedaagde] geen overeenkomst kon aangaan, waarna de vader van [gedaagde] de overeenkomst heeft getekend. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] en onrechte gesteld dat hij van zijn wettelijk vertegenwoordiger toestemming zou hebben gekregen tot het aangaan van de overeenkomst: [gedaagde] werd namelijk door zijn vader gedwongen om de betreffende opleiding te volgen en van het vrijwillig aangaan van de overeenkomst was dan ook geen sprake. Aldus is er sprake van een wilsgebrek en is de rechtshandeling ex art. 3:33 BW niet tot stand gekomen.

4.3.

De kantonrechter overweegt als volgt.

4.4.

In het onderhavige geval is sprake van een onderwijsovereenkomst: [eiser] heeft een overeenkomst van 27 augustus 2013 in het geding gebracht waaruit volgt dat [gedaagde] door [eiser] zou worden opgeleid tot kok. De overeenkomst is ondertekend door [gedaagde] als leerling en, omdat [gedaagde] (geboren op [geboortedatum] 1996 ) toen nog minderjarig was, ook door S.W. [gedaagde] (de vader van [gedaagde] ; verder: vader) als wettelijk vertegenwoordiger van [gedaagde] .

4.5.

Met [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] , doordat de overeenkomst mede is ondertekend door zijn vader, op de voet van het bepaalde in artikel 1:234 lid 1 en 2 BW toestemming van zijn vader als wettelijke vertegenwoordiger heeft gekregen om de onderhavige overeenkomst met [eiser] aan te gaan. Het gevolg hiervan is dat [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de onderhavige overeenkomst en binnen het kader van die overeenkomst handelingsbekwaam was en de rechtshandeling kon en mocht verrichten en dus - formeel en materieel - partij werd bij die overeenkomst.

4.6.

Maar ook als over het vorenstaande anders geoordeeld zou moeten worden treft het verweer van [gedaagde] geen doel en heeft [gedaagde] te gelden als materiële partij. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.7.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 8 september 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA7041) overweegt de kantonrechter dat wettelijk vertegenwoordiger(s) van een minderjarige, die ten behoeve van die minderjarige een (onderwijs)overeenkomst sluit(en), zulks doen uit naam van de minderjarige omdat diens minderjarigheid er toe noopt dat zijn in het geding zijnde belangen voor hem door een ander behartigd worden en op de wettelijke vertegenwoordiger(s) ter zake een wettelijke zorgplicht rust. In het licht van dit uitgangspunt bezien, is slechts sprake van een door de wettelijke vertegenwoordiger(s) voor zichzelf (pro se) met het opleidingsinstituut gesloten overeenkomst, indien dat instituut - behalve de aan de ouders q.q. aangeboden prestatie - tevens een (daarvan) te onderscheiden prestatie aan de wettelijk vertegenwoordiger(s) pro se heeft aangeboden en deze is aanvaard, hetzij doordat een en ander met zoveel woorden door partijen is besproken, hetzij doordat dat aanbod en die aanvaarding overigens uit de omstandigheden van geval moeten worden afgeleid.

4.8.

In het onderhavige geval kan - nu de overeenkomst is ondertekend door [gedaagde] als leerling en daarnaast mede door de vader als wettelijk vertegenwoordiger van [gedaagde] en de overeenkomst uitsluitend zag op de opleiding van [gedaagde] - naar het oordeel van de kantonrechter slechts geconcludeerd worden dat die overeenkomst enkel betrekking had op [gedaagde] zelf en niet (ook) op de vader (pro se). Het vorenstaande impliceert dat de vader de overeenkomst uitsluitend is aangegaan als wettelijk vertegenwoordiger van [gedaagde] .

4.9.

Vertegenwoordiging heeft het effect dat de als vertegenwoordiger optredende persoon geen partij wordt bij de rechtshandeling, maar “er tussenuit valt”: het is de vertegenwoordigde, die bij de rechtshandeling partij wordt, nu de bij wege van vertegenwoordiging verrichte rechtshandeling aan hem wordt toegerekend. Het vorenstaande betekent dat [gedaagde] ook langs deze weg materieel de contractspartij van [eiser] is.

4.10.

Uit de dagvaarding en de stukken blijkt dat [gedaagde] is geboren op [geboortedatum] 1996 . Hij heeft op [geboortedatum] 2014 dan ook de leeftijd van 18 jaren bereikt. De dagvaarding is uitgebracht op 27 maart 2017. De minderjarige [gedaagde] , voor wie de vader ter gelegenheid van de totstandkoming van de overeenkomst als wettelijk vertegen-woordiger optrad en die als gevolg van zijn minderjarigheid (toen) procesonbekwaam was en dus (ook) in rechte vertegenwoordigd moest worden door degene onder wiens gezag hij stond, was toen inmiddels meerderjarig en dient (uitzonderingen zoals een volmacht daargelaten) in een gerechtelijke procedure als zelfstandige partij op te treden. Nu [gedaagde] zowel formele als materiële procespartij is, heeft [eiser] hem terecht in rechte betrokken.

4.11.

Ten overvloede: de stelling van [eiser] dat de vader handelingsonbekwaam zou zijn berust op een verkeerde lezing van het door [eiser] aangehaalde vonnis.

4.12.

[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat de rechtshandeling niet overeenkomt met zijn wil: hij heeft gesteld dat zijn vader hem gedwongen heeft de opleiding te volgen, zodat de rechtshandeling onder dwang tot stand is gekomen en dus vernietigbaar is.

4.13.

Ook dat verweer treft naar het oordeel van de kantonrechter geen doel, alleen al omdat dit verweer op geen enkele manier door [gedaagde] (nader) is onderbouwd.

4.14.

Dat [gedaagde] de opleiding heeft afgebroken en dat dit is gebeurd nog voordat [gedaagde] meerderjarig werd, brengt - juridisch gezien - niet met zich mee dat de overeenkomst is beëindigd en evenmin dat [gedaagde] niet meer gehouden zou zijn de voor hem uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenis, zijnde die van betaling van het lesgeld, na te komen.

4.15.

Nu tegen (de hoogte van) de gevorderde bedragen aan hoofdsom, incassokosten en rente geen verweer is gevoerd, brengt al het vorenstaande met zich mee dat het verstekvonnis zal worden bekrachtigd (waaronder de veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten van de verstekzaak).

4.16.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het verzet worden veroordeeld. De kosten worden aan de zijde van [eiser] begroot op € 60,= aan salaris voor de gemachtigde van [eiser] .

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

bekrachtigt het door de kantonrechter op 15 februari 2017 onder zaaknummer 5632780 CV EXPL 17-277 gewezen verstekvonnis,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 60,= voor gemachtigdensalaris,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.

type: MvA

coll: